Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

erker - (uitbouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

erker zn. ‘uitbouw’
Nnl. erkers (mv.) ‘id.’ [1901; WNT].
Ontleend aan Duits Erker ‘id.’, dat teruggaat op de Picardische vorm arquiere van Frans archière, archère ‘erker, balkon’, Oudfrans arciere, archiere [13e eeuw; Rey] < middeleeuws Latijn *arcuaria ‘schietgat’ een gesubstantiveerde vrouwelijke vorm bij het bn. arcuarius, een afleiding bij Latijn arcus ‘boog’, zie → arcade.
Het woord stamt uit de vestingbouw en duidde oorspr. een uitbouw op de muur aan, van waaruit men aanvallers kon beschieten met pijl en boog. Later werd het algemeen ‘uitbouw’. Het Duitse woord heeft in de standaardtaal een oudere ontlening aan het Franse woord, namelijk arkel, erkel, arkener ‘balkon’ [1599; Kil.], verdrongen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

erker [uitbouw] {1901-1925} < hoogduits Erker < oudfrans arquiere [schietgat] < middeleeuws latijn arcuarium [uitbouwsel voor boogschutters], van arcus [boog], arcuarius [boogschutter], vgl. engels bow-window [erker].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

erker znw. m., eerst 19de eeuw < nhd. erker, mhd. arkere, arker, erker(e) sedert de 12de eeuw < oudnoordfra. arquiere ‘schietgat’ < mlat. *arcuarium gevormd van lat. arcus ‘boog’. In de bet. ‘schietgat’ reeds mnl. archier, arker, erker, mnd. arkener, arkenel, erkener, erker, erkel. Kiliaen kent arckel, arckener, erckel in de bet. ‘podium, projecta’. Maar in de bet. ‘uitbouw aan een gevel’ is het opnieuw uit het nhd. ontleend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

erker znw. Nnl. uit hd. erker m. < mhd. ärker, erker m., dat evenals mnd. arkener, arkenel, erkener, erker, erkel m., mnl. archier, arker, erker m. “borstwering”, Kil. arckel, arckener, erckel “podium, proiecta” uit oudnoordfr. arquiere “schietgat”, wsch. ook “uitbouw waar de schutters staan” ontleend is. Dit is een afl. van lat. arcus “boog”. De afl. van de germ. woorden uit het mlat. mv. arcora is niet aannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

arkel m., gelijk Hgd. erker en Fr. archière (waaruit Mnl. arkier) uit Mlat. arcariam (-ia) = schietgat, van Lat. arcus = boog.

erker , : z. arkel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

erker (Duits Erker)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

erker uitbouw 1901 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut