Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dinges - (iets of iemand zonder naam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dinges zn. ‘iets of iemand zonder naam’
Nnl. Juffrouw Dings [1784-85; WNT], dinges ‘zekere persoon’ [1869; WNT].
De herkomst van dinges is niet geheel duidelijk. Er wordt wel gedacht aan herkomst uit Duits Dings ‘ding, dingetje’, maar het kan ook een afleiding van ding met het suffix -es zijn zoals in → lobbes. In het West-Vlaams komt dinge ‘dinges’ voor. Mogelijk speelt hier Frans chose ‘ding’ een rol, zoals in Monsieur Chose ‘meneer Dinges’.
In Zuid-Nederlandse dialecten komt eenzelfde woord voor in de betekenis ‘spul, goed’: Dings om koeken te bakken [1899-1906; WNT], maar dit is een meervoudsvorming van → ding.
Het Nederlandse woord dinges is ontleend in het Amerikaans-Engelse slang: dingus ‘iemand wiens naam onbekend of vergeten is’ [1876; BDE].

EWN: dinges zn. 'iets of iemand zonder naam' (1784-85)
ANTEDATERING: vnnl. Lest was dings, hoe heet hy ook, … [1655; Rommelzoo, 189]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dinges [aanduiding van iemand wiens naam men niet kan noemen] {1784-1785} < hoogduits Dings [dinges, je weet wel], eig. 2e nv. van Ding [ding].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dinges eerst vroeg-nnl. (18de eeuw) waarschijnlijk uit nhd. dings ‘eig. 2de nv. van ding, maar sinds 1616 ook als apart woord bekend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dinges znw. Nog niet bij Kil. Wsch. uit hd. dings m. v. o., oorspr. de gen. van ding, reeds in 1616 als afzonderlijk woord vermeld. Voor de bet. vgl. fr. chose “dinges”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

dinges s.nw.
1. Naam vir iets waarvan jy die naam nie kan onthou of wil gebruik nie. 2. (plat) Sitvlak, anus.
In bet. 1 uit Ndl. dinges (1899 - 1906) of mntl. 'n afleiding van Dinges. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Dings (16de eeu), Eng. dingus (1876). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1898).

Dinges s.nw.
Naam vir iemand van wie jy die naam nie kan onthou of wil gebruik nie.
Uit Ndl. dinges (1784 - 1785), 'n afleiding van ding 'ding', of mntl. uit Hoogduits ding 'dinges, jy weet wat'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Dings (16de eeu). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1898).

dingesie s.nw.
Kleinigheid, oulike dingetjie, toestelletjie.
Afleiding met -ie van dinges.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dinges: plaasvervanger v. naam wat jy op d. oomblik nie kan onthou nie; soos in Ndl. verboë vorm of afl. v. ding, vgl. Eng. thingamy/thingumajig/thingumbob/thingummy en die Fr. gebr. v. chose, “ding, saak” in bet. v. “dinges”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dinges (Duits Dings)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dinges ‘aanduiding van personen of zaken waarvan men de eigennaam niet wil of kan noemen’ -> Engels dingus ‘(hebbe)dingetje’ (uit Nederlands of Duits); Noors dings, tinges ‘dingetje, spul’ (uit Nederlands of Nederduits); Amerikaans-Engels dingus ‘aanduiding van personen of zaken waarvan men de naam niet wil of kan noemen; (hebbe)dingetje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dinges aanduiding van personen of zaken waarvan men de eigennaam niet wil noemen 1784-1785 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal