Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

erg - (slecht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

erg bn. ‘onaangenaam, slecht; hevig’, bw. ‘zeer’
Onl. arug ‘ontuchtig’ [10e eeuw; W.Ps.]; in het Vroegmiddelnederlands vooral als comparatief: argre ‘slechter’ [1240; Bern.], argher ‘slechter, verdorvenen (van personen)’ [1285; CG II, Rijmb.], ergere ‘minderwaardiger’ [1270-90; CG II, Moraalb.]; nnl. erg ‘zeer’ [1867; WNT].
De overgang van a- naar e- gebeurt in het Nederlands vaker in de combinatie ar- voor dentale of velare medeklinker.
Ohd. ar(a)g ‘laf, traag, slecht, ontuchtig’ (nhd. arg ‘slecht, erg’); ofri. erg ‘slecht, erg’ (nfri. erch, arch); oe. earg ‘laf, traag’; on. argr, ragr ‘laf, onmannelijk, ontaard’ (nzw. arg ‘boos’); Langobardisch arga ‘laf, traag’ [642; Edictus Rothari]; < pgm. *arga- ‘af, onmannelijk’. Zo ook ontleend in Fins arka ‘laf’. Werkwoordafleidingen zijn: mnd. argeren, ergeren ‘verslechteren, (zich) ergeren’; ohd. (gi)argoron ‘bederven, mis-, verleiden’ (nhd. ärgern ‘ergeren’); ofri. ergeria ‘erger maken’.
Verwantschappen buiten het Germaans zijn hoogst onzeker. Er is wel gedacht aan verband met Grieks órkhis ‘teelbal’ en Litouws arzús ‘geil’ maar dat wordt door Lloyd/Springer afgewezen. Ook weinig wrsch. is verband met Grieks orkheĩsthai ‘springen, dansen’ bij érkhesthai ‘komen’ en Sanskrit rghāyáti ‘hij beeft’. Bjorvand/Lindeman stelt herkomst voor uit pie. *h1orǵho- ‘besprongen, gedekt’ bij de wortel pie. *h1erǵh- ‘dekken’ (IEW 339).
Iemand arg noemen gold in de oudste teksten van alle Germaanse talen als een zeer zware belediging, vandaar het voorkomen in een rechtstekst als de ‘Edictus Rothari’. Het begrip ‘laf’ wordt daar ook met de passieve kant van homosexualiteit verbonden, zoals in het Oudnoords. De betekenis is in het Nederlands veralgemeend tot ‘hevig, gevaarlijk’ en in het bijwoord volledig afgezwakt tot ‘zeer’, eerst nog alleen in ongunstige betekenis, inmiddels algemeen. In de 17e eeuw is arg naast erg nog algemeen; thans is arg dialectisch in Noord-Holland en Groningen. In het Middelnederlands bestonden diverse samenstellingen en afleidingen met arg-, waarvan er nu nog slechts enkele zijn overgebleven: → argeloos, → arglist en → argwaan.
ergeren ww. ‘ontstemd maken; aanstoot geven’. Mnl. argren, ergren ‘beschadigen, schenden; schade lijden’ [1240; Bern.]. Afleiding van de vergrotende trap van erg, dus letterlijk ‘erger maken’. ♦ ergernis zn. ‘ontstemming; iets aanstootgevends’. Mnl. ergernisse ‘verslechtering’ [1240; Bern.], eerghernesse ‘ontstemming, iets aanstootgevends’ [1567; WNT]. Afleiding met → -nis van het werkwoord ergeren.
Lit.: F. Ström (1974) Níð, Ergi and Old Norse moral attitudes, London

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

erg1* [slecht] {oudnederlands arug 901-1000, middelnederlands a(e)rch, erch [kwaad, gemeen, schandelijk, gering]} middelnederduits ar(i)ch [slecht], oudhoogduits ar(a)g [gierig, laf, waardeloos], oudfries erg [slecht, erg], oudengels earg [laf, traag], oudnoors argr [pervers, laf, slecht]; ondanks uiteenlopende pogingen is de etymologie tot dusver onbekend gebleven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

arg- alleen in samenstellingen, als arglist, argwaan, mnl. arch ‘kwaad, slecht, boosaardig; gemeen, schandelijk. — De vorm arg wordt nog gebruikt in Noord-Holland en Groningen; overigens gebruikt men de vorm erg.

erg bnw., mnl. arch, erch ‘kwaad, waardeloos’, mnd. arch, arich ‘slecht’, ohd. arg, arag ‘gierig, laf, nietswaardig’, ofri. erg ‘slecht, kwaad, erg’, oe. earg ‘laf, traag’, on. argr (en door taboe ragr) ‘laf, slecht, pervers’, langob. arga ‘scheldwoord’ (bij Paulus Diaconus), got. *arga (blijkens sp. aragan ‘traag’ ). — Het is mogelijk, dat de oudste betekenis ‘pervers, ontuchtig’ was, dat zich daaruit die van ‘onmannelijk, laf’ ontwikkelde en dat de betekenis ‘slecht, boos, gemeen’ door invloed van het Christendom zou zijn te verklaren (Weisweiler, IF 41, 1923, 15 vlgg.).

De etymologie is omstreden: 1. bij gr. orchéō ‘in beweging zetten, bewegen’, orchéomai ‘dansen, huppelen’, oi. ṛghāyati ‘beven, sidderen’, av. ǝrǝghant ‘slecht’, lit. aržùs ‘wellustig’ (IEW 339). — 2. Sütterlin, IF 45, 1927, 307 vergelijkt oi. ṛhánt- ‘zwak, klein’ (daarbij ook toch. AB erkāt ‘geringschattend’?) — 3. J. Loewenthal, PBΒ 54, 1930, 157 wil aanknopen aan gr. archós ‘aars’! — Wat de verhouding arg : erg aangaat, is op te merken, dat e (< a ontstaan voor r + labiaal of gutturaal) tot de oostel. dialecten behoort, terwijl arg hollands is. — Het mnl. kent nog een znw. arch, erch ‘kwaad’, dat nu alleen over is in uitdrukkingen als zonder erg, erg hebben in.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

arg-, in de znww. arglist, argwaan = mnl. arch, waaruit ook nnl. erg. Zie aldaar.

erg bnw., mnl. arch, erch(g) “kwaad, slecht, waardeloos”. Met e uit a evenals sterk: in veel dialecten ontstond vóór r + labiaal of gutturaal e uit a. Zie arg. Germ. *arʒa- verder in: onfr. arug “perversa”, ohd. arg, arag “gierig, laf, nietswaardig” (nhd arg), mnd. ar(i)ch “slecht”, ofri. erg “slecht, kwaad, erg”, ags. earg “laf, traag”, on. argr (ook ragr) “laf, slecht“, langob. arga scheldwoord, got. *args (blijkens ’t ontleende spa. aragan “traag”). De bet. van oergerm *arʒa- schijnt “traag, niet flink” geweest te zijn. Een oudere bet. en verwanten buiten het Germ. zijn moeilijk op te sporen. Men heeft av. ǝrǝγant- “ijselijk, verschrikkelijk” vergeleken of wel: ier. orgim “ik sla”, gr. erékhthō “ik verscheur”, lit. rãgana “heks”. Semantisch aannemelijker is de combinatie met maced. arkón·skolḗ (ook anders verklaard): dan beteekent *arʒa-, idg. *arqó- of *arḱó- oorspr. “traag”. - Het onz. znw. mnl. arch, erch “kwaad”, ook “onheil”, nnl. nog slechts in enkele uitdrukkingen (erg hebben, zonder erg) komt ook in het Ohd. (Nhd.) Mnd. Ofri. voor. - Vgl. ergeren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

erg. Weisweiler IF. 41, 15 vlgg. maakt waarschijnlijk, dat de oudste bet. van germ. *arʒa- geweest is ‘wellustig, pervers, verwijfd, ontuchtig’. Uit de bet. ‘onmannelijk’ ontwikkelde zich dan ‘laf, traag’; de jongere bet. ‘slecht, boos, gemeen’ is onder invloed van het Christendom opgekomen. A. C. Bouman meent Tschr. 47, 114 vlgg. in het Mnl. nog sporen te vinden van de bet. ‘ontuchtig’.
De verwantschap buiten het Germ. blijft even onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

erg bijv., Mnl. erch, arch, Onfra. arug + Ohd. arc (Mhd. id., Nhd. arg) = gierig, laf, Ags. earg = laf, traag, Ofri. erg, On. argr (Zw. en De. arg), Go. *args (blijkens Finsch arka = laf en Sp. aragan = traag): niet buiten het Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1erg b.nw.
Sleg, onaangenaam.
Uit Ndl. erg (Mnl. arch, erch). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).

2erg bw.
1. Besonder, baie, in 'n hoë mate of graad. 2. (met oor en met) Heel danig, geheg.
In bet. 1 uit Ndl. erg (1866) 'baie'. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

erg I: “ongunstig, sleg”; Ndl. erg (Mnl. erch/arch), Hd. arg, verw. buite Germ. onseker; in Afr., soos in Ndl., as b.nw., bw. en s.nw. (bv. sonder erg) gebr., vgl. ook erg II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

erg ‘slecht’ -> Petjoh te erreg ‘uitroep van afkeuring’; Surinaams-Javaans èreg ‘slecht, ernstig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

erg* slecht 0901-1000 [WPs]

erg* bijwoord van graad: zeer 1866 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ergh- ‘schütteln, erregen, beben’ od. dgl., wohl Erweiterung von er- ‘in Bewegung setzen’.

Ai. r̥ghāyáti ‘bebt, tost, stürmt’;
gr. ὀρχέω ‘πάλλω, κινέω’, meist ὀρχέομαι ‘tanze, hüpfe, springe, bebe’.
Wegen der in er-3 ebenfalls vorliegenden Bed. ‘ἔρις’ u. dgl. können dazu in Beziehung stehen:
av. ǝrǝɣant- ‘arg, abscheulich’;
ahd. ar(a)g ‘feig, träge, böse, arg’, ags. earg ds., aisl. argr und mit Metathese ragr ‘unmännlich, wollüstig, schlecht’;
lit. aržùs ‘lüstern, sinnlich’.

WP. I 147 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal