Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bacon - (soort spek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bacon zn. ‘soort spek’
Nnl. bacon ‘spek’ [1932; Koenen].
Ontleend aan Engels bacon, ouder bakoun [ca. 1330; BDE] < Oudfrans bacon, bacoun of middeleeuws Latijn baconem (accusatief van bac(c)o) ‘spek’ < Oudfrankisch *bako ‘ham’ < pgm. *baka(n)- ‘achterkant, rug’, zie → bak 3 ‘varken’.
In België komt dialectisch de pseudo-Franse uitspraak /bakong/ voor, wat opmerkelijk is, want in Frankrijk kent men dit woord uitsluitend met de Engelse uitspraak.

EWN: bacon zn. 'soort spek' (1932)
ANTEDATERING: Gerookt SPEK of BACON [1872; Suriname (KB) 26/3]
Later: de productie van spek (bacon) [1899: LC 2/11]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bacon [spek] {1926-1950} < engels bacon < oudfrans baco(u)n, middeleeuws latijn baco [gerookt spek], een germ. woord, vgl. oudhoogduits bahho [ham], middelnederlands bake [zij spek], bakenspec [varkensspek] (vgl. bak2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

baken zn.: zij spek. Vgl. Wvl. zwijnebake (De Bo). Vmnl. bake ‘varken’, Mnl. bake ‘zijde varkensvlees, zij spek’, Vnnl. baeck oft ghesleghen vleesch van eenen rende ‘le corps ou chair d’un beuf ou autre beste bonne à manger’, baeckvleesch oft spec ‘chair de porc, de porceau ou lard’ (Lambrecht), baecke ‘varken’, baecke, baeckenvleesch, baeckvleesch, baeckespeck ‘varkensvlees, spek’ (Kiliaan). Van Mnl. bac ‘rug’, Os., On. bak ‘rug’, Ohd. bahho ‘ham’, Oe. bæc ‘rug’, E. back. Vgl. E. bacon ‘spek’ < Ofr. bacon < Mlat. baco ‘gerookt spek’ < Germ.

bikon, bekon zn.: varken van 70 tot 80 kilo. E. bacon ‘varkensvlees’ < Ofr. bacon < Onl. bako ‘ham’ > Mnl. bake ‘varkensvlees, varken’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

baken (ZV), zn.: zij spek. Vgl. Wvl. zwijnebake (DB). Vmnl. bake 'varken', Mnl. bake 'zijde varkensvlees, zij spek', Vnnl. baeck oft ghesleghen vleesch van eenen rende 'le corps ou chair d'un beuf ou autre beste bonne à manger', baeckvleesch oft spec 'chair de porc, de porceau ou lard' (Lambrecht), baecke 'varken', baecke, baeckenvleesch, baeckvleesch, baeckespeck 'varkensvlees, spek' (Kiliaan). Van Mnl. bac 'rug', Os., On. bak 'rug', Ohd. bahho 'ham', Oe. bæc 'rug', E. back. Vgl. E. bacon 'spek' < Ofr. bacon < Mlat. baco 'gerookt spek' < Germ.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bacon (Engels bacon)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bacon spek 1949 [WNT asfalt] <Engels

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal