Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dolik - (soort raaigras (Lolium temulentum))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dolik zn. ‘soort raaigras (Lolium temulentum)’
Mnl. dolik, dol(e)ke [1305; MNHWS]; vnnl. dolck ‘dolik’ [1599; Kil.].
Het woord is wrsch. een afleiding van → dol 1, omdat de plant verdovende eigenschappen heeft. Het zaad ervan is giftig. De naam behoort in dat geval tot de in het Nederlandse en Noord-Duitse gebied vaker voorkomende planten- en diernamen die gevormd worden met -k, zoals → ganzerik, → wederik. In het Middelnederlands bestond daarnaast ook een andere afleiding: dolre ‘dolik’ [1350-1400; MNHWS].
De plant heet in het Engels (bearded) darnel, wrsch. afgeleid van Frans (dial.) darnelle, darnette, dat verbonden wordt met woorden die een toestand van verdoving aangeven. De Franse naam is ivraie, dat wordt verbonden met ivre ‘dronken’. De Zweedse naam is dårrepe, letterlijk ‘gekkenraaigras’. De extensie van de wetenschappelijke naam, temulentum, betekent ‘beschonken’. Ook andere planten kunnen dergelijke namen krijgen: Duits Tollhafer, Tollkraut ‘dolle kervel’ (Grimm, DW II,641) enz.
Lit.: W. Meid (1967) Germanische Sprachwissenschaft III. Wortbildung, Berlin, par. 153

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dolik* [soort van raaigras] {dolik, dol(e)ke 1305} afgeleid van dol1 (vanwege de verdovende eigenschappen), vgl. hoogduits Tollhafer [dolik].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dolik znw. v. ‘lolium temulentum’, sedert Kiliaen die dolck noemt. Het woord is afgeleid van dol 2 wegens zijn verdovende eigenschappen. Ablautend staan daarnaast nnd. (pruisisch) dwelk, dwalch ‘onkruid in rogge’, maar ook twelk, twalch, hess. zwilch ‘onkruid in haver’, waaraan Kiliaen twalch, twalck beantwoordt. — Wegens zijn eigenschappen heet de plant in het nhd. tollhafer, schwindelhafer en zw. dial. svimmel. — Zie ook: raaigras.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dolik znw. “lolium temulentum”, dial. ook de naam van andere planten, sedert Kil.: “dolck. Fland. Lolium, gith”. Een afl. van dol II met hetzelfde suffix als dravik, deuvik enz., dus: “dolkruid, verdoovend, bedwelmend kruid”. Identische vormen in ’t Md. en Ndd. Vgl. voor de bet. ook o.a. duitsch tollhafer, schwindelhafer m., zw. dial. svimmel en fr. ivraie “lolium perenne”. Vgl. nog met ablaut ndd. (pruis.) dwelk, dwalch “onkruid in rogge”, waarnaast met opvallenden anlaut twelk, twalch “id.”, hess. zwilch “onkruid in haver”, Kil. “twalch, twalck. Ger. Sax. Sicamb. Lolium”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dolik v., + Ndd. dolik, met suff. -ik van dol 1, dus het bedwelmende kruid; dezelfde bet. heeft dol als eerste lid in samengestelde kruidnamen; vergel. in Hgd. tollbere, -kirsche, -kraut, enz. en Fr. ivraie van ivre.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dolik [+]: vlgs. WAT dies. as drabok (q.v.); Ndl. dolik (by Kil dolck), hou verb. m. dol, “mal”, n.a.v. bedwelmende eienskap v. d. kruid, en het dies. suf. as Ndl. dravik, maar dolik so min bek. dat dit in Afr. wdb. gew. ontbreek.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut