Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bier - (drank uit gerst en hop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bier zn. ‘drank uit gerst en hop’
Mnl. sonder biers ‘zonder bier’ [1236; CG I, 27].
Os. bior (nnd. beer); ohd. bior (nhd. Bier); ofri. biār (nfri. bier); on. bjórr (oe. bēor, ne. beer); < pgm. *beura of *beuza.
De verdere etymologie is onbekend. Er zijn verscheidene theorieën: pgm. *beura of *beuza zou aansluiten bij pie. *b(e)u-, *bh(e)u- ‘opblazen, zwellen’; het woord zou dan oorspr. ‘wat schuimt, blaasjes vormt’ betekenen (IEW 101); deze wortel is echter slecht geattesteerd (zie ook → boon). Of de pgm. vorm zou in verband staan met os. beo, bewod ‘oogst’; oe. beow ‘gerst’; on. bygg ‘gerst’; < pgm. *bewwu, mogelijk < pie. *bheu-, bheuH- (oorspr.) ‘groeien, zwellen’ (IEW 149). Holthausen oppert dat bēor, bior < *breor afgeleid zouden zijn van oe. bréowan ‘brouwen’, zie → brouwen 1, met uitval van de eerste -r- onder invloed van de tweede. Niet wrsch. is de stelling dat het woord bior in kloosters in Noord-Gallië [6e-7e eeuw] opgekomen zou zijn, ontleend aan vulgair Latijn *biber ‘dronk’, omdat men in de kloosters voor ‘bier’ het middeleeuws-Latijnse woord cerevisia gebruikte.
In tegenstelling tot de Kelten, die algemeen bekend waren met bier (in Gallië was het in de 1e eeuw na Chr. de volksdrank), kenden de Germanen in Caesars tijd alleen de mede, een door gisting uit gekruide honing bereide drank. Niet lang daarna zullen de Germanen het biergebruik van de Kelten overgenomen hebben, want Tacitus vermeldt dat bier onder de Germanen de algemene drank was. In Scandinavië was een ander soort (ongehopt) bier in gebruik, zie → aal 2. Engeland kende en kent beide biersoorten, beer en ale.
bierkaai zn. in de uitdrukking vechten tegen de bierkaai ‘een hopeloos gevecht leveren’ [1858; EDale]. Het woord komt al in 1648 voor: bierkaey ‘kade waar aangevoerd bier wordt opgeslagen’ (WNT). De uitdrukking ontstond in de eerste helft van de 19e eeuw en heeft betrekking op de bewoners van de Bierkaai ten zuiden van de Oude Kerk in Amsterdam, die als beruchte vechtersbazen bekendstonden.
Lit.: F. Holthausen (1952) Indogermanische Forschungen, Berlin, 280; Hoops s.v. Bier; Reinsma 1998; Philippa 1999

EWN: bier zn. 'drank uit gerst en hop' (1236)
ANTEDATERING: onl. er ne dranc bier noh win 'hij dronk bier noch wijn' [1151-1200; ONW]
EWN: ♦ bierkaai zn. in de uitdrukking vechten tegen de bierkaai 'een hopeloos gevecht leveren' (1858)
ANTEDATERING: maar vecht eens tegen de bierkaai [1845; Leeskabinet 2, 118]
Eerder al: de nieuwe gemaeckte Bierkay [1609; iWNT klinker I] (EWN: 1648)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bier* [alcoholhoudende drank] {1201-1250} middelnederduits bēr, oudsaksisch, oudhoogduits bior, oudfries biar, oudengels beor; etymologie onzeker, mogelijk < middeleeuws latijn bera, uit het germ.: oudengels bære, bere (engels barley, van bere + -lic), oudnoors barr [gerst], gotisch barizeins [van gerst]; buiten het germ. latijn far [spelt] (farina [meel]), bretons bara [brood], wellicht echter te verbinden met laat-latijn biber [drank] < latijn bibere [drinken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bier znw. o., mnl. bier, os. ohd. bior (nhd. bier), ofri. biār, oe. bēor, on. bjōrr (dat echter meestal als ontlening uit het oe. beschouwd wordt, Kluge, PBB 35. 1909. 570).

De verklaring van dit woord, dat uit het germ. ook naar de rom. talen ontleend werd (fra. bière, ital., sp. birra) is niet zeker. De grondvorm kan zowel *beura als *beuza geweest zijn en men brengt die dan in verband met de wt. *bewwu ‘gerst’ vgl. oe. beow, on. bygg ‘gerst’ os. beo ‘gerst’ (uit *bhewes?). Bij de verklaring is er op te letten, dat het bier eerst later als gegiste drank is opgekomen, daar vroeger deze drank de mede was. Dat zou een overname uit de kloosters niet onmogelijk maken; men heeft zelfs gedacht aan een kloosterwoord als biber ‘dronk’ en aangenomen, dat met dit woord de nu eerst bekend geworden, door middel van hop toebereide drank aangeduid zou zijn. Dit is echter door archaeologische vondsten weerlegd; in een huis te Østerbølle (Himmerland, Jutland) vond men behalve ontkiemde gerst een hoeveelheid hop en daar de vondst uit de 1ste tot de 4de eeuw na Chr. gedateerd kon worden, is daarmee bewezen, dat reeds lang voor invloed van monniken mogelijk was, de Germanen het gehopte bier gekend hebben. — De hypothese dat het woord bier door dissimilatie uit *breura zou zijn ontstaan en dan tot het ww. brouwen zou behoren, is te verwerpen, evenals ook die, welke aan samenhang met de woorden nl. biest, ohd. biost ‘eerste melk der moederkoe’ denkt (zie aldaar).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bier o., Mnl. bier Os. bior + Ohd. bior (Mhd. en Nhd. bier), Ags. béor (waaruit On. bjórr) (Eng. beer), Ofri. biár: voor sommigen, door dissimil., uit *brier, afgel. van brouwen, Mnl. bruwen; voor anderen afgel. van Os. beo, Ags. beow, On. bygg = gerst. Bier was hoppebier (z. aal 3). Uit Germ. Fr. bière, It. birra.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

beer (zn.) bier; Vreugmiddelnederlands bier <1260-1280>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bier (de, -), biertje, glas of flesje bier. In het dorp van het groot-opperhoofd* aangekomen, ging hij eerst naar de winkel* om een bier te drinken met de winkelier, een vriend (Dobru 1980: 63). Ik ging de ijskast in, een halve liter bier staarde mij aan (Rappa 1981: 44).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bier (dat is geen klein --) (vert. van Frans ce n’est pas de la petite bière)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bier. In de 17de eeuw komt de werkwoordelijke uitdrukking zweren bij gans bier en brood voor. Ik reken bij gans bier en brood tot de verbasterde lijdensvloeken. Hier wordt ongetwijfeld gezinspeeld op brood en wijn van het Laatste Avondmaal, waarbij in de vloek de wijn vervangen is door een ‘inlandse’ drank. Ook de bastaardvloek bij gans bieren komt voor. Zweren bij gans bier en brood was oorspronkelijk een eedformule die tot uitroep van verontwaardiging, ongeloof en dergelijke werd. → bodenbrood.

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

bier

Dat de naam Heineken momenteel in het buitenland gelijkstaat aan kwalitatief hoogstaand bier, is algemeen bekend. Minder bekend is, dat de Nederlandse invloed op bier en bierbrouwen al dateert van lange tijd her.

Uit berichten van de Romeinen Julius Caesar en Tacitus weten we, dat de Germanen al gegiste dranken als mede en bier dronken, maar zowel de bereidingswijze als de naam die de Germanen die laatste drank gaven, is onbekend. Tacitus vermeldt wel dat hij gebaseerd was op gerst of ander graan. De Germaanse talen zijn pas vanaf de achtste eeuw opgeschreven. Toen noemde men de drank in de Westgermaanse talen Nederlands, Duits en Engels bier of een variant daarvan; de Noordgermaanse talen gebruikten een woord dat verwant is met het Engelse ale. Er zijn een aantal hypothesen over de herkomst van het woord bier. Sommigen veronderstellen verwantschap met brouwen, anderen met een gereconstrueerd Germaans woord bewwu- ‘gerst’, en weer anderen gaan uit van ontlening aan laat-Latijn biber ‘drank’. Voor deze laatste suggestie pleit dat het brouwen van bier aanvankelijk (in de zesde, zevende eeuw) alleen plaatsvond in kloosters, waar de voertaal het Latijn was.

In de Middeleeuwen ontwikkelde bier zich tot de volksdrank bij uitstek, wat niet eens in de eerste plaats met het opwekkende effect van de alcohol te maken had. Er waren gewoon weinig alternatieven: water was vaak verontreinigd of brak, melk werd weinig gedronken, wijn was een dure luxedrank, sterke dranken als brandewijn en jenever werden pas aan het eind van de Middeleeuwen bekend, en toen alleen sporadisch voor medische doeleinden gebruikt, en koffie en thee ten slotte leerde men pas in de zeventiende eeuw kennen. Het is dan ook geen wonder dat het bierverbruik tussen 1330 en 1650 zeer hoog was — zelfs kinderen dronken bier, zij het een lichte soort.

Over de bereiding van bier in het verleden kunnen we onder andere te rade gaan bij Het bier en zijn brouwers. De geschiedenis van onze oudste volksdrank van Hallema en Emmens uit 1968 en Bier! Geschiedenis van een volksdrank van Kistemaker en Van Vilsteren uit 1994. Het procédé komt erop neer dat zetmeel wordt omgezet in suiker, die vervolgens door gisting wordt omgezet in alcohol. De omzetting van zetmeel in suiker bereikte men door gekiemd en gemalen graan (mout) te verwarmen en vervolgens te koken met gruit (een kruidenmengsel met als hoofdbestanddeel gagel); hierna liet men het brouwsel gisten, waardoor de suikers in alcohol werden omgezet. In de veertiende eeuw verving men de gruit door hop, de onbevruchte bloem van de vrouwelijke hopplant, die het bier een bittere smaak gaf en het langer houdbaar maakte. Het hopbier leerden we uit Duitsland kennen: vanaf ongeveer 1300 werd vanuit de Noord-Duitse hanzesteden en vooral Hamburg hopbier geïmporteerd naar de Nederlanden. In de veertiende en vijftiende eeuw waren Amsterdam en Brugge belangrijke doorvoerhavens voor Duits bier. In deze periode richtte men in de meeste Nederlandse en Belgische steden bierbrouwerijen op — voordien werd bier vooral door huisvrouwen gemaakt voor gebruik in familieverband. Voor de brouwerijen werd vooral in Vlaanderen op grote schaal hop geplant. Door de toename van de bier- en hopproductie werd zowel bier als hop een belangrijk exportproduct. En met de producten werden ook Nederlandse woorden die betrekking hadden op bier en het brouwen ervan, geëxporteerd.

Al in de middeleeuwen was Frankrijk een belangrijke handelspartner. De Fransen importeerden op grote schaal hop, vooral vanuit de Vlaamse hopplantages, die tot ver over de grenzen beroemd waren. Daarbij namen ze ook het woord hop over, aanvankelijk (1391) in Noord-Frankrijk en Wallonië als hoppe, ook houp(pe) ‘hop, hopbier’; in 1402 is houppenbier gevonden. Houblon, het moderne Franse woord voor ‘hop’, is via het in 1413 gevonden houpillon afgeleid van houppe. Ook het Bretons, een in Frankrijk gesproken Keltische taal, heeft houpez ‘hop’ uit het Nederlands geleend.

Iets later dan hop namen de Fransen bier over: bière is gevonden vanaf 1429. Hiermee werd hopbier aangeduid, in tegenstelling tot het oudere cervoise, dat gebruikt werd voor hoploos bier. Het is overigens niet met zekerheid uit te maken of bière uit het Nederlands of uit het Duits geleend is, maar twee redenen pleiten voor het Nederlands: de bekendheid van de Nederlandse brouwerijen, vooral die in Delft en Gouda, en het feit dat de naam van het basisingrediënt hop zeker uit het Nederlands en niet uit het Duits is geleend — in het Duits heet de plant Hopfen met -pf-.

Een belangrijk stadium van de bierbereiding is het gisten ofwel gijlen. Dit vindt plaats in een gistkuip. Door het gisten onstaat gijl, een dikke, vette schuimlaag. Gijlen is in het Frans overgenomen als guiller, dat in de vijftiende eeuw eenmaal in Lille gevonden is, maar pas vanaf 1722 regelmatig voorkomt.

Behalve deze basiswoordenschat van de bierbereiding heeft het Frans ook diverse biernamen geleend, vooral uit Vlaanderen. Zo vinden we in de Petit Robert of de Larousse de Brusselse namen faro, geuze en lambiek terug als faro (voor het eerst gevonden in 1839), gueuze, gueuse (1866), en lambic (1832). Sinds 1771 kennen de Fransen halbi, ons haalbier. Haalbier is inmiddels uit het Nederlands verdwenen, samen met de gewoonte waaraan het zijn naam dankt: haalbier was namelijk bier dat in een kleine maat in een winkel gehaald werd.

Ook in Franse dialecten komen leenwoorden op het gebied van het bierbrouwen voor, zoals pèkène voor ‘bekken bij bierbrouwen’, van bekken; brouwekin, brouquin voor ‘brouwsel, bier’, van brouwen; giest, gist voor ‘biergist’, van gist; grute voor ‘gruitbelasting, gruitgeld’, van gruit; en twee biernamen: lopète voor het Vlaamse luppensbier en hougard ‘zacht wit bier’ voor een biersoort die genoemd is naar de Brabantse plaats Hoegaarden, waar dit bier voor het eerst werd vervaardigd.

Het Italiaanse birra ‘bier’, voor het eerst in 1521 als bira gevonden, is waarschijnlijk via het Frans uit het Nederlands geleend. De meeste Italiaanse etymologische woordenboeken nemen weliswaar ontlening aan het Duits aan, maar dat lijkt vanwege de uitgang en het vrouwelijke geslacht niet zo waarschijnlijk. In het Frans heeft bière zijn vrouwelijke geslacht te danken aan de andere biernaam, cervoise, en dit geslacht is door het Italiaans overgenomen.

Vreemd genoeg heeft het Spaans het Nederlandse woord bier niet geleend, noch rechtstreeks, noch via het Frans: Spanjaarden noemen hun bier cerveza. Dat mag opmerkelijk heten, want het is de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog niet ontgaan dat de Nederlanders grote bierdrinkers waren. J. Brouwer geeft hiervan in zijn Kronieken van Spaansche soldaten uit het begin van den tachtigjarigen oor­log saillante voorbeelden. Zo lezen we daar: ‘Men behoeft er zich niet over te verbazen dat zij zoo drankzuchtig zijn, want reeds als zuigeling worden zij aan den drank gewend. De moeders geven den kleintjes met wijn of bier gevulde houten kalebassen in den vorm van een vrouwenborst, en de kinderen zuigen daaraan alsof het een tiet was.’

Wel heeft de Nederlandse invloed zich uitgestrekt tot Engeland. In de Middeleeuwen hadden de Lage Landen daar een grote invloed, vooral door de sterke positie van de Vlaamse lakenindustrie. Veel Vlamingen en Nederlanders vestigden zich in Engeland, waar ze nieuwe vormen van nijverheid introduceerden. Een daarvan was de bierbereiding door middel van hop. Het Engelse hop — ‘the wicked Weed call’d Hops’, zoals de Londense schrijver en kroegbaas Edward Ward (1667-1731) het in een van zijn gedichten noemt — is dan ook een leenwoord uit het Nederlands of het Nederduits. Het woord wordt voor het eerst omstreeks 1440 genoemd: ‘Hoppe, sede for beyre’.

Het gewone Engelse woord voor bier was ale, waarmee tot eind zeventiende eeuw hoploos bier bedoeld werd. Daarnaast kende het Oudengels het woord beer, maar dit werd vrijwel uitsluitend in poëzie gebruikt, en dan nog zelden. Pas met de invoer van hopbier uit Nederland werd beer het normale woord, en dat is zeker niet toevallig. Momenteel duiden zowel ale als beer op bieren die met hop zijn bereid, waarbij beer het gewone woord is en ale gebruikt wordt voor de lichtere biersoorten, die vervaardigd zijn van ongebrande of ongeroosterde mout. Het Engelse gyle, dat eenmaal genoemd is in de veertiende eeuw maar vooral voorkomt vanaf de vijftiende eeuw, is ontleend aan gijl. Gyle betekent ‘hoeveelheid bier die tegelijkertijd wordt gebrouwen, gistende mout’ en tevens ‘gijlkuip’. In die laatste betekenis is het een verkorting van gyle-tun, gyle-tub ‘gijlton, gijlkuip’ — twee inmiddels verdwenen woorden die uit het Nederlands geleend waren.

In een latere periode oefende het Nederlands invloed uit op het Amerikaans-Engels. Nederlandse en Duitse immigranten in de Verenigde Staten brachten hun biercultuur mee. Van hen heeft het Amerikaans de samenstellingen beer-cellar ‘bierkelder’ en beer-hall ‘bierhal’ leren kennen — in gebieden waar zich oorspronkelijk Nederlanders vestigden, zijn deze woorden uit het Nederlands geleend, elders uit het Duits.

De Nederlanders namen het bier mee op hun zeereizen naar Azië vanaf ongeveer 1600, voor als er geen vers water voorhanden was, en introduceerden het bier zo bij andere volkeren. Bovendien exporteerden ze bier naar Azië, en brachten er na enige tijd ook hop heen, zodat het mogelijk werd ook ter plaatse bier te brouwen. Zo leerden de Japanners, die als alcoholische dranken van oudsher rijstwijn of sake dronken, eerst van de Portugezen wijn kennen en wat later van de Nederlanders bier en hop, die zij bîru en hoppu noemen. In 1873 startte Japan een eigen bierproductie, en in 1899 werden in Tokio bierhallen opgezet. Deze bierhallen heten bîya-hôru, wat ontleend is aan Engels beer-hall. Het Koreaanse piru ‘bier’ en ppiohool, piohol ‘bierhal’ zijn uit het Japans geleend. Ook de Japanse kurkentrekker gaat terug op het Nederlands, althans gedeeltelijk: kiruku-nuki bestaat uit het Nederlandse kurk met als tweede deel de Japanse vertaling van (uit)trekken.

Ook naar Indonesië, waar Nederlands tot 1945 drie eeuwen lang de ambtelijke voertaal was, en Sri Lanka brachten de Nederlanders hun bier: in het Indonesisch heet bier bir en kurkentrekker koterek. Van 1602 tot 1796 hadden de Nederlanders contacten met Sri Lanka, waar Singalees wordt gesproken. Het Singalees is een Indische taal, verwant met bijvoorbeeld het Hindi. Aanvankelijk heersten de Portugezen over Sri Lanka en dreven de Nederlanders alleen maar handel met het eiland. Maar langzamerhand verdreven de Nederlanders de Portugezen, totdat zij in 1658 het heft geheel van hen overnamen. De Nederlandse heerschappij duurde tot de komst van de Engelsen in 1796. In deze periode werden Nederlandse vestigingen in de buurt van Colombo opgericht. Hoewel Portugees een belangrijke voertaal bleef, werd er op scholen Nederlands onderwezen, en de Nederlanders introduceerden de drukpers in Sri Lanka. Met de verdwijning van de Nederlanders in 1796 verdween ook hun taal. Toch heeft het Nederlands tot op heden sporen nagelaten in het Singalees. Zo gebruiken de Srilankanen bīra voor ‘bier’ en poroppa-ya voor ‘kurk’, van Nederlands prop.

Het wordt langzamerhand tijd taptoe te slaan. Taptoe, het signaal voor de soldaten om naar hun kwartier te gaan, sloeg oorspronkelijk (1688) op het feit dat om negen uur ‘s avonds met een trommelslag werd aangegeven dat de waard zijn tap toe of dicht moest doen en de soldaten niet meer mocht schenken. Het woord is door vele talen overgenomen: Engels tattoo (vroeger taptoo), Zweeds, Deens tapto, Indonesisch taptu, en verouderd Russisch taptu in bit’ taptu ‘taptoe slaan’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bier ‘alcoholhoudende drank’ -> Engels beer ‘alcoholhoudende drank’; Frans bière ‘alcoholhoudende drank’; Italiaans birra ‘alcoholhoudende drank’ (uit Nederlands of Duits); Bretons bier ‘alcoholhoudende drank’ <via Frans>; Maltees birra ‘alcoholhoudende drank’ <via Italiaans>; Turks bira ‘alcoholhoudende drank’ (uit Nederlands of Duits); Arabisch (MSA) bīra, bīrā ‘alcoholhoudende drank’ <via Italiaans>; Arabisch (Egyptisch) bīra ‘alcoholhoudende drank’ <via Italiaans>; Arabisch (Palestijns) bīra ‘alcoholhoudende drank’ <via Italiaans>; Indonesisch bir ‘alcoholhoudende drank’; Atjehnees ‘alcoholhoudende drank’ (uit Nederlands of Engels); Iban bir ‘alcoholhoudende drank’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis bir ‘alcoholhoudende drank’; Javaans bir ‘alcoholhoudende drank’; Madoerees bīr, ēbbīr ‘alcoholhoudende drank’; Makassaars bîrí ‘alcoholhoudende drank’; Menadonees bir ‘alcoholhoudende drank’; Nias bi ‘alcoholhoudende drank’; Soendanees ĕbir ‘alcoholhoudende drank’; Creools-Portugees (Batavia) bier ‘alcoholhoudende drank’; Singalees bīra ‘alcoholhoudende drank’; Japans bīru ‘alcoholhoudende drank’; Koreaans pirŭ ‘alcoholhoudende drank’ <via Japans>; Negerhollands bier ‘alcoholhoudende drank’; Sranantongo biri ‘alcoholhoudende drank’; Saramakkaans bíi ‘alcoholhoudende drank’; Sarnami bir ‘alcoholhoudende drank’; Surinaams-Javaans bir ‘alcoholhoudende drank’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bier alcoholhoudende drank 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2319. Een vaatje zuur bier,

d.i. eene oude ongetrouwde juffrouw; eine Spätbirne, zooals de Duitschers zeggen; vgl. Van Loon, 33: Ouwe dochters hier is als een kelder met zuur bier; Tuinman I, 82: Een huis vol dochters, is een kelder vol zuur bier, dit wil zeggen, in die waar is geen aftrek; Harreb. I, 55 a; Amsterdammer, 22 Nov. 1914 (omslag), p. 3 k. 5: Bertha Jansen! die ouwe vrijster! Die feministe! Dat vat zuur bier! Verlos ons, Heer! Vgl. Breuls, 85; fr. être brulée; hd. angesäuert sein.

956. De hoogte krijgen (of hebben),

d.w.z. dronken worden of zijn, de pruif, de last hebben (Köster Henke, 56; 38); eene sedert de 17de eeuw gebruikelijke uitdrukking naast de hoogte van zijn gedachten krijgen (d.i. niet verder kunnen denkenZie Ndl. Wdb. VI, 1046, waar ook het vermoeden wordt uitgesproken dat de oorsprong der uitdr. in het zeewezen moet worden gezocht, wat met het oog op de vele synonieme zegswijzen, die veelal aan 't zeewezen ontleend zijn, niet onmogelijk is. Zie De Cock1, 240.. Zie Winschooten, 212: Een roes suipen, soo veel drinken, dat men de hoogte heeft, en lustig vroolijk begint te werden. De zin van de uitdr. hij heeft de hoogte is volgens Tuinman I, 121: ‘'t Loopt met hem zo hoog als 't gaan mag, hem dient niet meer’; vgl. ook Halma, 572: Hij heeft al een halven roes weg, hij heeft de hoogte al; fri. hy het de hichte of de miette; eng. to get into one's altitudes, opgewonden worden. Syn. boven of over zijn bier of zijn thee(water) zijn (Harreb. I, 55); vgl. eng. cold tea, alcoholische drank; Harreb. II, 329: Hij drinkt sterke thee, hij is een liefhebber van sterken drank; M.z.A. 170: Allengs gebeurde het vaker dat hij boven zijn thee was; Speenhof VII, 63: Als tie 's middags dan naar huis komt, istie boven z'n thee; Lvl. 65: Ik ben gisterenavond 'n beetje boven m'n theewater thuis gekomen; Kalv. II, 47: Hij deed alsof hij een beetje boven zijn theewater was; O.K. 173; 't Was een goedhartige kerel en leuk! - vooral als ie 'n klein beetje boven z'n theewater was; Handelsblad, 27 Januari 1915 (avondbl.), p. 5 k. 6: Er wordt wel eens een pintje bier te veel gedronken en er raakt wel eens iemand boven zijn theewater; Propria Cures, XXVI, 173: O, zult ge zeggen dan was er zeker een examen-fuif en waren de lui een klein beetje boven hun tweewater; Kippev. II, 258: Ik voel zelf al dat ik behoorlijk de hoogte krijg; I, 232: Maar ik ben boven mijn bier; Nw. Amsterdammer, 8 Mei 1915 p. 3 k. 2: De barbier boven de bierbar was bar boven zijn bier; Handelsblad, 17 Aug. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 2: De man kon toen de weelde van al dat geld niet meer dragen. Hij raakte boven zijn bier; fri. oer (of boppe) syn bier wêze; vgl. ook het eng. to be over one's cups.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

b(e)u-2, bh(e)ū̆- ‘aufblasen, schwellen’, Sprenglaut der aufgeblasenen Backe, wie auch pu-, phu s. d.; nebenherlaufende Urschöpfung kreuzt die lautgesetzliche Entwicklung, so daß z. B. germ. Formen mit pu- aus idg. bu-, aber auch aus unverschobenem idg. oder neuem pu- erklärbar sind. Aus dem Begriff der aufgeblasenen Backe entwickeln sich die Bedeutungen ‘aufschwellen, rundlich Aufgetriebenes (dann auch Eingewölbtes) verschiedenster Art’, auch ‘anschwellen machen, stopfen’ und ‘blasen, husten u. dgl.’. Ursprünglich verschieden sind die Schallwurzeln b(e)u-1 für dumpfe Schalleindrücke und bu- ‘Lippe, Kuß’.

Gr. βῦ ἐπὶ τοῦ μεγάλου ἐλέγετο· καὶ Σώφρων βύβα, ἀντὶ τοῦ μεστὰ καὶ πλήρη καὶ μεγάλα ΕΜ; vermutlich hierher auch βουνός ‘Hügel’ (dialektisch), βουνιάς ‘eine Rübenart’, βουvίζω ‘häufe’, βούνιον ‘eine Doldenpflanze’; redupl. βουβών ‘inguen, Drüsen neben der Scham, bes. in krankhaft geschwollenem Zustande’; nisl. pūa ‘blasen, atmen’.
Redupliziert wie βύβα, βουβών auch lit. bubsù, bubsė́ti ‘Blasen aufwerfen’ (von Wasseroder gärendem Teig), mnd. bubbeln ‘Blasen aufwerfen, wallen’, schwed. bobba ‘Schwulst, Finne, Insekt’, bubba ‘Laus’ und ‘Trollius europaeus’ u. dgl. (mit idg. bh oder mit durch Neuschöpfungverhinderter Lautverschiebung von b), anord. bȳfa (*bhūbhiōn-) ‘großer, klumpiger Fuß’, norw.dial. būve, būva ‘dicker, klotziger Mensch, Butzenmann’.
Mit sicherem bh-: ai. bhū́-ri-ḥ ‘reichlich, viel, gewaltig’, Komp. bhū́yas-, bhávīyas-, Superl. bhū́yišṭha-ḥ, av. būiri- ‘reichlich, völlig, vollkommen’, Komp.-Adv. baiyō ‘(mehr, zeitlich =) länger, auf länger als’, Superl. bōištǝm ‘plurimum’; arm. bavel, bovel ‘bastare’; lit. būrỹs ‘Haufe (Häuser), Menge (Schafe, Vögel, auch Regen)’, lett. bũra ‘Haufe (Volkes)’;
ohne r-Suffix: aksl. bujь (*bhou̯i̯o-) ‘wild, grausam, töricht’, russ. bújnyj ‘ungestüm, wild, üppig wachsend’; ob hierher ndd. , böje, ndl. bui ‘Bö, Windstoß, Schauer’?; gr. φόα· ἐξανθήματα ἐν τῳ̃ σώματι Hes.; mit Dehnstufe *bhōu- gr.-ion. φωΐδες, att. φῳ̃δες ‘Brandblasen’; gr. φαῖσιγξ, φαῦστιγξ ‘Brandblase, Blase’ (mit Abl. ǝu neben ōu).
Auch die Wz. bheu- ‘werden, entstehen’ ist wohl aus ‘schwellen’ entwickelt, vgl. die Bed. von ai. prábhūta-ḥ ‘reichlich, zahlreich’ (: bhávati) mit der von bhū́ri-ḥ.
Erweiterungen mit l sind vielleicht: ai. buri-ḥ, buli-ḥ (unbel.) ‘Hinterbacke, weibliche Scham’ = lit. bulìs (auch bùlė, bulė̃) ‘Hinterbacken’, gr. βυλλά· βεβυσμένα Hes., mnd.poll ‘Kopf, Spitze, Wipfel’ (*bulno-), mnd. pull, poll ‘(aufgetriebene) Hülse, Schote’, engl. pulse ‘Hülsenfrucht’; ablautend mnd. puyl ‘Sack’, puyla ‘Geschwulst’; mit bh-: got.ufbauljan, nur im Partiz. ufbaulidai ‘Aufgeblasene, Hochmütige’, ahd. paula f. ‘Blatter’, ags. bȳle, ahd. pūlla, mhd. biule ‘Beule’, anord. beyla ‘Höcker, Auswuchs’, aschwed. bolin, bulin ‘geschwollen’; air. bolach ‘Beule’ (*bhulāk-, allenfalls bhol- zu bhel- ‘schwellen’); arm. boil, Gen. Pl. bulic̣ ‘Schar, Menge, Herde’, serb. búljiti ‘die Augen hervorstrecken, glotzen’.
Dentalerweiterungen: gr. βύτανα· κόνδυλοι, ὁι δε βρύτανα Hes. (aber βυτίνη· λάγυνος ἤ ἀμίς. Tαραντινοῖ Hes., die Quelle der germ.-rom. Sippe von nhd. Bütte, lat. buttis ‘Faß’, entspricht gr. πῡτίνη ‘Korbflasche’, s. pū̆- ‘aufblasen’); hierher wohl poln. buta ‘Stolz’, bucić się ‘prahlen’.
Ai. budbuda-ḥ ‘Wasserblase, Blase’, gr. βυζόν· πυκνόν, συνετόν, γαῦρον δε καὶ μέγα Hes. (*budi̯o-, etwa ‘aufgebläht’? Doch s. unten βύζην S. 101); norw. pūte ‘Kissen’, pūta ‘dicke Frau’, schwed. puta ‘aufgebläht sein’, puta ‘Kissen’ (dial. ‘cunnus’; mit derselben Anwendung vielleicht gr. βύττος· γυναικὸς αἰδοῖον Hes.), engl. to pout ‘hervorragen, die Lippen aufstülpen, schmollen’ (‘*schwellen’), pout ‘eine Schellfischart, gadus barbatus’, ags. æle-pūte ds. (capitō, eigentlich ‘Großkopf’), ndl. puit ‘Frosch’;
mit germ. -d- (-þ-): ndd. puddig ‘angeschwollen’, ags. puduc ‘Geschwulst, Warze’, mengl. ndd. podde ‘Kröte’ und mit noch nicht geklärter Bedeutungsentwicklung ags. pudd ‘Wassergraben’, mengl. podel, engl. puddle, nhd. mdartl. Pfudel ‘Schlammpfütze’, wie auch (mit germ. t) norw. mdartl. pøyta, westf. pōt (*pauta) ‘Pfütze, Pfuhl’; als konvexe Wölbung dazu vielleicht ags.pott, afries. mnd. pot ‘Pott, Topf (anders Kluge11 unter Pott); vgl. arm. poytn, Gen. putan ‘Topf, Suppentopf, Krug’ aus *beud-n- oder *boud-n-.
Mit germ. b-: ahd. būtil, mhd. biutel ‘Beutel, Tasche’; isl. budda ‘Beutel, Geldbeutel’, ags. budda ‘Mistkäfer’, mengl. budde ‘Knospe’ und ‘Käfer’, budden ‘ausschlagen’ (‘*schwellen’), engl. bud ‘Knospe’, to bud ‘ausschlagen’, mnd. buddich ‘dick geschwollen’, nndd. budde ‘Laus, Engerling; Schreckbild’; mnd. buddelen, bod(d)elen ‘Blasen werfen, schäumen’, norw. mdartl. boda ‘brausen, brodeln, vom Wasser’; anord. bođi ‘Wellenbruch, Brandung’; mhd. butte, nhd. Hagebutte;
daneben mit germ. -tt-: mnd. botte, ndl. bot ‘Knospe’, mhd. butze ‘Klumpen, mucus; Kobold, Schreckgestalt’, nhd. Butze(n), Butz ‘Schreckgestalt; Klumpen, mucus, Schar; Kerngehäuse’, usw., ndd. butt ‘plump, stumpf, grob’, mhd. butzen ‘schwellen’;
daneben mit -t- nach langem Vokal oder Diphthong mhd. buzen ‘aufschwellen, hervorragen, vorstehen (vom Bauch, den Augen)’, ahd. bōzo ‘Flachsbündel’, mhd. bōze ‘ds.; lächerlicher Mensch, Knabe’;
vielleicht lit. budėlė̃ ‘eine Art Pilz’, slav. *bъdъla in čech. bedla ‘Blätterschwamm’, bedly Pl. ‘Schwämmchen im Munde’; aus dem Arm. hierher außer poytn (s. oben) auch ptuł, Gen. ptłoy ‘Frucht’ und ptuk, Gen. ptkan ‘grüner Zweig, Trieb’ und ‘papilla, mamilla’.
Air. buiden ‘Schar’, cymr. byddin, abret. bodin ds. hat wurzelhaftes u und gehört ebenfalls hierher.
Labialerweiterung: ags. pyffan ‘ausblasen’, engl. puff ‘pusten, blasen, aufgeblasen sein, norw. puffa, ndd. puffen.
Gutturalerweiterungen:
Lat. bucca ‘aufgeblasene, vollgestopfte Backe’; mhd. pfūchen, nhd. (p)fauchen (kann auch unverschobenes idg. p enthalten, vgl. lit. pũkšti ‘keuchen, schnaufen’); schwed. puk ‘Geschwulst, Knollen’, anord. poki m. ‘Beutel, Sack’, engl. poke ds., nhd. dial. Pfoch ‘Beutel’, ags. pohha, pocca ‘Sack, Beutel’, engl. pocket ‘Tasche’, mndd. nndd. pogge, pugge ‘Frosch, Kröte; Geschwulst am Unterleib bei Kühen und Stuten’, ags. pocc ‘Blatter’, nhd. (eigentlich ndd.) Pocke, dial.Pfoche ‘Blatter’; anord. pūki m. ‘Teufel’, ags. pūca, pūcel, engl. puck ‘Kobold’ (aus dem Germ.stainmt ir. pūca ‘Gespenst’, vielleicht auch lett. pūk’is ‘Drache’); hochstufig ndd. pōk ‘im Wuchs zurückgebliebener Mensch’, norw. mdartl. pauk ‘kleiner, schwächlicher Mensch, Knabe’ (über got. puggs ‘Beutel, Geldbeutel’, anord. pungr, ags. pung ds. und scaz-(p)fung ‘Geldbeutel’ s. jedoch Feist 385).
Mit germ. b: mengl. nengl. big (*bugja-) ‘dick, groß, aufgeblasen’; norw. mdartl. bugge ‘mächtiger Mann’, mengl. bugge (engl. bug) ‘Rotzldumpen; Kafer, Wanze; Schreckgespenst’, nhd. mdartl. bogg(e) ‘Nasenbutzer, Butzen am Obst, Schreckgespenst’. Hierher vermutlich germ. *buh- (idg. *bhuk-) in ahd. buhil ‘Bühel’, aisl. bōla f. ‘Beule, Schildbuckel’ (*buhlōn-) und *bū̆k- (idg. *bhū̆g-) in schweiz. Bücki ‘Faß’, engl. buck ‘Waschkübel’ uud aisl. būkr ‘Bauch, Leib’, ags. būc ‘Bauch, Krug’, ahd. būh, nhd. Bauch, dazu lett. bugarains ‘höckerig’, buga ‘hornlose Kuh’, budzis ‘Beule, unreifes Obst’; aber lit. baũžas ‘hornlos’, bužỹš ‘Vogelscheuche, Schreckbild’, būžỹs ‘Wanze, Laus’, búože ‘Keule, Nadelkopf’ (úo wohl aus ōu, vgl. oben S. 99 φωΐδες) können balt. ž als einzelsprachliches Formans enthalten und auf der unerweiterten Wurzel beruhen.
s-Erweiterung:
Gr. βῡνέω > (*βῡνέσω, zum ῡ s. Schwyzer Gr. Gr. I 692), βύω (*βυσω), βεβυσμένος, βυστός ‘vollstopfen’, βύστρα, βύσμα ‘Pfropf’, βύζην (βυσ-δην) ‘gedrängt, voll’; alb. mbush ‘fülle an’; mir. būas ‘Beutel, Tasche, Bauch’ (*bhousto-, vgl. aisl. beysti ‘Schinken’), anord. pūss ‘Tasche, Beutel’, isl. pose, ags. pusa, posa, ahd. pfoso ‘Beutel’; mit der ursprünglicheren Bed. ‘blasen, aufblasen, schwellen’, aschwed. pȳsa ‘schnauben’, mhd. pfūsen ‘schnauben, niesen’, sich pfūsen ‘sich aufblähen’, nhd. mdartl. pfausen, ags. pos ‘Schnupfen, Wasserfall’, engl. pose ‘Schnupfen’, mndd. pūsten ‘schnauben’, pūster ‘Blasebalg’, nhd. pusten (eigentlich ndd.) mdartl. pfausten, anord. pūstr ‘Ohrfeige’ (wie frz. soufflet zu souffler); norw. pūs ‘Geschwulst’, peysa, pūsna ‘anschwellen’, schweiz. pfūsig ‘geschwollen’, nhd. Pfausback, mit ndd. Anlaut Pausback (daneben Bausback mit germ. b-, s. unten); norw. mdartl. pusling ‘Knirps, Kobold’, schweiz. Pfosi ‘Knirps, unbeholfener, blöder Mensch’ (‘kurz und dick’); norw. pūs, pøysa ‘Schlammpfütze’, anord. pyss ds. (in Ortsnamen).
Mit germ. b (= idg. bh, z. T. vielleicht unverschobenes oder neues b): ags. bōsom (germ.*būs-mo(n)-), ahd. buosam, mhd. buosem, buosen, nhd. Busen, mhd. būs ‘Aufgeblasenheit, schwellende Fülle’, būsen ‘schwelgen’, nhd. bausen ‘zechen, schwellen’, Baus ‘abundantia, tumor, inflatio’, Bausback, Bausch ‘anschwellendes, wulstiges Kissen, ausgestopfte Brust’, mhd. būsch ‘Wulst, Bausch’, anord. busilkinna ‘pausbackiges Weib’, norw. baus ‘stolz, übermütig, heftig, hitzig’, ahd. bōsi ‘hartherzig, schlecht’, nhd. böse, mengl. bōsten, nengl. to boast ‘großsprechen, prahlen’ (‘*sich aufblähen’), nhd. beysinn ‘dick, weit und groß (von Kleidern)’, būstinn ds., aisl. beysti ‘Schinken’, nhd. mdartl. Baust ‘Wulst’, bauste(r)n ‘schwellen’, ahd. biost, nhd. Biest-milch (eigentlich ‘dicke Milch’), ags. bēost, bȳsting, engl. beastngs, biestings ds., norw. mdartl. budda (*buzdōn-) ds. (unsicherer ist, ob schwed. mdartl. buska ‘frisches, aufgärendes Bier’ und das damit als *beuza-verbundene ahd. bior, ags. bēor ‘Bier’ als das ‘Aufschäumende, Blasenwerfende’ anzureihen sei; über andere Deutungen von Bier s. Kluge11 und Weigand-Hirt).
Russ. búchnutь ‘anschwellen, quellen’, sloven, bûhnem, búhniti ‘anschwellen, sich aufblasen’, búhor ‘Wasserblase’, kasch. bucha ‘Hochmut’ (*bauṣā).
Verwandt ist wohl auch folgende Gruppe, deren Bed. ‘hervorbrausen’ aus ‘aufschwellen’ entwickelt sein kann: aisl. bysia ‘mit großer Gewalt ausströmen’; norw. mdartl. bøysa ‘hervorstürmen’; schwed. busa ‘bestürzen, hervorstürzen’; ostfries. būsen ‘gewaltsamsein, brausen, lärmen, stürmen’ (und ‘in Saus und Braus leben’, vgl. oben mhd. būsen ‘schwelgen’), būsterig ‘stürmisch’, aksl. bystrъ ‘verschlagen’, russ. býstryj ‘schnell, scharfsichtig; reißend von der Strömung’ (*bhūs-ro-).

WP. II 114 f., Trautmann 28, 39.

bheu-, bheu̯ǝ- (bhu̯ā-, bhu̯ē-) : bhō̆u- : bhū- ursprünglich ‘wachsen, gedeihen’, (wohl = ‘schwellen’), vgl. ai. prábhūta-ḥ mit ai. bhūri-ḥ usw. unter *b(e)u-, bh(e)u- ‘aufblasen, schwellen’, woraus ‘entstehen, werden, sein’, weiters ‘gewohnheitsmäßig wo sein, wohnen’; i̯o/ī-Präsens bhu̯-ii̯ō, bhu̯-ii̯e-si, bhu̯-ī-si usw. als Verbum ‘sein’ suppliert oft das Paradigma von es- ‘sein’; erweiterte Wz. bheu̯ī-, bhu̯ēi-, zahlreiche Nominalbildungen mit den Bed. ‘das Sein, Wesen, Wohnen.. Wohnsitz’, wie bhū̆to-, bhū̆tā, bhū̆ti-, bhū̆tlo-, bhūmen-, bhūlo-, bhūro- usw.

Ai. bhávati ‘ist, ist da, geschieht, gedeiht, wird’ = av. bavaiti ‘wird, entsteht; geschieht; wird sein’, apers. bavatiy ‘wird’; Fut. ai. bhavišyáti, av. būšyeiti Partiz. būšyant- ‘der ins Dasein treten wird’ (letztere = lit. bū́siu, ksl. byšęšteje ‘τὸ μέλλον’, vgl. gr. φύ̄σω); Aor. ai. ábhūt (= gr. ἔφῡ) und bhúvat, Perf. babhū́va, Partiz. Perf. Akt. babhūvā́n, f. babhūvúšī (: gr. πεφυώς, πεφυυῖα, lit. bùvo, aksl. byvati), Inf. bhávitum, Absol. bhūtvā́ (vgl. lit. bū́tų Supinum ‘zu sein’, apr. būton Inf.);
ai. bhūtá-ḥ, av. būta- ‘geworden, seiend, ai. bhūtá-m ‘Wesen’ (: lit. búta ‘gewesen’, aisl. būð f. ‘Wohnung’, russ. bytъ ‘Wesen, Lebensart’; mit gr. φυτόν, air. -both ‘man war’, both f. ‘Hütte’, lit. bùtas ‘Haus’); prá-bhūta-ḥ ‘reichlich, zahlreich’, npers. Inf. būdan ‘sein’;
ai. bhū́ti-ḥ, bhūtí-ḥ f. ‘Sein, Wohlsein, guter Zustand, Gedeihen’ (av. būti- m. ‘Name eines daēva’? = aksl. za-, po-, prě-bytь, russ. bytь, Inf. aksl. byti, lit. bū́ti; mit gr. φύσις).
Pass. ai. bhūyate; kaus. bhāvayati ‘bringt ins Dasein; hegt und pflegt, erfrischt’, Partiz. bhāvita-ḥ auch ‘angenehm erregt, gut gestimmt’ (= aksl. iz-baviti ‘befreien, erlösen’), mit ders. Dehnstufe bhāvá-ḥ ‘Sein, Werden, Zuneigung’ (: russ. za-báva f. ‘Unterhaltung’) neben bhavá-ḥ ‘Entstehung, Wohlfahrt, Heil’;
bhavítram ‘Welt’ (ablaut. mit gr. φύτλᾱ ‘Natur, Geschlecht’ und lit. būklà ‘Wohnung’ usw., und mit germ. *buþla- und *bōþla-, woneben mit Formans -dhlo- čech. bydlo); bhavana-m ‘das Werden; Wohnstätte, Haus (: alb. bane, aber mir. būan ‘standhaft’ aus *bhou-no-), ablaut. bhúvana-m ‘Wesen’;
ai. bhū́- f. ‘Erde, Welt’, bhū́mī, bhū́miḥ-, av. ap. būmī-, npers. būm ‘Erde’, ai. bhū́man- n. ‘Erde, Welt, Sein’ (= gr. φῦμα), bhūmán- m. ‘Fülle, Menge, Reichtum’; pra-bhú-ḥ ‘mächtig, hervorragend’;
s-St. bhaviṣ-ṇu-ḥ ‘werdend, gedeihend’, bhū́ṣati ‘macht gedeihen, stärkt’, bhūṣayati ‘schmückt’, bhūṣana-m ‘Amulett, Schmuck’.
Die ī-Basis *bh(e)u̯ī-, wie es scheint, im ai. bṓbhavīti Intens. und bhávī-tva-ḥ ‘zukünftig’; über iran. bī-Formen s. unten.
Arm. bois, Gen. busoy ‘Schößling, Kraut, Pflanze’, busanim ‘sprieße auf’, ferner vielleicht boin, Gen. bunoi ‘Nest’ (*bheu-no-), schwundstufig bun, Gen. bnoi ‘Stamm’.
Thrak. ON Κασί-βουνον.
Gr. φύω (lesb. φυίω wie osk. fuia, s. unten), ‘zeuge’ (Aor. ἔφυσα), φύομαι ‘werde, wachse’ (vgl. Schwyzer Gr. Gr. I, 686), wohl Neubildungen zum Aor. ἔφῡν ‘wurde’, daneben (Neubildung?) ἐφύην; φυτόν ‘Gewächs, Pflanze, Kind, Geschwür’, φυή ‘Wuchs; Natur, Charakter’, φῦμα n. ‘Gewächs, Geschwür’, φύσις ‘Natur’, φῦλον n. ‘Stamm, Geschlecht, Art’, φῡλή ‘Gemeinde und von ihr gestellte Heeresabteilung’ (: aksl. bylъ, l-Partiz. bylьje); dehnstufiges *bhō[u]lo- vielleicht in φωλεός, φωλειός ‘Schlupfwinkel, Lager wilder Tiere’, φωλεύω ‘schlafe in einer Höhle’, φωλίς ‘ein Seefisch, der sich im Schlamm verbirgt’; aber aisl. bōl n. ‘Lager für Tiere und Menschen’, ist kein von bōl (wohl aus *bōþla) ‘Wohnstätte’ verschiedenes Wort; dazu schwundstufig schwed. mdartl. bylja, bölja ‘kleines Nest’ aus *bulja.
Als 2. Kompos.-glied in ὑπερφυής, ὑπερ-φ[*ϝ]ίαλος. Über φῖτυ s. unten.
Illyr. VN Buni, ON Bοῦννος (: alb. bunë).
Messap. βύριον· οἴκημα, βαυρία· οἰκία Hes. (:ahd. būr);
alb. buj, bûj (*bunjō) ‘wohne, übernachte’, burr, burrë (*buro-) ‘Mann, Ehemann’, banë ‘Wohnung, Aufenthalt, halb verfallenes Haus’ (*bhou̯onā: ai. bhavanam), banoj ‘wohne’; bun(ë) ‘Sennhütte’ (*bhunā); vielleicht auch bōtë ‘Erde, Boden, Welt, Leute’ (*bhu̯ā-tā oder *bhu̯ē-tā).
Lat. fuī (alat. fūī) ‘bin gewesen’ aus *fū-ai, Umgestaltung des alten Aor. *fūm (= gr. ἔ-φῡν, ai. á-bhūt ‘er war’), fu-tūrus ‘künftig’, forem ‘wäre’, fore ‘sein werden’, alat. Konj. fuam, fuat ‘sei’ (*bhuu̯ām; vgl. lit. bùvo ‘war’ aus *bhu-u̯āt), daneben -bam (*bhu̯ām : osk. fu-fans ‘erant’, air. -bā ‘ich war’) in legē-bam usw., vgl. lat.-fal. -bō (aus *bhu̯ō) in amā-bō, alat. venī-bō, fal. pipafþ usw. mit dem ir. b-Futurum (do-rīmiub ‘ich werde aufzählen’ aus *to-rīm-ī-bu̯ō), Intensiv futāvit ‘fuit’;
osk. fu-fans ‘erant’, fu-fens ‘fuērunt’, fusíd = lat. foret, fust (= umbr. fust) ‘erit’ und ‘fuerit’, fuid Konj.-Perf. ‘fuerit’; aber über futír ‘Tochter’ s. Vetter Gl. 29, 235, 242 ff. gegen WH. I 557, 867;
umbr. fust ‘erit’, furent ‘erunt’ (*fuset, *fusent), fefure ‘fuerint’, futu ‘esto’ (fuu̯etōd oder fu-tōd).
Ein i̯o/ī-Präs. zur Wz. *bhū̆- : *bhu̯-ii̯ō liegt vor in lat. fīō, fī̆erī ‘werden, entstehen, erzeugt werden’, das ī statt von fīs, fīt (*bhu̯-ī-si, *bhu̯-ī-ti) bezogen; osk. fiiet (*bhu̯ii̯ent) ‘fiunt’, umbr. fito ‘facta, bona?’, fuia ‘fīat’, fuiest ‘fīet’ (*bhu-i̯ō neben *bhu̯ii̯ō wie in lesb. φυίω, s. oben);
lat. Nominalbildungen nur in dubius ‘zweifelnd, unsicher’ (*du-bhu̯-ii̯o-s ‘doppelgestaltig’, vgl. umbr. di-fue ‘bifidum’ < *du̯i-bhui̯om), probus ‘gut gedeihend, redlich’ (*pro-bhu̯os : ai. pra-bhú-ḥ ‘hervorragend’), osk. am-prufid ‘improbē’, prúfatted ‘probāvit’, umbr. prufe ‘probē’; lat. super-bus ‘hochmütig’.
Über lat. moribundus s. Niedermann Mél. Meillet 104, Benveniste MSL. 34, 189.
Air. baë ‘Nutzen’ (*bhu̯ǝ-i̯om), būan ‘standhaft, gut’ (*bhouno-, dazu cymr. bun ‘Königin, Frau’); mir. baile ‘Heim, Ort’ (*bhu̯ǝ-lii̯o-);
air. buith ‘sein’ (ursprgl. Dat. des ā-St. both < *bhutā = cymr. bod, corn. bos, bret. bout = air. both f. ‘Hütte’, cymr. bod f. ‘Wohnung’: lit. bùtas ‘Haus’; hierzu auch mir. for-baid ‘Grabtuch, Bahre’), Fut. -bīa ‘wird sein’ (= lat. fiat), Prät. 1. Sg. (*bhu̯ām), 3. Sg. boī (*bhōu̯e), Pass. Prät. -both ‘man war’ (*bhu-to-); das Paradigma des Verbum Subst. und der Kopula besteht aus Formen von es- und bheu-, z. B. hat die 1. Sg. Präs. Konj. air. bēu (*bh-esō) den Anlaut von bheu- bezogen;
air. -bīu ‘ich pflege zu sein’, mcymr. bydaf, corn. bethaf, mbret. bezaff ds. (*bhu̯ii̯ō = lat. fīō, daneben *bhu̯ī- in air. bīth, mcymr. bit ‘estō’ = lat. fīt);
gall. PN Vindo-bios (*-bhu̯ii̯os), vgl. cymr. gwyn-fyd ‘Glück’ (‘weiße Welt’, byd), air. su-b(a)e ‘Freude’ (*su-bhu̯ii̯o-), du-b(a)e (du = gr. δυς-) ‘Trauer’;
got. bauan ‘wohnen, bewohnen’, ald bauan ‘ein Leben führen’, gabauan ‘Wohnung aufschlagen’ (*bhōu̯ō, Vokalismus wie in ai. bhāvayati, bhāva-ḥ, slav. baviti), aisl. būa (bjō, būinn) ‘wohnen, instand bringen, ausrüsten’, ags. būan und buw(i)an (būde, gebūen) ‘wohnen, bebauen’ (daneben ags. bōgian, afries. bōgia ‘wohnen’, lautlicher Typus von got. stōja aus *stōwijō und ō als ursprünglichen Vokal stützend), ahd. būan (būta, gibūan) ‘wohnen, bebauen’, nhd. bauen; aisl. byggja ‘an einem Orte wohnen, bebauen, bevölkern’, später ‘erbauen, bauen’ (aus *buwwjan?*bewwjan?); aisl. n. ‘Wohnort, Wirtschaft, Haushalt’, ags. n. ‘Wohnung’ (Pl. by n. vom i-St. *būwi- = aisl. bȳr m. ‘Wohnstätte, Hof’; ähnlich lit. būvis ‘bleibender Aufenthalt’), ahd. , mhd. , Gen. būwes m., selten n. ‘Bestellung des Feldes, Wohnung, Gebäude’, nhd. Bau;
aisl. būð f. ‘Wohnung, Zelt, Hütte’; aschwed. bōþ, mnd. bōde, mhd. buode und būde ‘Hütte, Gezelt’, nhd. Bude (*bhō[u]-tā); mnd. bōdel ‘Vermögen’, bōl ‘Landgut’, ags. bold und botl n. ‘Wohnung, Haus’, *byldan, engl. to build ‘bauen’, afries. bold und bōdel ‘Haus, Hausgerät, Eigentum’ (*bōþla- aus idg. *bhō[u]tlo- und *buþla-, vgl. lit. būklà und westsl. bydlo), ebenso aisl. bōl n. ‘Wohnstätte’ (s. oben auch zu bōl ‘Lager’);
aisl. būr n. ‘Vorratshaus, Frauengemach’, ags. būr m. ‘Hütte, Zimmer’, ahd. būr m. ‘Haus, Käfig’, nhd. (Vogel-)Bauer, wovon ahd. nāhgibūr, ags. nēahgebūr, nhd. Nachbar, engl. neighbour und ahd. gibūr(o), mhd. gebūr(e), dann būr, nhd. Bauer ‘rusticus’;
ags. bēo ‘ich bin’ (*bhu̯ii̯ō = lat. fīō, air. -bīu), daneben bēom, ahd. bim usw. nach *im von *es- ‘sein’, wie ahd. bis(t), ags. bis nach is.
Vielleicht got. bagms, ahd. bōum, ags. bēam ‘Baum’ aus *bhou̯(ǝ)mo- ‘φυτόν’ und aisl. bygg n. ‘Gerste’, as. Gen. PL bewō ‘Saat, Ertrag’, ags. bēow n. ‘Gerste’ (*bewwa-) als ‘Angebautes’.
Lit. bū́ti (lett. bût, apr. boūt) ‘sein’, bū́tų Supin. ‘zu sein’ (apr. būton Inf.), Partiz.bū́tas ‘gewesen’, Fut. bū́siu (lett. bûšu), Prät. bùvo ‘er war’ (vgl. auch buvó-ju, -ti ‘zu sein pflegen’ und aksl. Iter. byvati); Opt. apr. bousai ‘er sei’, Prät. bēi, be ‘er war’ (von einer mit -ēi- erweiterten Basis);
lit. bū̃vis m. ‘Sein, Leben’, buvinė́ti ‘hie und da ein Weilchen bleiben’, apr. buwinait ‘wohnet!’;
lett. bûšana ‘Sein, Wesen, Zustand’, apr. bousennis ‘Stand’; lit. bùtas, apr. (Akk.) buttan ‘Haus’;
lit. būklas (*būtla-) ‘cubile, latebrae ferarum’, pabū̃klas ‘Instrument, Gerät; Erscheinung, Gespenst’, būklà, būklė̃ ‘praesentia, Wohnung’, ostlit. búklė ds. (s. oben; dazu buklùs ‘weise, schlau’);
aksl. byti ‘werden, sein’, lo- Partiz. bylъ ‘gewesen’ (davon bylьje ‘Kraut; Heilkraut’, vgl. zur Bed. φυτόν), Aor. bě ‘war’ (*bhu̯ē-t); Imperf. běaše, Fut. Partiz. ksl. byšęšteje, byšąšteje ‘τὸ μέλλον’, Kondiz. 3. Pl. bǫ (*bhu̯ā-nt), Partiz. za-bъvenъ ‘vergessen’, neben sonstigem Partiz. *byt z. B. in russ. zabýtyj ‘vergessen’, vgl. dazu auch Subst. russ. bytъ ‘Wesen, Lebensart’ u. dgl., apoln. byto ‘Nahrung’, aksl. iz-bytъkъ ‘Überfluß, Rest’ u. dgl., bytьje ‘das Dasein’;
aksl. zabytь ‘Vergessen’, pobytь ‘Sieg’, prěbytь ‘Aufenthalt’, russ. bytь ‘Wesen, Geschöpf; Tatbestand’;
Präs. aksl. bǫdǫ ‘werde, γίγνομαι’, als Fut.: ‘werde sein’ (ob zu lat. Adj. auf -bundus?); Kaus. aksl. izbaviti ‘befreien, erlösen’ u. dgl. (: ai. bhāva-yati, vgl. zum Vokalismus auch got. bauan und aksl. zabava ‘Verweilen, Beschäftigung, Zeitvertreib’); čech. bydlo ‘Aufenthaltsort, Wohnung’, poln. bydło ‘Vieh’ (aus *’Stand, Wohlstand, Habe’).
Vielleicht hierher (Pedersen Toch. 2281) toch. В pyautk-, A pyotk-, AB pyutk- ‘zustande kommen’, med. ‘zustande bringen’.
Von der Basis bh(e)u̯ī-:
npers. Imp. bī-d ‘seid!’; apers. Opt. bī-yāh setzt Wackernagel KZ. 46, 270 = ai. bhū-yā́-ḥ, -t;
gr. φῖτυ n. ‘Keim, Sproß’ = φίτῡμα, φῑτύω ‘erzeuge, säe, pflanze’;
lit. alt. bit(i) ‘ег war’, auch Kondit. 1. Pl. (sùktum-) bime; lett. biju, bija ‘ich, er war’ (lett. bijā- erweitert aus athemat. *bhu̯ī-); ablaut. apr. bēi, s. oben;
aksl. Kondit. 2. 3. Sg. bi ‘wärst, wäre’ (*bhu̯ī-s, *bhu̯ī-t), wozu sekundär 1. Sg. bi-mь mit Primärendung.

WP. II 140 f., WH. I 375 f., 504 f., 557 f., 865, 867, EM. 812 f., 1004 f., Trautmann 40 f., Feist 83 f.
Specht will (KZ. 59, 58 f.) unter Heranziehung von gr. φάος ‘Licht, Heil’ = ai. bhava- ‘Segen, Heil’, φαε-σί-μβροτος usw. unsere Wz. als *bhau̯ǝ-, nicht als *bheu̯ǝ- ansetzen. S. auch oben S. 91.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal