Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boud - (stoutmoedig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boud bn. ‘stoutmoedig’
Onl. baldo (bw.) ‘moedig’, boldliko (bw.) ‘id.’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. balt ‘driest, brutaal’ [1240; Bern.], boude ‘onbeschroomd, kalm; dapper’ [1290; CG II, En.Cod.].
Os. bald, ohd. bald ‘moedig’ (mhd. balde (bw.) ‘moedig, snel’; nhd. bald (bw.) ‘gauw’); ofri. balde (bw.) ‘spoedig’; oe. b(e)ald ‘moedig’ [1000] (ne. bold ‘id.; vrijpostig, brutaal’); on. ballr ‘moedig, gevaarlijk’; got. *balþs ‘vermetel’ (alleen als bw. balþaba ‘dapper’ en als zn. balþei ‘dapperheid’); < pgm. *balþa-.
Meestal in verband gebracht met pie. *bhel- ‘zwellen’ met het dentaalachtervoegsel *-to (IEW 120-21). Met het Germaanse woord kunnen evenwel ook Oudiers balc ‘sterk’ en Welsh balch ‘dapper’ vergeleken worden, met -k- in plaats van pgm. -þ-. Als men verband met deze vormen aanneemt, wijst dat op een oude -a-; het woord kan dan een niet-Indo-Europees substraatwoord zijn.
In het Nederlands heeft zich de combinatie -al- > -ol- > -ou- vóór d of t ontwikkeld zoals ook in → oud.
Het woord komt ook voor in persoonsnamen als Boudewijn (waarvan het tweede lid teruggaat op pgm. *wini- ‘vriend’), Bouderik, Eremboud, Romboud. Daarnaast hebben ook persoonsnamen als Leopold en Theobald dit boud als vormend bestanddeel, maar dan in de Duitse vorm: het zijn allebei ontleningen aan het Duits.
Lit.: Schönfeld 1970, par. 60; M. Philippa (1997) ‘Over ou’, in: OT 66, 60

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boud* [stoutmoedig] {oudnederlands baldo 901-1000, middelnederlands boude [onbeschroomd, onversaagd, spoedig]} oudsaksisch, oudhoogduits bald (hoogduits bald), oudengels beald (engels bold), oudnoors ballr, gotisch balþjan [moedig zijn], verwant met bal1 en bol1; de grondbetekenis is ‘gezwollen zijn’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boud bnw., mnl. bout ‘stoutmoedig, zeker’, onfrank. baldo bijw. ‘met vertrouwen’, os. ohd. bald ‘moedig’, oe. beald ‘moedig, vertrouwend’ (ne. bold), on. ballr ‘moedig, gevaarlijk’, got. balþaba bijw. ‘vermetel’. Daarnaast het bijw. mnl. boude, mnd. bolde, boude, ohd. baldo, ofri. balde ‘spoedig’. Het woord is nu verouderd vgl. boudweg, een boude (zelfs ook boute) bewering en leeft nog voort in de PN Boudewijn (samengesteld uit boud en germ. *wini- ‘vriend’).

Het woord staat in gramm. wisseling met on. baldr ‘vermetel, dapper’, dat wellicht ook in de onoorse godennaam Baldr aangenomen mag worden (AEW 24). Het aannemelijkst is wel het woord als een dentaal-afl. van de onder bal 1 behandelde wortel *bhel, bhol ‘opzwellen’ te beschouwen. — Samenhang met het woord *balwa ‘slecht’ (vgl. baldadig) is uitgesloten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boud bnw., mnl. bout(d) “stoutmoedig, gerust, zeker”. Alg.-germ.: onfr. baldo bijw. “fiducialiter”, ohd. bald “moedig, standvastig, vrijmoedig, zeker”, os. bald “moedig”, ags. beald “moedig, vertrouwend” (eng. bold), on. ballr “moedig, gevaarlijk, vreeselijk”, got. balþaba bijw. “vermetel”. Ook in den eigennaam mnl. nnl. Boudewijn, gevormd naar mhd. Baldewîn: het tweede lid is germ. *wini- “vriend”. De bet. “snel”, nog over in hd. bald “spoedig” (uit mhd. balde, ohd. baldo bijw., = mnl. boude, mnd. bolde, balde, ofri. balde “id.”.), is secundair. Oorsprong onzeker. Mogelijke combinaties: 1. met ags. bealdor m. “vorst”, on. Baldr godennaam, bij bhē̆l- “schitteren”; zie blaken, bad. De bet.-overgang “schitterend” > “flink, moedig” is mogelijk. Formeel vgl. lit. báltas “wit”, 2. met bal(dadig). On. ballr heeft dan de oorspr. bet. “schadelijk, verderf brengend” bewaard, ʼt Germ. woord ging over in ʼt Rom.: it. baldo, ofr. baud “vermetel”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boud. Men brengt dit woord, met ags. bealdor m. ‘vorst’ en de godennaam on. Baldr ook wel bij de idg. wortel *bhel- ‘zwellen’, die onder bal I besproken is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boud bijv., Mnl. bout, Os. bald + Ohd. bald (Mhd. balt = koen, snel, Nhd. bald = snel), Ags. beald (Eng. bold), On. ballr, waarbij de naam van den God Balder, Go. balþs + Osl. bolij = sterk, boljarinŭ = magnaat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bou, bauw, ba, zn.: bw.: bijna, straks, weldra. Mnl. boude ‘spoedig’. Eigenlijk hetzelfde woord als Mnl. boud(e) ‘onversaagd’, Ohd. baldo ‘koen, onversaagd’, Mhd. balde ‘moedig, snel, onmiddellijk’, Mnd. bolde, D. bald ‘spoedig, weldra’, Oe. bealde ‘moedig, snel, onmiddellijk’, als bijwoord bij het bn. Ohd., Os. bald, Mhd. balt, Mnd. bolt, Mnl. bout, Oe. bald, beald, E. bold, Zw. båld ‘moedig’, Got. balþs ‘moedig’. Germ. *balþa- ‘moedig’ < Idg. *bhel- ‘opblazen, zwellen’. De bet. ‘straks’ kan worden afgeleid uit ‘gezwollen’ > ‘vastberaden’moedig’, vandaar ‘snel, spoedig’. Ook tegenba, teba ‘straks, weldra’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bou I, bauw, bao bijna, weldra (Zuid-Limburg, Montzen). = hgd. bald ‘spoedig’ = boud ‘moedig’ (nog in de eigennaam Boudewijn), mnl. boude ‘onbeschroomd, spoedig’. = os. bald ‘snel’. Van een wortel die in bal aanwezig is en ‘gezwollen’ betekent. De betekenisontwikkeling is: ‘gezwollen’ › ‘moedig’ › ‘snel’ › ‘weldra’ › ‘bijna’.
Jongeneel 3, 53, Welter 178, Amkreutz e.a.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boud II [+]: (boekw.) dapper (nog o.a. in boudweg); Ndl. boud (Mnl. bout, “gerus, seker, stoutmoedig”), Ohd. bald, Eng. bold, On. ballr, “gevaarlik, moedig; vreeslik”, (tans in) Hd. bald, “spoedig”, hoofs. Germ. en nog in eien. Boudewijn; uit Germ. tale in Rom. tale, bv. It. baldo, Ofr. baud, “vermetel”; v. ook wrewel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boud ‘stoutmoedig’ -> Deens † bold ‘stoutmoedig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bold ‘stoutmoedig’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins paltti ‘overschuimend, bovenmatig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boud* stoutmoedig 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal