Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

banaan - (vrucht van cultuurvormen van het geslacht Musa)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

banaan zn. ‘vrucht van cultuurvormen van het geslacht Musa
Vnnl. banana [1596; Toll.], bonanas (mv.), bonanos (mv.), bonnanas (mv.) [1601; WNT], bananes (mv.), banannes (mv.) [1622; WNT], bananesses (mv. bij een als enkelvoudig opgevat Portugees meervoud bananas) [1646; WNT]; nnl. bananen (mv.) [1774; WNT], banane (ev.) “paradijs- of adamsvijg” [1824; Weiland].
Ontleend aan Portugees banano ‘bananenboom’, banana ‘bananenvrucht’ < banam, een woord uit het Sousso in Guinea, een Niger-Congo-taal. Men neemt algemeen aan dat de klankovereenkomst met Arabisch banān, banana ‘vingers, vinger’ toevallig is. Een West-Indische oorsprong als bij → ananas is eveneens onwaarschijnlijk. Portugese schrijvers uit de 16e eeuw vermelden bananas als de Congolese of Guinese naam voor de vruchten, die eerder onder andere benamingen bekend waren (bijv. Frans pommes de paradis; zie ook bovengenoemde vindplaats uit 1824).
In het Surinaams-Nederlands wordt onderscheid gemaakt tussen banaan ‘kook-, bakbanaan (niet rauw te eten)’ en bakove ‘banaan’ (mv. bakoven, uit ouder bacove [1685; Donselaar]); zie ook → pisang.
bananenrepubliek zn. ‘staat met onstabiel politiek systeem’ [1979; Verschueren]. Leenvertaling van Engels banana republic, zo genoemd wegens de berucht instabiele politieke systemen in de Latijns-Amerikaanse bananenproducerende republieken.
Lit.: J. Daeleman (1980) ‘Les étymologies africaines du FEW’, in: Vox Romanica 39, 104-119; Philippa 1991

EWN: ♦ bananenrepubliek zn. 'staat met onstabiel politiek systeem' (1979)
ANTEDATERING: bananen-republiek [1923; Vaderland 11/10]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

banaan [plant, vrucht] {banana 1596} < portugees banana, door de Portugezen overgenomen uit de taal van de Soussou in de huidige Republiek Guinea. Het is denkbaar dat de oorsprong ligt in arabisch banān [vingertoppen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

banaan znw. v. < port. banana, sedert het eind der 16de eeuw uit het kongolese banam. — > russ. banán (R. v.d. Meulen, Verh. AW, NR 66, 2, 1959, 15).

banaan [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: het woord komt uit de taal van Guinea, zoals blijkt uit de oudste bewijsplaats voor bananas in de Orta, Colloquios dos Simples e drogas e Cousas medicinaes da India [Goa, 1563]; banam komt in geen enkel kiKongo dialect voor. Zie E. Polomé, RBPhH 44, 108 [1966].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

banaan znw. Gaat met hd. banane v., eng. banana enz. via port. banana op een afrikaansch grondwoord terug.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

banaan. Het portugese woord is wsch. uit het Kongogebied afkomstig. Vgl. Loewe KZ. 61, 112 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

banaan v., in alle Eur. talen over Sp.-Port. banana, uit Congo (16e eeuw).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

banana s.nw.
Piesang.
Uit Ndl. banaan (1601) of direk uit Port. banana (16de eeu) of uit Sp. banana (16de eeu).
D. Banane (16de eeu), Eng. banana (1563), Fr. banane.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

banaan’ (de, bananen), 1. naam voor een aantal gekweekte vormen uit verschillende wilde soorten van Musa (Bakovefamilie*) met vruchten als 2; AN bananeboom. De bananen behoren tot het genus Musa (); sappige kruiden met een boomachtige groeiwijze () (Enc.Sur. 40). - 2. de sterk meelhoudende vrucht van deze plant die voor consumptie gekookt, geroosterd of gebakken moet worden: kookbanaan, bakbanaan. Geschilde en gekookte bananen (J&L 1920a: 16). - Etym.: Uit de taal van Guinea (Afr.), ‘bananas’, via Port. ‘banana’ (J. de Vries 1971). Oudste vindpl. voor Sur. plak. van 1685 (S&dS 155): banantes. S bana. Zie verder onder bakove*. - Syn. van 1 bananeboom (SN). Zie ook: vijg*, bosbanaan*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

banana: Musa sapientum, fam. Musaceae; Ndl. banaan (sedert 16e eeu banana(s)/banane(s), wat ook sonder slot-s as mv. opgevat is – vandaar banaan as ekv., vgl. raaf), soos Eng. banana, Fr. en Hd. banane, It. banano, uit Port. en/of Sp. banana, in 16e eeu wsk. uit Guinee of Kongo in Europa ingevoer waarheen Arabiere dit misk. gebring het, hou verb. m. Arab. banan, wat vlgs. sommige “vinger” bet. (vgl. Eng. lady’s-finger vir ’n soort) en vlgs. ander “smaaklik” – Oosterse naam is piesang (q.v.).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

banaan2 [bepaalde vrucht]. In Indië zéér zelden gebruikt,11 door de Engelsen — behalve in de Straits — nooit, is door de Portugezen uit Afrika naar Amerika overgebracht en naar Oost-Indië. De naam schijnt oorspronkelijk Afrikaans te zijn (Veth). In Hobson-Jobson wordt als de mening van prof. Robertson Smith aangehaald, dat het wel geen louter toeval zal zijn dat banaan samenvalt met het Arabisch banana: vinger, teen, meervoud banan: vingers, tenen. Reeds vóór de Kruistochten werd de vrucht gekweekt in Palestina onder de naam van mauz (waarvan in de taal van de wetenschap Musa).12 Onder die naam komt ze voor in de literatuur, maar daardoor is de mogelijkheid nog niet uitgesloten dat men in de volkstaal hier of daar banan ‘vingers’ zei in plaats van mauz en dat de vrucht onder die naam door de Arabieren naar West-Afrika is overgebracht. [P]

banaan1 [bepaalde vrucht]. Deze plant is aan Oost- en West-Indië of, om juister te spreken, aan de tropische gewesten van Azië, Afrika en Amerika gemeen. Men heeft zelfs vroeger aangenomen dat zij, evenals de maïs en enige andere planten, in beide halfronden oorspronkelijk was, doch zulke voorstellingen worden door de tegenwoordige wetenschap gewraakt. Wat de banaan betreft gelooft men thans algemeen dat zij in de Oude Wereld thuishoort en vermoedt men dat zij in de allereerste tijd van de ontdekkingsreizen van Portugezen en Spanjaarden door hen naar de Nieuwe Wereld is overgebracht. En hiervoor pleit ook de zestiende-eeuwse getuigenis van Fernández Oviedus, Historia general y natural de las Indias, 1.8, c. 1, dat de platano door de Spanjaarden en Portugezen uit Groot-Kanarië het eerst naar de Nieuwe Wereld gebracht is en zich daar later vermenigvuldigd heeft.

Deze plant, die bij verschillende volken een belangrijke plaats onder de voedingsstoffen inneemt, heeft ook een aantal zeer uiteenlopende namen. In het Arabisch heet zij mauz, waarvan de botanische geslachtsnaam Musa afkomstig is. In de Indische Archipel heeft zij bijna zoveel namen als er talen gesproken worden; ik noem slechts als voorbeelden pisang in het Maleis en hoog-Javaans, gĕdang in het laag-Javaans, tjaoe in het Soendaas, oenti in het Makassaars. Zonderling is de Spaanse naam platano of plantano, want het eerste is in het Spaans ook de naam van de plataanboom, die niet in het minst op de banaanplant gelijkt, en plantano schijnt eerder een verbastering van platano, door de in de volksmond zo vaak voorkomende inlassing van de liquida (zie bij amfioen en pampoesjes)10 dan omgekeerd. Intussen is van platano de gewone Engelse naam platain gevormd. De meest verbreide naam van deze plant is echter banaan, naar het schijnt door de Portugezen in de vorm banána tegelijk met de plant uit Afrika naar Brazilië overgebracht, zodat Dapper, Beschryving van geheel Sina, p. 221, terecht kon schrijven dat bananas de naam van deze vrucht is bij de Brazilianen. Evenwel worden door Piso, De Indiae utriusque re naturali, p. 154, geheel andere namen als voor de pisangs in Brazilië gebruikelijk opgegeven, namelijk pacobuçu en pacobeté. Pacobuçu is de naam van de soort die de botanici Musa sapientum noemen, en pacobeté de naam van de Musa paradisiaca, die in Suriname bakkove (elders baccovo, pacoba) wordt genoemd. Men beschouwt in die gewesten de M. sapientum soms als de echte typische banaan en stelt ze als zodanig tegenover de M. paradisiaca, die kleiner en overvloediger vruchten draagt. Echter worden, als men algemeen spreekt, de bakkoves onder de naam van banaan begrepen. Zegt men dus, zoals men zo dikwijls leest, dat in West-Indië de banaan naast de bakkeljauw het hoofdvoedsel van de negerslaven placht te wezen, dan is daarmee niet beslist of men Musa sapientum of Musa paradisiaca bedoelt; het was zelfs doorgaans de bakkove, die aan de negers verstrekt werd.

Ik merkte al op dat de naam banaan door de Portugezen uit Afrika naar Amerika werd overgebracht. Inderdaad schijnt banaan oorspronkelijk Afrikaans te zijn. Volgens Rumphius is banaan een naam die in Guinea thuishoort; Th. Tromp in zijn Herinneringen uit Zuid-Afrika, p. 50, zegt mede dat men in Afrika de pisangs bananen noemt. Overigens hebben de Fransen en Duitsers algemeen de naam banaan aangenomen, en zelfs onder de Nederlanders, die in vroeger tijd met de minder afgelegen en meer door Europeanen gekoloniseerde West-Indische bezittingen, veel meer dan met de door het monopolie van de Compagnie voor de ondernemingsgeest van de particulieren gesloten gewesten van Insulinde bekend waren, was de naam banaan veel meer dan die van pisang bekend. In de laatste jaren, nu men Insulinde zoveel meer heeft leren kennen en waarderen en zovele families na veeljarig verblijf in Indië zich weer metterwoon in het moederland vestigen, wordt in de dagelijkse omgang het woord banaan meer en meer door pisang verdrongen, en is zelfs de ware pisang een spreekwoordelijke uitdrukking geworden. Sommigen willen de pisang van de banaan onderscheiden. Daar in een zo wijdverspreide cultuurplant natuurlijk een verbazend aantal verscheidenheden ontstaan zijn, kan men met het verschil van namen ook lichtelijk het denkbeeld van enig soortverschil verbinden, maar bepaalde soorten, waaraan men de naam van pisang ter onderscheiding van die van banaan zou kunnen toekennen, zijn niet aan te wijzen. Alle gekweekte variëteiten in Indië schijnen tot dezelfde beide soorten als de Amerikaanse: Musa sapientum en Musa paradisiaca, gebracht te moeten worden. Zelfs in Afrika worden pisang en banaan hier en daar door elkaar gebruikt. Zo leest men bijvoorbeeld in Mansvelts Kaapsch-Hollandsch idioticon, op het woord Pisang: ‘algemeene Kaapsche naam voor de verschillende banaansoorten’, terwijl De Marrée in zijn De Goudkust, II, p. 199, zelfs van pisangbomen als een product van die kust gewaagt.

Naar aanleiding van dit woord pisangboom merk ik hier ten slotte nog op dat het niet zeer juist is de pisangplant een boom te noemen. De stam is geheel kruidachtig en wordt slechts door de vast om elkaar gerolde bladscheden gevormd. [V]

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

banaan: (racistisch) kleurling, meestal een Surinamer of Antilliaan. Ook wel: bananenhopper (bananenvreter of bananenneuker). Reeds vermeld door Jansen (1984).

Het wordt steeds grover, beamen de anderen. Bij NAC heeft een tegenstander ‘een kop om op te schieten’, bij Feyenoord hanteert men het woord ‘kutkanker’ als adjectief voor ongewenste elementen – kutkanker, Turken, ‘kutkanker joden’ – en op vrijwel alle tribunes heet een kleurling een pleurisnikker, een baviaan, een klere-aap, een kankerneger, een banaan, een vuile koffieboon, een kankeraap. Als Ajax op bezoek komt, gaan de fans van de tegenpartij zingend op ‘jodenjacht’, of bootsen ze met sissende geluiden ontsnappend gas na. (HP/De Tijd, 23/08/1991)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

banaan (Portugees banana)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

banaan. In een interview met de moeder van voetballer Patrick Kluivert wordt de verwensing ga bananen plukken met je moeder! gebruikt. De emotionele betekenis laat zich licht raden: ‘hoepel op’ enz. Minachting drukt zij vooral uit. → gaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

banaan ‘plant, vrucht’ -> Pools banan ‘plant, vrucht’ ; Russisch banán ‘plant, vrucht’ (uit Nederlands of Frans); Oekraïens banán ‘plant, vrucht’ ; Negerhollands banana ‘bakbanaan, kookbanaan, grovere soort banaan’; Berbice-Nederlands banana ‘plant, vrucht’; Skepi-Nederlands banan ‘plant, vrucht’; Sranantongo bana ‘bakbanaan, kookbanaan’; Aucaans baana ‘plant, vrucht’; Sarnami báná ‘bakbanaan’; Surinaams-Javaans banah ‘bakbanaan, kookbanaan’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) banana fig ‘plant, vrucht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

banaan plant, vrucht 1596 [WNT] <Portugees

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut