Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dromedaris - (eenbultige kameel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dromedaris zn. ‘eenbultige kameel’
Mnl. dromedaris ‘kameel’ [1240; Bern.], dromadaris ‘kameel’ [1287; CG II, Nat. Bl. D]; vnnl. Dromas ... Enen kemel, Dromedaris [1562; Kiliaan].
Ontleend aan Laatlatijn dromedarius (camelus) ‘dromedaris’ bij Latijn dromas, genitief dromadis ‘id.’, uit Grieks dromás (kamẽlos) ‘hardlopende (kameel)’ bij het zn. drómos ‘snelle loop, ren, race’.
Aanvankelijk werd er nauwelijks verschil gemaakt tussen een kameel en een dromedaris; als er onderscheid werd gemaakt was dat vaak anders dan tegenwoordig: rechte kemelen die ne draghen maer enen bult ‘echte kamelen hebben maar één bult’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], In de Oostelijke deelen van Asie vindt men er, die twee Bulten op de Rug hebben, wordende gemeenlyk Dromedarissen genoemd, hoewel de alleroudste Schryvers dien naam aan den gewoonen Kemel geven [1761-65; WNT]. Pas in 1793-95 legde Philipp Andreas Nemnich het woord dromedaris definitief vast voor de eenbultige kameel. Op een pakje Camel sigaretten staat nog altijd een dromedaris afgebeeld.
Lit.: Philipp Andreas Nemnich (1793-95) Allgemeines Polyglottenlexicon der Naturgeschichte, Hamburg

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dromedaris [eenbultige kameel] {dromedare, dromedaris 1201-1250} < oudfrans dromedaire of direct < laat-latijn dromedarius < grieks dromas (2e nv. dromados) [dromedaris], van dramein [hard lopen] (vgl. drentelen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dromedaris znw. m., mnl. dromedarijs, dromedaer < laat-lat. dromedarius een afl. van gr. dromás ‘lopend’. De mnl. vormen wijzen er op, dat het woord behalve uit het latijn ook uit het ofra. dromedaire ontleend werd, vanwaar het ook zijn weg vond naar nhd. dromedar. Sedert de voorslag van Nemnich 1793 wordt de naam nu gebruikt voor de kameel met één bult.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dromedaris znw., mnl. dromedarijs, dromedaer m. Uit laat-lat. dromedârius (een afl. van gr. drómas “looper”), òf direct òf door het Fr. (dromadaire, ofr. dromedaire). Ook hd. (reeds mhd.) de. zw. dromedar, eng. dromedary.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dromedaris m., Mnl. id., uit Mlat. dromedarius, een afleid. van Gr.-Lat. dromas = kameel, eigenl. = looper, van Gr. drameĩn = loopen + Skr. wrt. dram (z. treden).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

roemedoeres, zn.: onbesuisde jongen of meid. Vervorming van de diernaam dromedaris. Vgl. als scheldwoord 1785 gy botten drommedaris (WNT).

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

dromedaris s.nw.
Arabiese kameel met een knop.
Uit Ndl. dromedaris (al Mnl.).
Ndl. dromedaris uit Oudfrans dromedaire (12de eeu) of direk uit Laat-Latyn dromedarius, gevorm van Latyn dromas uit Grieks dromas (kamelos) 'hardlopende kameel', met lg. van dramein 'hardloop', so genoem omdat die kameel redelik vinnig kan beweeg.
D. Dromedar (13de eeu), Eng. dromedary (ongeveer 1280), It. dromedario, Port. dromedário, Sp. dromedario.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

roemedoeres onbesuisde jongen of meid (Leuven). ‹ dromedaris « laatlat. dromedarius, « verbogen nv. van gr. dromás (kamêlos) ‘lopende kameel’ (de 2e nv. was dromádos).
LB II 70.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

remedaar, (DB), zn. m.: dromedaris, sterk en doortastend mens. Uit dromedaar, wellicht begrepen als de romedaar.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

dromedaris, drommedaris: lomp persoon. Bij Tuinman vinden we de woordspeling dommedaris.

Wat ben je toch een misselyke Drommedaris, als je driftig bent. (Betje Wolff, Historie van den Heer Willem Leevend. 8 dln. 1784-1785)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dromedaris (Latijn dromadarius)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dromedaris hoefdier 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal