Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bet- - (van een oudere generatie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bet- voorv. dat een oudere generatie aanduidt in combinatie met familierelatie-woorden
Nnl. bet-overgrootvader [1717; Marin]. Zeldzaam ook (meer)betoudovergrootmoeder [1631; WNT], oudoudbetovergrootvader [1808; WNT], bet-oud-overgrootvader [1836-37; WNT], bet-na-achterkleindochter [1839; WNT].
Oorspr. het bijwoord bet ‘beter’, dat als simplex al veel ouder is: mnl. bat [1200; CG II, Servas], bet [1265-70; CG II, Lut.K]. In de 17e eeuw was dit bet nog in gebruik, maar volgens Halma [1710] is het “een slegt woord”. Het komt nu alleen nog voor in de combinatie betovergroot- en in de samenstelling → betweter. Daarnaast staat → beter, dat oorspr. alleen als bn. diende.
Met het simplex bet, bat zijn verwant: os. bat, bet; ohd. baz ‘beter, meer’; ofri. bet; oe. bet; on. betr; < pgm. *batiz- (door i-umlaut). Aangenomen wordt dat op sommige plaatsen de -i- als umlautsfactor al was gereduceerd vóór de umlautperiode, zodat uit *batiz ook bat kon ontstaan. De wortel pgm. *batiz- (bw.) is de vergrotende trap van pgm. *bat- ‘goed’ (zie → baten).
Naast bet- werd ook oud- gebruikt: oudovergrotevaders [1631; WNT] of overovergrootvader, overoutgrootmoeder [1710; WNT], overoudvoorouders [1810; WNT]. De vormen met oud- zijn verdwenen, hoewel betovergrootvader aan het eind van de 18e eeuw als een “laag woord” werd gezien (Halma 1781). Het Fries heeft met het voorvoegsel betoer- ‘betover(groot)-’ onder meer betoerbeppe ‘betovergrootmoeder’ en betoer(e)moarn ‘de dag na overmorgen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bet-* [voorvoegsel dat een verdere verwantschapsgraad aanduidt] {in bv. betovergrootvader 1860} is middelnederlands bet, bat [meer dan] {1285} gelijk aan beter waarvan het de elementen van de tweede lettergreep had verloren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

betovergrootvader, voor bet- zie beter.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bet bijw., Mnl. bet, bat, Os. id. + Ohd. baʒ (Mhd. id., Nhd. basz), Ags. bet (Eng. bet), On. betr, Go. batis: van denz. wortel als baat en boet. Het -ir-suffix in de comparat. der adverbia verloor in ’t Westg. eerst de slot -r en dan ook de i, zoodat in sommige bijw. de compar. niet verschilt van den positief van ’t adj. (z. langs). Bet voor bat is analogie van beter (z. best en beter). In betovergrootvader = meer dan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut