Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

district - (ambtsgebied)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

district zn. ‘ambtsgebied’
Mnl. binnen den districte van Henegouwe ‘binnen het grondgebied, rechtsgebied van Henegouwen’ [voor 1492?; MNW rappailge]; vnnl. district ‘gebied’ [1548; Stall.], districten (mv.) ‘gebieden’ [1552; MNW vergiften].
Ontleend aan Frans district ‘rechtsgebied’ [1480; Rey] < middeleeuws Latijn districtus ‘rechterlijke macht, rechtsgebied’, oorspr. het verl.deelw. van distringere ‘uiteen houden, op zijn plaats houden, tegenhouden’, gevormd uit → dis- ‘uiteen, weg van’ en het werkwoord stringere ‘klemmen, drukken, binden’, zie → stringent, en zie ook → streng 1, → strik, → strikt.

EWN: district zn. 'ambtsgebied' (voor 1492?*, 1548)
ANTEDATERING: arriverende in der vryheyt, limiten ende district van onse voirscr. stede van Middelborch [1504; iWNT proprietaire]
{De eerste attestatie in het EWN met de datering "voor 1492?" kan beter geschrapt worden omdat de gebruikte tekst hoogst onbetrouwbaar is.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

district [ambtsgebied] {1588} < frans district < middeleeuws latijn districtus, districtum [bergpas, jurisdictie, gebied van de jurisdictie, district], van distringere (verl. deelw. districtum) [uiteenrekken, uitstrekken, verdelen], van dis- [uiteen] + stringere [snoeren, stevig binden].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

district znw. o., reeds bij Kil. en mnl. (Mnl. Handwdb.). Nog niet mhd. mnd. Uit mlat. districtus “rechtsgebied”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

distrik s.nw.
1. Gebied afgebaken vir regspraak en administrasie onder beheer van 'n magistraat. 2. Streek, buurt, wyk, omgewing, kontrei, geweste. 3. Gebied buite 'n dorp geleë.
In bet. 1 uit Ndl. district (1588), of in bet. 1 en 2 uit Eng. district (1664 in bet. 1, 1712 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel.
D. Distrikt (16de eeu), Fr. district (in bet. 1).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

district’ (het, -en), 1. elk der administratieve eenheden waarin Suriname verdeeld is, t.w. het stadsdistrict* Paramaribo en een aantal buitendistricten*. De districten hebben geen autonomie en geen zelfbestuur. Ze zijn gedecentraliseerde administratieve eenheden die rechtstreeks ressorteren onder het gezag van de minister van Districtsbestuur en Decentralisatie (Enc.Sur.: 66). - 2. als 1, echter alleen de buitendistricten*. In leven was hij 43 jaar onderwijzer in Paramaribo, de districten en op Curaçao (WS 18-8-1984, in adv.). - 3. deel van het min of meer gecultiveerde deel van het land buiten Paramaribo. Dicht begroeide bossen zijn hun [van uilen] feitelijke woonplaatsen, maar ze komen ook in savanna’s*, en distrikten en in de stad* voor (Heyde 1973a: 2). - Samenst. van 1 ook kokosdistrict*, rijstdistrict*, van 3 gouddistrict*. Zie i.v.m. 2 ook: divisie*.
— : het district, 1. (deel van) het min of meer gecultiveerde deel van het land buiten Paramaribo. Er leefde eens in het district een arme boer die Durga heette (Baccha 3). - 2. het ‘wilde’, achterlijke deel van het land, ‘de provincie’. Zijn hier slangen?, vroeg Henk. - Natuurlijk, man, dit is het district, hier zijn òveral slangen (Doelwijt 1972b: 34). - Zie ook: het buitendistrict*, plantage* (B).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

district (Frans district)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

district ‘ambtsgebied’ -> Indonesisch distrik ‘ambtsgebied’; Boeginees diseterî́ ‘ambtsgebied’; Javaans dhestrik ‘onderafdeling; ambtsgebied, kantoor van districtshoofd’; Madoerees dhistrīk, dhistrī' ‘ambtsgebied’; Menadonees distrik ‘ambtsgebied’; Sasaks distrik ‘ambtsgebied’; Soendanees distrik ‘ambstgebied’; Singalees distrikkaya, distirikkaya ‘ambtsgebied’; Negerhollands distrikt ‘gebied’; Surinaams-Javaans (pen)dhistrikan ‘bewoond of gecultiveerd gebied buiten groot Paramaribo, districtssamenleving, dorpssamenleving’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

district ambtsgebied 1588 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut