Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dievegge - (vrouwelijke dief)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dievegge zn. ‘vrouwelijke dief’
Mnl. dieveghe ‘dievegge’ [1374; MNW-R], deefegghe [1440; MNW], dievigghe [1437; MNW-P], diefegghe [1479-1517; MNW-P].
Afleiding van het zn.dief met het achtervoegsel -egge, mnl. en nnl. dialectisch ook -ege, -ige, -igge, dat vrouwelijke persoonsaanduidingen vormt bij mannelijke woorden of uit werkwoordsstammen, bijv. meesterigge ‘gouvernante’ [1400-50; MNW], tavernierigge ‘herbergierster’ [1400; MNW], alsook mnl. spinnigghe, West-Vlaams spinege ‘spinster’ [1363; MNW]. Dit achtervoegsel komt alleen in het Nederlands en het Oudengels voor; mogelijk werd het gevormd naar het voorbeeld van vulgair Latijn -trica, triga < klassiek Latijn -trix, waaruit het segment -iga werd overgenomen.
Oorspr. moet bij zulke afleidingen de hoofdklemtoon op het grondwoord hebben gelegen, zoals nu nog in de Vlaamse dialecten. De verschuiving van het accent naar het suffix, zoals in nnl. dievegge, gebeurde wellicht om de tegenstelling mannelijk / vrouwelijk beter te doen uitkomen, zoals ook bij vrouwelijke afleidingen op -in en -es(se). Samentrekking van het suffix leidde tot -ei als in → klappei. Weinig woorden op -egge/-ei drongen door tot de standaardtaal, hetgeen wel in verband wordt gebracht met de weinig gunstige connotatie waarmee het suffix vanouds zou zijn beladen.
In het Middelnederlands wordt ook wel de vrouwelijke vorm dievinne aangetroffen [1350-1400; MNW-R].
Lit.: Meid, Germanische Sprachwissenschaft III. Wortbildungslehre

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dievegge [vrouw die steelt] {diefegge, dievege 1440} gevormd van dief met een weinig gebruikt achtervoegsel, dat waarschijnlijk ontleend is aan vulgair latijn -iga; het werd samengetrokken tot -ei in bv. klappei.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dievegge znw. v., mnl. diefegghe, dieveghe afgeleid van dief met het suffix germ. -igjōn, -agjōn, dat ook in het oe. voorkomt: dryicge ‘tovenares’, sealticge ‘danseres’. Uit de uitgang -ege ontstond later -ei, zoals in klappei en labbei.

Het is opmerkelijk dat dit suffix alleen in het nl. en eng. voorkomt; dat doet vermoeden dat het eerst secundair ontstaan is, misschien in navolging van vulg. lat. -trica, triga < lat. trix; daaruit zou -iga zijn overgenomen, dat dan tot -igjōn uitgebreid werd (Frings PBΒ 56, 1932, 24 vlgg.). Van Haeringen, Suppl. 34 merkt op dat de verlegging van het accent in het nl. wel het gevolg zal zijn geweest van de behoefte de tegenstelling van mnl. en vr. sterker te doen uitkomen, overigens is de opeenvolging der lettergr. -ěgě ook bezwaarlijk; dat kon tot accentverspringing leiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dievegge znw. v., bij dief, mnl. diefegghe, dieveghe v. Het suffix germ. -iʒjô-, -aʒjô- komt speciaal in het Angelsaksisch en Nederlandsch voor, bijv. ags. dry̌icge v. “toovenares”, sealticge v. “danseres”, mnl. meesteri(g)ghe v. “meesteres”. De “alg.-ndl.”-taal bezit nog dievegge, klappei, labbei (ei < -eʒi < -aʒi), in het Vla. komt ’t suffix meer voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dievegge. Wellicht is het ags. ndl. feminien-suffix -iʒjôn-,-aʒjôn- ontleend aan vulgair-lat. -(tr)îca, -(tr)îga = lat. -(tr)ix. In aansluiting aan het inheemse -jôn-suffix (waarmee b.v. ohd. rêia, ags. ræ̂ge v. ‘caprea’ zijn gevormd; zie ree I) ging het dan in de -jôn-klasse over. Frings PBB. 56, 24 vlgg. Vgl. -ster Suppl.
De nnl. accentuering zal wel als contrast-accent zijn op te vatten. Invloed van woorden op -es is minder waarschijnlijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dievegge v., met suff. -egge, -ege (als in naaisterege, kuischsterege enz.) (contr. -ei), Mnl. -igghe + Ags. -icge: Ug. *-igjō- + Lat. -ic- (imperatrix, enz.): Idg. *-iki-.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dievegge vrouw die steelt 1440 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut