Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

carnaval - ((feestelijkheden tijdens) de drie dagen voor Aswoensdag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

carnaval zn. ‘(feestelijkheden tijdens) de drie dagen voor Aswoensdag’
Vnnl. carnaval ‘feesttijd voor de vasten’ [1653; WNT duivelarij].
Ontleend aan Frans carnaval [1578], ouder carneval [1549; Rey] < Italiaans carnevalo [13e eeuw; Rey] ‘vastenavond’. Dit is ontstaan uit de vaste verbinding middeleeuws Latijn carne levare ‘opheffen, wegnemen van het vlees’ [965] (waarnaast ook een aantal andere vormen zoals carnelevale), gevormd uit Latijn carō (genitief carnis) ‘vlees’, zie ook → carnivoor, en levāre ‘opheffen, wegnemen’, bij het bn. levis ‘licht’, zie → licht 2.
In het verleden is wel gedacht dat carnaval ontstaan zou zijn uit Latijn carrus navālis ‘scheepskar’. In de Middeleeuwen was het rondvoeren van het narrenschip op wielen (ook wel de blauwe schuit genoemd, omdat blauw de kleur van de schijn is) namelijk een vast onderdeel van de vastenavondviering. Uit de oorspr. vormen blijkt echter dat deze verklaring niet juist kan zijn. Zo blijkt bijv. dat de a uit de tweede lettergreep van carnaval niet oorspr. is. Als alternatief is er ook wel voorgesteld dat Italiaans carnevale ontstaan zou zijn uit carne vale ‘Vaarwel, vlees!’, omdat er tijdens de vastenperiode geen vlees mag worden gegeten. Ook deze pseudo-etymologische optie is niet aanvaardbaar: de Italiaanse vorm wordt immers voorafgegaan door middeleeuws Latijn carne levare.
Lit.: P. Aebischer (1952) ‘Les dénominations du “carnaval” d'apres les chartes Italiennes du moyen age’, in: Mélanges de philologie Romane offerts à M. Karl Michaëlsson, par ses amis et ses élèves, Göteborg, 1-10; Philippa 1987

EWN: carnaval zn. '(feestelijkheden tijdens) de drie dagen voor Aswoensdag' (1653)
ANTEDATERING: Voor den "Roomsen Carnaval" van't jaer 1648 [1651; Van der Merwede, 191]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

carnaval [drie dagen voor vasten] {1673} < frans carnaval < italiaans carnevale [Vastenavond, de tijd van onthouding van vlees], van carnelevare [het vlees wegnemen], van latijn caro (2e nv. carnis) [vlees] (vgl. carnatie) + levare [optillen, opheffen, wegnemen], van levis [licht (van gewicht)].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

carnaval eerst nnl. < fra. carnaval (16de eeuw) < ital. carnevale. De oude verklaringen uit carne vale ‘vlees vaarwel’ (als uitdrukking in schoolkringen) of uit carrus navalis ‘scheepskar’ (naar volksgebruik in de Rijnstreek) zijn als onjuist bewezen door P. Aebischer, Mélanges Michaëlsson 1952, 1-10, die als oudste vormen in Italië (voor het eerst 965) aanwijst carnelevare, een min of meer kunstmatige uitdrukking, waarnaast ook carnemlaxare voorkomt. Later werd carnelevare in de volksmond vereenvoudigd tot carnevale.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† carnaval znw. o. Nnl. uit fr. carnaval (< it. carnevale ‘tijd, dat het vleeseten ophoudt’?). Het eerste deel is de rom. voortzetting van lat. caro, gen. carnis ‘vlees’, het tweede deel wordt verschillend verklaard. Ook in andere talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

carnaval o., in alle Eur. talen; wellicht uit een Noordfra. car (d.i. char) naval = wagenschip of schip op wielen, een onontbeerlijk bestanddeel van alle lenteoptochten; cf. Mnl. blaue scute, Hgd. narrenschiff. In It., Sp., Roe. onderging het allerlei volksetymologische vervormingen, b.v. It. carnovale, carnelevale, carnelascia.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

carneval (zn.) carnaval; Nuinederlands carnaval <1653> < Frans carnaval.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

carnaval (Frans carnaval)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Carnaval, van ’t Fr. carnaval, dat ontleend schijnt aan ’t It. carnevale, voor carne-levare, en dit uit ’t kerklatijn carnem levare, d.i. het wegnemen van ’t vleesch. Anderen denken aan carro navala: het wagenschip (de „blauwe schuit”, het „narrenschip”), waarop de narren plaats namen en dat in den optocht niet mocht ontbreken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

carnaval ‘feest voorafgaande aan de vastentijd’ -> Indonesisch karnaval ‘feestviering’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

carnaval drie dagen voor vasten 1673 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut