Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

emmeren - (zaniken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

emmer zn. ‘vat met hengsel’
Mnl. emer ‘emmer’ [1240; Bern.], emmer- ‘emmer-’ [1434; MNHWS].
Oude Germaanse ontlening aan Latijn ampora, een variant van amphora ‘tweeorige kruik’ (zie → amfoor), vandaar de Oudhoogduitse en Oudengelse vormen met a-. Daarna volksetymologisch geherinterpreteerd als samenstelling van ein (Hoogduits) of → een (Nederduits, Nederlands) en een ablautvorm van het werkwoord bēran- ‘dragen’ (zie → baren, → baar 1), vanwege het ene handvat aan de emmer.
Os. émbar (mnd. emmer); ohd. eimbarī(n), eimbar (nhd. Eimer). Daarnaast staan oudere vormen ohd. ambar (nog Oostenrijks-Duits amper), mnd. amber, ammer; oe. amber, ombor.
emmeren ww. ‘zeuren’ [1914; Dale]. Vergelijkbaar met de ontwikkeling bij woorden mierenneuken zou de moderne betekenis berusten op een oudere betekenis ‘geslachtsgemeenschap hebben’ [1972; Endt], en specifieker ‘sexuele omgang met paarden of koeien’ [1972; Endt]. Deze laatste betekenis berust volgens Endt op de gewoonte dat de bedrijver bij deze actie op een emmer gaat staan. EDale wijst hierbij specifiek op de huzaren. Deze verklaring is echter weinig overtuigend en berust niet op schriftelijke bronnen. Beter is het om emmeren te zien als een afleiding van het al in 1906 [Boeventaal] gesignaleerde scheldwoord emmer ‘hoer’.
Lit.: L. van de Kerckhove (1944) ‘De namen van de emmer in de Zuidnederlandse dialecten’, in: LB 36, 28-42

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

emmeren [zaniken, neuken] {1901-1925} oorspr. gezegd van huzaren, die staande op een omgekeerde emmer geslachtsgemeenschap met een paard zouden hebben. Voor de betekenisovergang naar ‘zaniken’ vgl. lullen en dreutelen.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

casinobrood [in een bus gebakken broodsoort] (1914). In 1914 verschijnt de vijfde druk van het woordenboek van Van Dale, onder redactie van P. J. van Malssen. Hij is de eerste die in een woordenboek onder meer de volgende woorden opneemt: casinobrood, diabolo (‘soort speelgoed’), dribbelen, emmeren (‘zaniken’), klaarkomen (‘orgasme hebben’) en trip (‘reisje’).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

emmeren zaniken 1914 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal