Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beiaard - (klokkenspel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

beiaard zn. ‘klokkenspel’
Mnl. in de beroepsnaam Lievin Beyardere ‘beiaardier’ [1353; Debrabandere 1993], beyaert ‘klok’ in obscene zin in den beyaert slaen ‘het lid laten bewegen’ [1380-1425; MNW-R]; vnnl. al de airkens op den beyaerd te slaene van hueren en half hueren op de appeelen ‘alle liedjes die op de beiaard gespeeld moeten worden op de halve en hele uren op de kleine klokjes’ [1553; WNT Supp. appeel II].
De herkomst is onduidelijk. Het woord kan zijn afgeleid van het werkwoord → beieren, met verkorting door haplologie van de te verwachten vorm *beieraard voor ‘hij die beiert’. Mogelijk ook is beiaard een afleiding van een werkwoord beien ‘slaan’; van ditzelfde werkwoord is beieren mogelijk een frequentatief.
Lit.: D. Fagot (1958) ‘Beiaard’, in: Album Edgar Blancquaert, Tongeren, 373-379

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beiaard [klokkenspel] {beyaert 1401-1425} van beieren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beieren ww., mnl. beieren, beiaerden ‘de klok luiden’, vgl. mnl., oud- en dial. nl. beiaert ‘klok, klokkenspel’, eveneens laat-mnd. beiern ‘met de klepel tegen een klok slaan’.

De verklaring is onzeker. Het woord op te vatten als klanknabootsend (FW 45 met de toevoeging wsch.) is onbevredigend. Geheel onaannemelijk is de afleiding uit bei(de) in de zin van ‘een klok op eigenaardige wijze (met twee tonen?) luiden’ (Vercoullie Med. Vl. AW 1920, 791-2), ofschoon hij wijzen kan op fra. carillon < mlat. quatrinionem en trignon < trinionem. — D. Fagot, Album Blancquaert 1958, 373-9 wil uitgaan van een limb. ww. beien ‘met een hard voorwerp hard slaan’, waarvan iteratief beieren (vgl. ouder-nl. beiren ‘razen, tieren, schreeuwen’), maar de semantische verklaring is niet overtuigend. — Ten slotte zou men van de naam van de klok beiaert kunnen uitgaan, die men wil afleiden van fra. bayart ‘de roodbruine’ (vgl. J. H. Kern, ZfdWf 14, 1912-3, 216-7.

beieren ww., mnl. beieren, beiaerden ‘de klok luiden’, vgl. mnl., oud- en dial. nl. beiaert ‘klok, klokkenspel’, eveneens laat-mnd. beiern ‘met de klepel tegen een klok slaan’.

De verklaring is onzeker. Het woord op te vatten als klanknabootsend (FW 45 met de toevoeging wsch.) is onbevredigend. Geheel onaannemelijk is de afleiding uit bei(de) in de zin van ‘een klok op eigenaardige wijze (met twee tonen?) luiden’ (Vercoullie Med. Vl. AW 1920, 791-2), ofschoon hij wijzen kan op fra. carillon < mlat. quatrinionem en trignon < trinionem. — D. Fagot, Album Blancquaert 1958, 373-9 wil uitgaan van een limb. ww. beien ‘met een hard voorwerp hard slaan’, waarvan iteratief beieren (vgl. ouder-nl. beiren ‘razen, tieren, schreeuwen’), maar de semantische verklaring is niet overtuigend. — Ten slotte zou men van de naam van de klok beiaert kunnen uitgaan, die men wil afleiden van fra. bayart ‘de roodbruine’ (vgl. J. H. Kern, ZfdWf 14, 1912-3, 216-7.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beieren o.w., + Ndd. id.: wellicht van beide, d.i. met strengen aan beide handen luiden (z. Versl. VI. Acad., 1913, 688), gelijk Fr. carillonner van quadrilio, met strengen aan beide handen en beide voeten luiden. Van hier beiaard.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut