Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

af - (tot het einde, voorbij, van ... weg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

af bw. ‘tot het einde, voorbij, van ... weg’
Onl. aua thi (vz.) ‘van jou weg’ [10e eeuw; W.Ps.], als voorvoegsel af- [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ave, af, of (uitsluitend als bijwoord) De oudste mnl. vorm is ave- (zoals nog in → averechts), maar reeds vroeg komt af voor [1230; CG I, 19].
Os. af (nnd. af); ohd. aba, ab(e) (nhd. ab); ofri. of (nfri. ôf); oe. æf, of (ne. of); on. af; got. af (ab- in ab-u); < pgm. *aba (vz. met datief) ‘van ... weg’ en (voorv.) ‘id.’.
Verwant met: Latijn ab; Grieks apó; Sanskrit ápa; Hittitisch appa-; ontwikkeld uit pie. *h2épo ‘van ... weg’.
De functie als voorzetsel is reeds in het Middelnederlands verdwenen en overgenomen door het voorzetsel → van. De betekenis ‘ten einde, afgelopen’ verschijnt voor het eerst in 1618 (WNT). In sommige andere Germaanse dialecten bestaat het woord nog wel als voorzetsel.
Lit.: Henzen 1969, 218-273

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

af* [bijw. van verwijdering] {oudnederlands aua 901-1000, middelnederlands ave, af, of} oudsaksisch, oudnoors, gotisch af, oudfries, oudengels of, oudhoogduits ab(a); buiten het germ. latijn ab, grieks apo, oudindisch apa.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

af bw., mnl. af, of, ave, os. af ‘weg van; af- (in samenstellingen)’, ohd. aba, ab ‘van-af, af’, ofri. of ‘weg van’, oe. of ‘van-uit, weg van; bijw. en voorz.; on. af weg-van, er uit, got. af ‘van-af, van’. — Lat. ab (< ap), gr. ápo, oi. apa; met apokope in lat. po-situs ‘gelegen’, osl. po ‘naar’ (IEW 53).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

af bijw., dial. (vooral holl.) ook of, mnl. af, of, āve. = ohd. ab(a) voorz. “weg van, van–af”, bijw. “af” (nhd. ab bijw.), os. af voorz. “weg van, weg uit”, in samenst. bijw. “af-”, ofri. of voorz. “van, weg van”, of, ove bijw. “af, weg”, ags. of “van — uit, weg van, van”, bijw. “af, weg” (eng. of, off), on. af voorz. “weg van, van”, bijw. “af, ervan, eruit”, got. af voorz. “van — af, van”. In alle talen ook prefix, zoo ook onfr. af-; ags. als nominaalprefix æf-. = lat. ab “van” gr. àpo, apó “van” (separatief), ‘af’, lit. in apaczà “onderste deel”, alb. pr-apɛ “weder, terug”. oi. ápa “af, weg”, (ook ier. a- prefix?). Vgl. averechts en van.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

af. Dial. of is meer verbreid dan de aanduiding ‘vooral holl.’ doet vermoeden. Het is de enige of overheersende vorm in het Vel., Achterh., Overijs., Dr. en Gron.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

af bijw., Mnl. af, ave, Onfra. & Os. af + Ohd. ab, aba (Mhd. abe, ab, Nhd. ab), Ags. af, æf, of (Eng. of, off), Ofri. ef, of, ove, On. af (Zw. en De. af), Go. af + Oier. apa, Lat. ab (d.i. *ap) en ap in apage, Gr. apó, Skr. apa; verg. nog achter, aafs en averechts. De langere vorm is die van het praefix; de kortere die van het alleenstaande w. of van het laatste lid eener samenst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aof (bijw.) af; Aajdnederlands aua thi <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Af- in afgod, afgrond, afgunst bet. on.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

af ‘bijwoord van plaats’ -> Indonesisch af (af pabrik) ‘kosteloos (af fabriek)’; Ambons-Maleis af ‘(onder jongeren) beëindigd (van liefdesrelatie)’; Menadonees af ‘uit zijn (relatie)’; Negerhollands af ‘uitzetten; klaar’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

af. In het Ambonees wordt onder jongeren het Nederlandse bijwoord af gebruikt in de specifieke betekenis 'beëindigd' van een liefdesrelatie.

In het Indonesisch is de vaste verbinding (prijs) af fabriek geleend als (harga) af pabrik 'prijs zonder belasting'. Zowel af als pabrik gaat terug op het Nederlands. Het Nederlandse voorzetsel af komt in het Indonesisch alleen in deze specifieke uitdrukking voor. Af is voorts geleend als onderdeel van samengestelde werkwoorden en zelfstandige naamwoorden, zoals afdéling, afdruk, afrit en afschuifsysteem - een woord waarvan je niet onmiddellijk verwacht dat het door een andere taal is overgenomen; kennelijk is het een typisch Nederlandse manier van doen. Overigens is de spelling van afschuifsysteem zeer on-Indonesisch. Opvallend is in al deze voorbeelden dat de f in het Indonesisch bewaard is gebleven, terwijl deze klank in oorspronkelijk Indonesische woorden niet voorkomt en daarom in leenwoorden, met name oudere, vaak wordt vervangen door een p - zoals in pabrik, teruggaand op het Nederlandse fabriek, en aplus, van aflossen. Het Nederlandse afkeur komt in het Indonesisch voor als afkir en als apkir, in de betekenissen 'afgekeurd, afgewezen, verworpen' en 'afgekeurd voorwerp of afgekeurde persoon'. Indonesisch afkiran, apkiran betekenen 'afkeuren'.

Ook in het Papiaments en Sranantongo zijn Nederlandse samenstellingen met af geleend. In het Papiaments bijvoorbeeld kent men afdak, afsprak en bai af 'zich ontlasten', letterlijk 'afgaan'. In het Sranantongo is eveneens afdaki bekend (kennelijk bouwden de Nederlanders aan hun huizen allerlei afdakjes en luifels tegen de zon en regen); in het Sranantongo betekent afdaki overigens ook 'overdekt kraampje', 'krot', 'huis waaraan nog gewerkt wordt' en 'bepaald soort kapsel'. Voorts kent men afkodrei 'afgoderij', asprak 'afspraak' (waarin de combinatie fs vereenvoudigd is tot s) en ruim af 'afruimen' (mi e ruim a tafra af 'ik ruim de tafel af').

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

af* bijwoord van plaats 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

apo- (pō̆, ap-u, pu) ‘ab, weg’

Ai. ápa ‘weg, fort, zurück’ als adnominale Рräp. m. Abl. ‘von-weg’, av. ap. apa ‘von-weg’; über privatives *ap- im Iran, und Gr. s. Schwyzer ZII. 6, 230 ff.; gr. ἄπο, ἀπό m. Gen. (= *Ablativ) ‘von-weg, ab’; maked. ἀπ-, ἀβ-; alb. prapë ‘wieder, zurück’ (*per-apë); lat. ab m. Аbl., ‘von’ (vor tönenden Kons. aus ap, das noch in aperiō aus *ap-u̯eri̯ō; vielleicht auch in aprīcus, s. WH. I 59; über lat. af s. ebenda 1; abs = gr. ἄψ ‘zurück, wieder’; daraus as- vor p-, as-portō; ā vor tönenden Konsonanten), umbr. ap-ehtre ‘ab extra, extrinsecus’ (über andere, unsichere osk.-umbr. Belege s. v. Planta I 209, 426, II 454 f.);
got. af Präf. und Präp. m. Dat. ‘von, von-weg, von-her’, anord. af Adv. und Präp. m. Dat., ags. æf, of, as. af, ahd. aba, ab- ‘von, von-weg’, nhd. ab-.
Vgl. auch lit. apačià ‘der untere Teil’ (als ‘abgewandter Teil’, *apoti̯ā, zu ai. ápatya- n. ‘Nachkommenschaft’ und hitt. ap-pé-iz-zi-ia-aš (appezii̯as) ‘hinterer’. Als kelt. Abkömmlinge von *apo werden in Anspruch genommen acymr. ncymr. o ‘ex, ab, de’, a.-mcorn., a.-nbret. a ds. Doch kommt für diese lautarmen brit. Gebilde eher Zugehörigkeit zu air. ō, ua in Betracht (Thurneysen Gr. 524), so daß alles Brit. ganz unsicher bleibt.
In hett. a-ap-pa (apa) ‘hinter, zurück’ (vgl. gr. ἀπο-δίδωμι ‘gebe zurück’) sind vielleicht idg. apo und epi zusammengefallen (Pedersen Hitt. 188, Couvreur H̯ 94 f., Lohmann IF. 51, 324 f.).

Ableitungen:
apо-tero-, ap-ero-, ap-i̯o-, ap-ōko- und oben apoti̯ā, apeti̯o-.
Ai. apataram Adv. ‘weiter weg’, ap. apataram Adv. ‘abseits, anderswo’, gr. ἀπωτέρω ‘weiter entfernt’ (ἀπωτάτω ‘sehr weit entfernt’); vielleicht got. aftarō ‘von hinten, rückwärts’, aftuma, aftumists ‘der letzte’, ags. æftemest ds. und got. aftra ‘zurück, wiederum’, ahd. as. aftar Adv. ‘hinten, nach’ und Рräp. m. Dat. ‘nach, hinter-her, gemäß’, ags. æfter ds., anord. eptir Adv. und Рräp. m. Dat. und Akk. ‘nach’, aptr Adv. ‘zurück, rückwärts’.
Für diese germ. Worte steht aber auch Verwandtschaft mit gr. ὄπιθεν, idg. *epi, *opi zur Erwagung (Schulze KZ. 40, 414 Anm. 3), vgl. noch got. afta ‘hinten’, ags. æft ‘hinter, später’, got. aftana ‘von hinten’, anord. aptan, ags. æftan, as. aftan, mhd. aften ‘hernach’.
Ai. ápara- ‘hinterer, späterer, folgender, anderer’, Adv. -ám ‘nachher, später’, av. ap. apara- ‘hinterer, späterer, folgender’, Adv. -ǝm, -am, Sup. ai. apamá-, av. apǝma- ‘der entfernteste, letzte’; got. afar Adv. und Präp. mit Dat. und Akk. ‘nach, nachher’, ahd. avar, abur (letzteres aus *apu-ró-m, wie anord. aur- ‘unterer, hinterer’ in Kompos., s. Falk-Torp, 11 f.) ‘wieder, abermals, dagegen’ (nhd. aber), anord. afar ‘besonders, sehr’ (vgl. zur Bed. ai. ápara- auch ‘absonderlich, außergewöhnlich’, Lidén Stud. 74 ff.; ags. eafora, as. aƀaro ‘Nachkomme’). S. noch *āpero- ‘Ufer’.
Gr. ἄπιος ‘abgelegen, fern’ (wohl auch anord. efja f. Bucht in einem Fluß, in der die Strömung zurückläuft’, ags. ebba m. ‘Ebbe’, as. ebbia f., mndd. ebbe, woher nhd. Ebbe entlehnt, als ‘Abfluten’).
Ai. ápāka- ‘abseits liegend, entfernt, von vorn kommend’, arm. haka- als 1. Kompositionsglied ‘entgegen’, hakem ‘piegare ad una parte, inclinare’, aksl. opaky ‘wiederum’, ksl. opako, opaky, opače ‘zurück, verkehrt’, in welchen freilich z. T. auch zu *opi, gr. ὄπιθεν gehörige Formen stecken können (vgl. lat. opācus ‘schattig’ = ‘von der Sonne abgewendet’; Liter. zur Bildung bei Brugmann Grdr. II2 1, 482). Daneben anord. ǫfugr ‘nach rückwärts gekehrt’, as. aƀuh, avuh, ahd. abuh, abah ‘abgekehrt, verkehrt, böse’ (nhd. äbig, äbicht), ags. *afoc in engl. awkward, aus *apu-ko-s (oder aus *opu-ko-s : ὄπιθεν, so daß im Ablaut zu got. ibuks ‘rückwärts gehend’, ahd. ippihhōn ‘zurückrollen’? Johansson PBrB. 15, 230, im Konsonanten auf πυ-γή verweisend, s. auch Falk-Torp u. avet).

pō̆:
av. pa-zdayeiti ‘läßt wegrücken, scheucht’; lat. po-situs, pōnō aus *po-s[i]nō, po-liō, po-lūbrum, pōrcet aus *po-arcet; alb. pa m. Akk. ‘ohne’, pa- ‘un-’ (Gl. Meyer Alb. Wb. 317); afries. fån ‘von’, as. fana, fan, ahd. fona, fon m. Dat. (= *Abl.) ‘von’ (das ahd. -o- ist nach Persson IF. 2, 215 aus idg. *pu neben *po herzuleiten). Eine ähnliche Form sucht Trautmann Apr. 389 in apr. pan-s-dau ‘danach’. Gänzlich unsicher ist, ob arm. ołork ‘poliert, schlüpfrig, glatt’ nach Lidén Arm. St. 60 ff. o- aus *po- enthält. Dagegen hierher trotz vielfach abweichender Bed. (Brugmann Grdr. II2 2, 808 erwägt Aufsaugung von idg. *upo, und für sl. po in der Bed. ‘hinter, nach’ m. Lok. wohl richtig Entstehung aus *pos): aksl. po ‘nach, an, bei, über etwas hin’ (lit. mit Gen. u. Dat. ‘nach’, mit Instr. ‘unter’), als wesentlich nur mehr perfektivierendes Verbalpräfix lit. pa-, aksl. po- (als Nominalpräfix aksl. pa-, lit. pa und pó-, vgl. z. B. aksl. pamьněti ‘sich erinnern’, pamętь ‘Andenken’); apr. pa- wesentlich in nominaler, pō- in verbaler Kompos., vgl. Trautmann 203, Meillet Slave comm.2 505.
Über slav. po-dъ ‘unterhalb, unter’ s. Brugmann Grdr. II2 2, 733 f. - S. noch idg. *po-ti und *po-s.

ap-u steht neben *apo (Lit. s. u. *pu) in ark. kypr. lesb. thess. ἀπύ, in ahd. abo = aba, anord. au-virđi n. ‘verächtliche Person’ (Falk-Torp 11 f.), vgl. auch oben *apu-ro- neben *apero-, *apu-ko-, und *pu neben *po. Das -u vielleicht enklit. Partikel ‘und, auch’ (Feist Зa, 508a, WH. I 87). Vgl. auch Schwyzer Gr. Gr. I 182.

pu (s. о. *apu) meist in der Bed. (‘abgewendet’ =) ‘hinter, zurück’:
ahd. fona (s. o.), ai. punar ‘wieder zurück’, gr. πύματος ‘der letzte’; ganz unsicher lat. puppis ‘Hinterteil des Schiffes’.

WP. I 47 ff., WH. I If., 842, Feist За, Trautmann 11.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal