Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aantijgen - (beschuldigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aantijgen ww. ‘beschuldigen’
Mnl. dat heft die man getegen sinen sonden an ... ‘geweten aan’ [1265-70; CG II, Lut.K], aentien /-tiën/ ‘toeschrijven, toekennen, ten laste leggen’ [ca. 1350; MNW], ook hypercorrect aentyden [1433; Stall. I, 34].
Gevormd uit → aan en mnl. tien, een sterk werkwoord met de vormen teech-tegen-getegen (-g- uit -h- door grammatische wisseling). Uit de verleden tijd en het verl.deelw. werd de -g- overgenomen in de infinitief. Dat gebeurde al in het Middelnederlands: willen elc andren tyghen an haers selves ghebreken ‘(zij) willen elkaar hun gebreken toeschrijven’ [1350-1420; MNW]. Daarop ontwikkelden zich ook zwakke vormen in de verleden tijd: tijgde-getijgd, bijv. mnl. wiet hem aentide ‘wie hem ervan beschuldigde’ [14e eeuw; MNW].
Os. -tīhan in aftīhan ‘falen, weigeren’; ohd. zīhan ‘beschuldigen’; oe. tēon ‘beschuldigen’; on. tjá ‘tonen’; got. (ga)teihan ‘tonen, verkondigen’; < pgm. *tīhan-. Een hiervan afgeleid abstractum, het zn. pgm. *tih-ti- (waaruit mnl. ticht ‘aanklacht, vordering’ en oe. tiht ‘beschuldiging’), ligt ten grondslag aan → betichten.
Buiten het Germaans is *tīhan- verwant met: Latijn dīcere ‘zeggen’; Grieks deiknesthai ‘tonen’; Sanskrit dídesti ‘hij toont, wijst’; bij de wortel pie. *deiḱ- ‘wijzen’ (IEW 188).
In het Middelnederlands vielen de infinitieven van tien ‘beschuldigen’ < pgm. *tīhan en van tien ‘trekken, gaan’ < *teuhan- (nnl.tijgen) samen. Wrsch. als gevolg van die homonymie is het simplex tien ‘beschuldigen’ verdwenen.
aantijging zn. ‘beschuldiging’. Vnnl. op aantyging van ketterye [1642; WNT Supp.]. Momenteel wordt het zn. nog wel gebruikt, maar is het werkwoord verouderd.

EWN: ♦ aantijging zn. 'beschuldiging' (1642)
ANTEDATERING: Aentijginge 'beschuldiging' [1562; Kil. s.v. insimulatio]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aantijgen* [beschuldigen] {aentijghen 1562} van aan en tijgen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aantijgen ww., daarnaast ook betijgen en optijgen, samenstellingen van tijgen, dat door analogie van de vormen van verl. t. en deelw. ontstaan is uit mnl. tien (vgl. teech, gheteghen) ‘iets van iemand zeggen, toeschrijven, beschuldigen’, vgl. os. aftīhan ‘weigeren’, ohd. zīhan ‘beschuldigen’ (nhd. zeihen), oe. tēon ‘beschuldigen’, on. tjā ‘tonen’, got. gateihan ‘verkondigen’. — lat. dicō ‘ik zeg’, gr. deíknūmi ‘ik toon’, oi. diśati ‘toont, wijst’, van idg. wt. *deiḱ (IEW 188). — Zie ook: betichten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aantijgen ww. In het oudere Nnl. en dial. ook betijgen, optijgen. Samenstellingen van tijgen, een analogisch opgekomen vorm voor mnl. tîën (: teech, ghetēghen) “iets van iemand zeggen, toeschrijven, beschuldigen:” (aen)tîghen komt reeds mnl. voor. Mnl. tîën = ohd. zîhan “beschuldigen” (nhd. zeihen), os. af-tîhan “weigeren”, ags. têon “beschuldigen”, on. tjâ (zwak) “toonen”, got. ga-teihan “verkondigen”; buiten het Germ.: ier. dodêcha “laat hij zeggen”, lat. dîco “ik zeg”, gr. deiknūmi “ik toon”, oi. diçâti, dídeṣṭi, diçyati, deçayati “hij toont”. Hierbij nog uit het Germ. ohd. zeigôn “toonen” (nhd. zeigen), on. tîginn “aanzienlijk”, tîgn v. “rang, aanzienlijke persoon”. Vgl. betichten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aantijgen. Ier. dodecha niet in dit verband: WP. I, 776.
Vgl. nog teen I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tijgen 2 o.w., Mnl. tien, uit *tijhen. Os. tîhan + Ohd. zîhan (Mhd. zîhen, Nhd. zeihen), Ags. téon. On. tjá, Go. teihan: Germ. wrt. tīh + Skr. wrt. diç = toonen, Gr. deiknúnai = toonen, Lat. dicere = zeggen, in-dicare = toonen: Idg. wrt. dei̯k͂.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

aantieën, aantigen ww.: beschuldigen, aantijgen. Mnl. aentien ‘toeschrijven, toekennen, ten laste leggen’, afl. van Mnl. tien. De vervoegde vormen ervan zijn teech, tegen, getegen, door grammatische wisseling h/g. De g in aantigen, Ndl. aantijgen, is dus ontstaan door analogie met de vervoegde g­-vormen. Os. tîhan, Ohd. zîhan, D. zeihen, Oe. têon ‘beschuldigen’, Got. (ga)teihan ‘tonen, verkondigen’. Verwant met Lat. dicere ‘zeggen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aantijgen* beschuldigen 1562 [Naembouck]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

deik̑- ‘zeigen’, woraus lat. und germ. z. T. ‘mit Worten auf etwas hinweisen, sagen’, mehrfach auch ‘das Recht weisen, auf den Täter hinweisen, beschuldigen’ entwickelt, Partiz. Pass. dik̑-tó-s; dik̑ā ‘Richtung’, dik̑-ti- ‘Anweisung’, deik̑o-s ‘Richtung’

Ai. dídeṣṭi, diśáti, dēśayati ‘zeigt, weist’, av. daēs- Aor. dōiš- ‘zeigen’ (daēsayeiti, disyeiti, daēdōišt) ‘zeigen; jemandem etwas zuweisen, zusprechen’, Partiz. ai. diṣṭá- (= lat.dictus); diṣṭi-ḥ ‘Weisung, Vorschrift’, av. ādišti-š ‘Anweisung, Lehre’ (= lat. dicti-ō, ags. tiht ‘Anklage’, ahd. in-, bi-ziht ds., nhd. Verzicht), ai. diś- f. ‘Weisung, Richtung’, diśā ‘Richtung’ (= δίκη ‘Recht’, woraus wohl lat. dicis causa ‘nur der Form wegen, zum Schein’), deśá-ḥ ‘(Richtung), Gegend’ = an. teigr s. unten;
gr. δείκνῡμι, sekundär δεικνύω ‘zeige’, kret. προ-δίκνῡτι ‘ἐπιδείκνυσι’, δεῖξις ‘das Zur-Schau-Stellen’ (mit sekundärer Hochstufe), δίκη s. oben, δίκαιος, δικάζω, ἄδικος; das Perf. Med. δέδειγμαι, und δεῖγμα ‘Beweis, Beispiel’ nicht mit idg. g, sondern gr. Neuerung;
lat. dīcere ‘sagen’, dīcāre ‘feierlich verkünden, zusprechen, weihen’, osk. deíkum ‘dicere’, umbr. teitu, deitu ‘dicito’, ablautend osk. dicust ‘dixerit’, umbr. dersicust ds., osk. da-díkatted ‘dēdīcavit’, lat. dīciō ‘die Macht eines Herrn über andere, Botmäßigkeit, Gerichtsbarkeit’, indīcāre ‘anzeigen’, index ‘Anzeiger, Angeber; Zeigefinger’ (wie auch ai. deśinī ‘Zeigefinger’), iūdex ‘der das Recht Weisende’, vindex (vindicāre = vim dicere), causidicus; über urir. *Eku̯o-decas, Lugudec(c)as (Gen. Sg.) s. unter dek̑-1.
got. gateihan ‘anzeigen, verkündigen’, anord. tēa, jünger tiā ‘zeigen, darstellen, ankündigen’, ags. tēon ‘anzeigen, verkündigen’, ahd. zīhan ‘anschuldigen, zeihen’, wozu anord. tīgenn ‘(*monstratus) vornehm’, tīgn f. ‘Rang; vornehmer Mann’; ahd. zeigōn ‘zeigen’, wovon zeiga ‘Weisung’; inziht usw. s. oben; ferner anord. teigr m. ‘geradliniges Wiesenstück’ (‘*Richtung’ = ai. deśá-ḥ ‘Gegend, Platz, Land’), ablautend ags. tīg, tīh ‘Anger, Weide’, mnd. tī(g) m. öffentlicher Sammelplatz eines Dorfes’, ahd. zīch ‘forum’.
Hierher vermutlich mit der Bed. ‘Finger’ (= ‘*Zeiger’) und sekundär, aber bereits alt ‘Zehe’, ahd. zēha, ags. tāhe, , anord. ‘Zehe’ (*dóik̑u̯ā), mnd. tēwe, nhd. und südd. zēwe ds. (*doik̑-u̯ā), und das wohl aus *dicitus durch Dissimilation gegen das tonlose t entstandene lat. digitus ‘Finger, Zehe’.
Hitt. tek-kuš-ša-nu-mi ‘mache erkennbar, zeige’ hierher nach Sturtevant Lang. 6, 27 f., 227 ff.; bezweifelt der Bildung wegen von E. Forrer bei Feist 204.
Daneben idg. doig̑- in got. taikns f. ‘Zeichen, Wunder’, taikn n. ds., ahd. (usw.) zeihhan n. ‘Zeichen’, ags. tǣcan, engl. teach ‘lehren’, anord. teikna ‘zeigen, bedeuten, bezeichnen’, ahd. zeihhonōn ‘zeichnen’, got. taiknjan ‘zeigen’, ahd. zeihinen ds.
Aus germ. *taikna stammt finn. taika- ‘Vorzeichen’.
Ob deik̑- und deig̑- aus dei- ‘hell glänzen’ (auch ‘sehen’) als ‘sehen lassen, aufblitzen lassen’ erweitert sind?

WP. I 776 f., WH. I 348 f., 351, 860, Schwyzer Gr. Gr. I 696 f., Feist 204, 472.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal