Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

adder - (soort gifslang (Vipera berus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

adder zn. ‘soort gifslang (Vipera berus)’
Mnl. nadre ‘adder’ [1240; Bern.], nader [1287; CG II, Nat.Bl.D], nadder [14e eeuw; MNW], adere, adre, ader, adder [ca. 1400; MNW].
Algemeen Germaans woord, oorspr. met een n- als beginklank. Door verkeerde woordscheiding van 'n nadder (met onbepaald lidwoord) kon in de spreektaal adder ontstaan, zie ook → arrenslee.
Verwant met: os. nādra; ohd. nātara, nāter (nhd. Natter naast Otter); nfri. njirre; oe. næd(d)re (ne. adder); on. naðr(a); got. *nadrs ‘adder’ (alleen genitief mv. nadre); < pgm. nadra-.
Verwant met Latijn natrīx ‘waterslang’ (met secundaire betekenisbeïnvloeding door natāre ‘zwemmen’); Oudiers nath(a)ir, gen. nathrach; Welsh neidr, mv. neidrach; Middelcornisch nader; maar Middelbretons azr, Bretons aer, zonder n-. De Germaanse groep wijst op pie. *neh1-tro-, -treh2, de Italo-Keltische op pie. *nh1-tr-ik-, misschien bij de wortel pie. *(s)neh1 ‘draaien, winden’ (IEW 767). Gezien deze onduidelijkheid, het beperkte verspreidingsgebied en het betekenisveld van dit woord is het wrsch. een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

adder* [gifslang] {nadre 1201-1250, adere 1301-1400} de n viel in de doorlopende rede weg doordat men deze aanzag voor de laatste letter van het lidwoord, evenals in engels adder < oudengels nædre, in tegenstelling tot hoogduits Natter, vgl. ook gotisch nadrs; buiten het germ. latijn natrix [(water)slang], oudiers nathir, welsh neidr [(gif)slang]. De uitdrukking een adder aan zijn borst koesteren [weldaden bewijzen aan iem. die ze met ondank vergoedt] is ontleend aan een fabel van Aesopus, die in het middelnl. werd vertaald in de Esopet. Het verhaal gaat over een adder die stijf van de kou door een vrouw wordt verwarmd in haar bed en zijn gastvrouw daarop doodt. De uitdrukking er schuilt een adder onder het gras [er is een verborgen gevaar] is een vertalende ontlening aan Vergilius' Bucolica 3.93 latet anguis in herba.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

adder znw. v. m., mnl. adder, adre v. Door wegval van de n (die als deel van het lidwoord de gevoeld werd bijv. den adder met hiaatbrekende n voor de adder) uit mnl. nadre, os. nadra, ohd. natara, oe. næd(d)re (ne. adder), vgl. nog on. naðr m., naðra v., got. nadrs ‘adder, slang’. — iers nathir ‘slang, waterslang’, lat. natrix ‘waterslang’. — Het woord behoort dus uitsluitend tot de groep lat-kelt-germ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

adder znw., mnl. adder, adre v. Ontstaan uit mnl. nadre met wegval van de n, doordat deze voor ʼt taalgevoel soms bij ʼt voorafgaande woord hoorde, bijv. in ǝn(n)adre. Evenzoo ndd. en eng. adder. Vgl. aak I. De mnl. vorm (n)âder(e) leeft dial. nog voort: Veluwsch ôr. Nâder(e) = ohd. nâtara (nhd. natter), os. nâdra, ags. næ̂d(d)re v. (eng. adder) “adder, slang”. Mnl. (n)ădre kan hieruit ontstaan zijn (vgl. etter). Minder waarschijnlijk is ʼt, dat het er mee in ablaut staat evenals on. naðr m., naðra v., got. nadrs (m.?) “adder, slang”, die in vocalisme met ier. nathir “slang, waterslang”, lat. natrix “waterslang” overeenstemmen. Wellicht bij den wortel (s)nê- “winden” (vgl. naaien).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

adder. Voortzetting van mnl. âder ook in antw. aor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

adder v., Mnl. adre, nadere, Os. nâdra + Ohd. nâtara (Mhd. nâter, Nhd. natter), Ags. nǽdre (Eng. adder), Ofri. niar, On. nađr, Go. nadrs, dus in ’t Nnl., Mnl. en Eng. met aphaerese der n, omdat men ze als de slotletter van een, an opvatte + Lat. natrix = waterslang, Oier. nathir = slang. De Westg. vormen beantwoorden met hun lange a aan Idg. vormen met ê.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

adder: venijnig of vals persoon. Het beeld komt reeds voor in de Bijbel. In Matteüs 23:33-34 spreekt Jezus tot het volk: ‘Slangen! Adders! Hoe zou u kunnen ontkomen aan de veroordeling van de hel? Luister, ik stuur daarom profeten, wijzen en schriftgeleerden naar u toe, maar sommigen van hen zult u doden en aan het kruis slaan, anderen geselen in uw synagogen of van stad tot stad vervolgen.’ Bij Langendijk komt addersvel voor in de betekenis van ‘boosaardig wijf’. In de joods-christelijke traditie heeft de slang steeds een boosaardig karakter. Het was immers de slang die Adam en Eva op het slechte pad bracht.

Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en iets had van een gracieuze adder. (Louis Couperus, Majesteit, 1893)
Ze dokterde nou al een jaar en dat kwam allemaal door dat kleine adder. (Piet Bakker, Ciske de rat, 1941)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

adder(tje) (een -- onder het gras) (vert. van Latijn anguis in herba)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Adders ̶ Viperidae
Van de 187 soorten adders, waaronder 142 soorten groefkopadders, komt uitsluitend de hierna genoemde ‘gewone’ adder in ons land voor. Alle adderachtigen hebben slechts één paar holle giftanden die in de bovenkaak zijn geplaatst.

Adder ̶ Vipera berus (Linnaeus, 1758)
Duits: Kreuzotter; Engels: Common Viper; Frans: Vipère péliade; Fries Njirre
De gewone adder is de enige in Nederland voorkomende gifslang. Het natuurlijke verspreidinggebied is West- en Noord-Europa en West-Azië. De soort is in ons land bij de wet beschermd.
Heidegebieden behoren tot het belangrijkste leefgebied van deze soort. Ze voeden zich voornamelijk met muizen, eieren, hagedissen, kikkers en insecten. Tot zijn natuurlijke vijanden behoren buizerds, dassen en egels. De gewone adder kan een lengte van maximaal 80 centimeter bereiken.
De grondkleur varieert tussen grijs en bruin, de gehele rugzijde is voorzien van een zwarte zigzagstreep. Op de enigszins driekantige kop bevindt zich een x-vormige tekening. Van oktober tot in maart houden adders een winterslaap.
De benaming adder komt van Middelnederlands nad(e)re. In de loop der tijd is de n weggevallen doordat men deze letter aanzag voor de laatste van het lidwoord. De betekenis van de naam is onbekend. Enkele afgeleide naamvormen zijn adrken in Twente, edder in Drente, nader(e) op de Veluwe en njirre in Friesland. Als een gewestelijke bijvorm gelden aar en ader.
Een sterk verouderde naam voor de adder is nater. Men treft dit woord onder meer aan in de plantennamen ‘naterkruid’ (= adderkruid) en ‘naterwortel’ (= adderwortel)
In Noord-Brabant wordt de adder meestal als slang aangeduidt. In Weert spreekt men van slange of slengske. Elders gaat het ‘dubbelop’ met de naam adderslang.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

adder ‘slang’ -> Negerhollands adder ‘slang’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

adder* slang 1340 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

50. Een adder aan zijn borst koesteren,

d.w.z. weldaden bewijzen aan iemand, die ze met snooden ondank vergelden zal of, zooals in Gelderland gezegd wordt, luuz potten in eigen kragen (D. Bl. 3, 48). Deze uitdr. is ontleend aan fabel 97 van Aesopus, in het Middelnederlandsch vertaald in den Esopet 10. In het lat. viperam sub ala nutricat.Zie Petronius 77: Tu viperam sub ala nutricas. Evenzoo zegt men in het fr. nourrir un serpent dans son sein; hd. eine Natter, eine Schlange am Busen hegen, nähren; eng. to cherish a snake (to nourish a viper) in one's bosom. Vgl. Vondel, Adonias, 559; Jos. in Egypte, 1367; Noah, 410; 834:

 Het is geraên, dat ik uw bedgenootschap vlught',
 Gelijk een adder, die bevrozen, na 'et verwarmen,
 Een die haar koestert in den boezem, onder d'armen
 Naer 't slaepend hart steekt, en in zijnen slaep vermoort.

Ook gebruikte men vroeger de synonieme zegswijze: een slang aan (in) zijn' boezem koesteren (stoven, voeden, broeden), soms met de toevoeging die hem het hart zal afsteken. Zie het Ndl. Wdb. III, 231; Harrebomée III, 136 en vgl. Piet Paaltjens in zijn Snikken en Grimlachjes, bl. 40:

‘Ha!’ dus riep hij verwoed,
‘'k Heb een adder gebroed
 Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!’
En hij sloeg op zijn jas,
En hij trapte in een plas;
 't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

51. Er schuilt een adder in 't gras,

d.w.z. er ligt, onder het voorkomen der onschuld, een boosaardig opzet verborgen; fr. il y a anguille sous roche. De fr. uitdr. beteekent in 't algemeen: daar schuilt iets achter; hd. es ist eine Natter im Grase; eng. there is a snake in the grass. Het is eene vertaling van het lat. latet anguis in herba, dat voorkomt bij Vergilius Ecl. 3, 93, doch aldaar in letterlijken zin; in het mlat. is het reeds eene spreekwijze (Journal, 10). Ook in het Mnl. wordt de zegswijze reeds fig. opgevat in Rose, 13931. Eveneens zeide men er schuilt een slang in 't gras (Vondel) of er schuilt een angel onder, of zooals Halma, 33 citeert: Daar is een angel onder verborgen, il y a quelque venin, ou quelque mal caché làdessous. Huygens, I, 172 spreekt van een aeltje onder 't gras (vgl. fr. anguille). Tuinman I, 1: Daar schuilt een slang onder 't loof. Natuurlijk moet hier onder angel verstaan worden de tong eener slang, zooals ook blijkt uit de in het Ndl. Wdb. II, 451 opgegeven plaats uit J. Luyken, Zed. en St. Gez. 168: Daar 't masker van behaaglykheid een valsen add'ren angel dekte.In Journal, 388 wordt ook geciteerd: serpens in gremio en non remoritur scorpius in sinu tuo.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut