Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buis - (vriend, kameraad)

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Buis, vroeger in N.-Holl. gebruikt als aanspreking = vriend, kameraad, en misschien liefkoozende vorm van bui(e), evenals Ans, Mies, moes, oomes; welk buie(e), in Groningen als aanspreking tegen jongens gebezigd, wel één zal zijn met fri. en n.-holl. hoi, hooi. eng. boy, ook in Zeeland bekend, blijkens Wolff-Bekker, Walcheren 86: “Leunis, zei ze, beste Leunis, . . . Boeije, deed jy maar als Teunis, Altoos vischt hij kort by strand”.
Het eng. boy is later weer zelfstandig uit het Engelsch bij ons overgenomen als een vreemd woord. Boi, zal waarsch. verwant zijn met boef, hgd. Bube, Het woord buis komt in het nnl. alleen nog voor, althans naar alle waarschijnlijkheid, in bollebuis (zie o.d.w).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal