Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flank - (zijkant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

flank zn. ‘zijkant’
Vnnl. flanck ‘zijlinie van een vestingwerk’ in Tusschen beyde dese bollwercken leyt noch een aerde punte dienende tot flancque van de wallen [1591; Schulten 1966], ‘zijkant van een opgestelde legerafdeling’ in de flancken ende vleughels vande Muskettieren [1641; WNT vleugel I]; nnl. flancquen (van een paard) [1778; WNT smeer II].
Ontleend aan Frans flanc ‘zijde van een lichaam’ [1080; Rey], zelf een Germaans leenwoord, regelmatig ontwikkeld uit Frankisch *hlanka ‘zijde van het lichaam’.
Flank is daarmee hetzelfde woord als mnl. lanke ‘onderlijf, buik’, oorspr. ‘zijde, lende’ [1240; Bern.]. Verwante woorden in andere Germaanse talen zijn: ohd. (h)lanca ‘heup, lende’ (mhd. lanke), gi(h)lenki ‘taille’ (met collectiefvormend voorvoegsel; mhd. gelenke, verruimd tot nhd. Gelenk ‘gewricht, schakel’); oe. hlencan ‘wapenuitrusting, harnas’ en misschien ook hlanc ‘slank, dun’ (ne. lank ‘mager’); me. link, lynke ‘kettingschakel’ (< on., zie → link 1 ‘verbinding’); on. hlekkr ‘ketting, kettingschakel’ (nijsl. hlekkr; nzw. länk), hlykkr ‘kromming’; < pgm. *hlankja-. Misschien is ook → links verwant.
Buiten het Germaans noemt men wel Latijn clingere ‘ombinden’, maar daarvan zijn geen betrouwbare attestaties.
flankeren ww. ‘aan de zijde(n) dekken of begeleiden’. Vnnl. als militaire term flankeren ‘aan een flank dekken’ [1599; Kil.] maar ook juist omgekeerd ‘in de flank aanvallen’ [1628; WNT] (alleen in de 17e eeuw); overdrachtelijk en dan meestal in de combinatie geflankeerd door ‘aan een zijde aangevuld met’ [1840; WNT]. Ontleend aan Frans flanquer ‘aan de zijde dekken’ [1555; Rey], ‘aan een flank dekken (militair)’ [1564; Rey], ‘aan een zijde aanvallen’ [1596; Rey]; afleiding van flanc.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flank [zijkant] {flanc(k), flancque [zijde van een legertroep] 1591; als ‘zijkant van lichaam’ 1853} < frans flanc, uit het germ., vgl. oudhoogduits (h)lanca [heup, lendenen], middelnederlands lanke, lanc [idem], oudengels hlanc [buigzaam], oudnoors hlekkr [boei]. Voor de uitdrukking in de flank vallen [in de smaak vallen] vgl. flanken [op een gedekte tafel alles zo arrangeren dat het een harmonisch geheel wordt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

flank znw. v., eerst nnl. < fra. flanc ‘liesstreek’ < frank. *hlanka ‘heup’ (vgl. ohd. hlanca ‘heup, lendenen’). Eerder dan het znw. schijnt het ww. flanquer te zijn overgenomen, blijkens het bij Kiliaen vermelde flankeeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

flank znw., nog niet bij Kil., die wel flankeeren kent (wsch. al laat-mnl.; < fr. flanquer). Uit fr. flanc “zijde” (waarvan flanquer), dat uit ʼt Germ. (ohd. (h)lancha, zie linker) wordt afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

flank v., uit Fr. flanc, van Ohd. hlancha = heup (z. link 2). — Somwijlen werd Germ. begin-h voor cons. in ’t Fr. f: z. flauw, frak, rijm 1 en roek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

flank s.nw.
1. (militêr) Sykant van 'n gevegseenheid. 2. Gedeelte van die sykant van 'n dier, veral 'n perd. 3. Sykant van sommige ander voorwerpe. 4. (rugby) Losvoorspeler aan die kant van die skrum.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. flank (1641 in bet. 1, 1778 in bet. 2, 1901 in bet. 3). In bet. 4 uit S.A.Eng. flank (1960). Ontlening in bet. 4 uit S.A.Eng. is waarskynliker as 'n eie ontwikkeling in Afr. In 1956 met die verskyning van WAT II is bet. 4 hierbo nog nie vermeld nie, terwyl die vol vorm flank forward reeds in 1937 in S.A.Eng. opgeteken is (Silva 1996).
Ndl. flank uit Fr. flanc uit Frankies *hlanka 'sy, heup'. In die 16de eeu was Fr. invloed op militêre gebied groot. Eng. flank is 'n verkorting van flank forward (1937).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

flank (Frans flanc)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

flank ‘zijkant’ -> Russisch fláng ‘zijkant’; Oekraïens fláng ‘zijkant’ <via Russisch>; Wit-Russisch flang ‘zijkant’ <via Russisch>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flank zijkant 1591 [Schulten Tw. 9] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

567. In de flank vallen,

d.w.z. in den smaak vallen, naar den zin zijn. Vgl. Harreb. I, 192: Het viel hem in de flank; De Ploeg, VI, 286: Dat dit streven bij mij in de flank valt, behoef ik niet te verklaren; Boekenoogen, 208: De nieuwe dokter valt erg in de flank. Dat viel heelemaal niet in de flank. Vgl. voor de verklaring het ww. flanken, een harmonisch geheel vormen (gezegd van schotels op een gedekte tafel); oostfri. in de flanken stân (Ten Doornk. Koolm. I, 500).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal