Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

achterbaks - (achter iemands rug, stiekem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

achterbaks bn. ‘achter iemands rug, stiekem’
Mnl. achterbaecs ‘achter de rug, in het geheim’, in Scout ende scepen raden daer toe achterbaecs ‘schout en schepenen beraadslagen er in het geheim over’ [ca. 1470; MNW]; nnl. achterbaksch ‘heimelijk’, een afleiding van het bijwoord achterbaks ‘stiekem’. Het bijwoord en het bn. vielen later samen.
Gevormd met bijwoordelijke → -s uit het voorzetsel → achter en het zn. mnl. bak ‘rug’, zie → bak 3 ‘varken’.
Mnd. achterbakes ‘achter iemands rug’; nfri. efterbaks ‘achterbaks’.
Oorspr. was achterbaks een bijwoord van plaats met de betekenis ‘achter iemands rug’, later werd de betekenis uitgebreid tot ‘buiten iemands medeweten, buiten iemand om’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

achterbaks* [achter de rug van] {achterbacs 1451-1500} van achter + middelnederlands bac [rug] (vgl. ‘het achter de ellebogen hebben’) oudsaksisch, middelnederduits bac, oudhoogduits bak, oudfries bek, oudengels bæc (engels back), oudnoors bakbak2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

achterbaks bijw., mnl. achterbaecs ‘achter de rug’, vorming met bijw. s uit achter bak vgl. achter rugghe(s), mnd. achterbakes, fri. efterbeks, -baks. Vgl. nog os. under bak ‘achteruit’, oe. underbæc ‘achteruit’. — Het woord bak voor ‘rug’ is reeds mnl. aan het uitsterven maar bestaat nog in samenstellingen als bacvonnis (vonnis buiten tegenwoordigheid van de partij gewezen), bacwoordich ‘achter de rug gesproken woorden’, vgl. os. mnd. bak, ohd. bach, ofri. bek, oe. bæc, on. bak. — Daarmee verwant mnl. bake ‘zij spek’, ohd. bahho m. ‘ham’ (daaraan ontleend ofra. bacon. > ne. bacon ‘zij spek, ham’). — Vgl. nog bakboord.

Aanknopingen buiten het germ. ontbreken. Indien men uitgaat van een betekenis ‘ronde opzwelling, welving’ (P. Persson, UUÅ 1891, 190), dan komt men nog niet tot idg. verwanten. Misschien overgenomen uit een substraattaal van het germaans?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

achterbaks bijw., mnl. achterbaecs “achter den rug, in ʼt geniep”. Met een bijwoordelijke s (zie aanstonds) uit *achter bak(e) = achter rugghe(s) “id."; evenzoo mnd. achterbākes, fri. efterbeks, -baks. Vgl. ook os. under bak “achteruit, terug”, ags. underbæc, underbæcling “achteruit”. Het tweede lid is ʼt reeds in ʼt Mnl. verouderde germ. *baka- ”rug”, ohd. bah, os. bak o., ofri. bek m., ags. bæc (eng. back; het bijw. back “terug” uit ags. on bæc), on. bak (de. bag voorz. bijw. “achter”, zw. bak bijw. “achter” = on. â bak, at baki) o. “rug”. Verwant met mnl. bāke m. “zijde spek, geslacht varken”, v. “levend varken”, ohd. bahho m. “ham”, nhd. bache v. “wilde zeug”, mnd. bāke v. “zijde spek, ham” (uit het Du.-Ndl. ofr. bacon > eng. bacon “zijde spek, ham”) en mhd. arsbacke m. “bil” (nhd. arschbacken). Niet wsch. is verwantschap met oi. bhaga- “vrouwelijke schaamdeelen”. Obg. bokŭ “zijde” kan uit het Germ. ontleend, maar niet met *ƀaka- verwant zijn. Verwantschap met den bij beek besproken wortel is mogelijk, maar zeer twijfelachtig; waarschijnlijker is de combinatie met ier. bacc “haak, kromme stok” (cc uit gn), russ. bagór “vischhaak, stang met een haak”. Voor de bet. vgl. bij rug; zie nog pegel. Vgl. bakboord. — Afl. achterbaksch bnw., nog niet in Kil.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

achterbaks. Over het tweede lid zie nog bij bakkes Suppl.
De combinatie met ier. bacc ‘haak, kromme stok’ is niet mogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

achterbaks bijw., Mnl. achterbakes, met de adv. s gevormd van achter en bak = rug (z. bakboord).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

agterbaks b.nw.
Nie openlik of openhartig nie, skelm, onderduims.
Uit Ndl. achterbaks (al Mnl.) 'agter die rug van', 'n samestellende afleiding met -s van achter en bak 'rug'.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Achterbaks, mnl. achterbakes; heimelijk, achter iemands rug, achterhoudend, terughoudend. Van achter en bak (= rug), dat wij ook terugvinden in bakboord, en in ’t eng. back (= terug).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Achterbaks. Het woord bak bet. rug, (vgl. ook bakboord), omdat de stuurman, die aan ’t roer staat, de linkerzijde van ’t schip den rug toekeert, ’t Woord bet. dus letterlijk iets achter den rug houden, het niet laten zien.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

achterbaks* stiekem 1451-1500 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

46. Iets (of zich) achterbaks houden,

d.w.z. ‘iets verborgen houden, terughouden, niet laten zien; hetzij om het arglistig aan de aandacht van een ander te onttrekken, hetzij om het voor later gebruik te besparen; zich schuilhouden, zich niet vertoonen uit vrees of schaamte.’Ndl. Wdb. I, 644. Vgl. ook Sewel, 43: Agterbaks (in 't geheim), in secret, secretly; agterbaks snoepen, to eat dainty bits in secret; Halma, 16: Achterbaks, bijw. In 't heimelijk, en cachette, en tapinois, en secret. Het bijw. achterbaks beantwoordt aan een mnl. achterbaecs, mnd. achterbakes, dat met de bijwoordelijke s van een vermoedelijk achter bake gevormd is, zoodat het geheel wil zeggen achter den rug. Vgl het mnl. achter rugges. Een synoniem van dit achterbaks is achterbanks, dat door Sewel vertaald wordt door: in a corner, en door Halma verklaard wordt door achterweg, dans quelque coin.Vgl. achter de bank liggen, raken; ook werpen, schuiven. In Zuid-Nederland achterduims, in 't geheim, in 't geniep (Teirl. 10); ook bij V. Schothorst, 95: achterduems, onoprecht. In Groningen achterbaks blieven, terug blijven; iets achterbaks schoeven, laten rusten; achterbaks eten, in 't geniep snoepen (Molema, 2 a); in Drenthe en Noord-Holland iets achterbaaks (-baks, -banks), houden (Bergsma, 6; Bouman, 2); even-zoo in Westphalen ächterbâks, hinterrücks, rücklings (Woeste, I b); oostfri. achterbaks; fri. hwet efterbaks (efterbeks) hâlde, waarnaast efterbek, adv. achteruit, terug, achterover.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal