Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flemen - (vleiend spreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

flemen ww. ‘vleiend spreken’
Nnl. fleemen ‘vleien’ in hy strijckt, hy streelt, hy fleemt [1624-58; WNT]. Daarnaast ook fleemig ‘vleierig’ [1622; WNT] en fleem ‘vleierij’ [1634; WNT].
Herkomst onduidelijk. Wrsch. een nevenvorm (volgens NEW een jonge, maar dat lijkt gezien de wijde verspreiding niet wrsch.) van mnl. fleeuwen ‘vleien’, zoals ook West-Vlaams schremen (Fries skrieme, Engels scream, Zweeds skräma) staat naast → schreeuwen; maar een duidelijke verklaring voor de wisseling w - m is niet voorhanden. Mnl. fleeuwen kan weer een nevenvorm zijn van Duits flehen en (zie verder aldaar) Nederlands → vleien.
Nfri. flieme; andere Germaanse verwanten met -m- zijn er niet, of het zou nzw. flämta ‘hijgen’ moeten zijn, volgens Hellquist van klanknabootsende herkomst.
Het vnnl. kent ook een zn. fleem ‘klap’ of ‘wond’ [1607; van Leeuwen]; deze betekenis herinnert aan nnl. fleeren ‘vleien’ naast flere ‘snijwond’.
Lit.: W. de Vries (1915), ‘Etymologische Aantekeningen: fleemen’, in: TNTL 34, 10-11; van Leeuwen: verslag van Jacob Willemsz. van Leeuwen, hoofdman van de schutterij te Leiden, geciteerd in Handelingen en mededeelingen van de Mij. der Ned. Letterkunde 1895-1896, 183

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flemen* [vleien] {1624} vorming die gelijkt op middelnederlands fleeuwen, vleuwen [vleien].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

flemen ww., eerst na Kiliaen en dus wel een jonge vorming. Naar de bet. te oordelen hoort het bij mnl. fleeuwen, vleeuwen, een bijvorm van vleien, evenals vla. schremen naast schreeuwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fleemen ww., nog niet bij Kil. Blijkbaar in de plaats gekomen — onder invloed van femelen? Vgl. echter wvla. schreemen: schreeuwen — voor ʼt bij Kil. “vetus” genoemde mnl. fleeuwen, vleeuwen “vleien, smeeken”, een bijvorm van vleien (gevormd naar schreeuwen: schreien?). Ook fri. flieme “fleemen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fleemen o.w., vervormd uit Mnl. fleeuwen (z. vleien).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flemen* vleien 1624 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut