Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fort - (vestingwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fort zn. ‘goed versterkte vesting, bastion’
Vnnl. fort ‘id.’ in de Spaennaert moesten wt Antwerpen ende wt alle forte oft sterkte gaen ‘de Spanjaarden moesten Antwerpen en alle versterkte vestingen en bastions verlaten’ [1577; WNT]. Ouder is het synoniem mnl. fortresse [ca. 1300; MNW].
Ontleend aan Frans fort ‘id.’ [13e eeuw; Rey], substantivering (via vaste verbindingen als château fort) van het bn. fort ‘sterk’ [eind 10e eeuw; Rey], ontwikkeld uit Latijn fortis ‘sterk, krachtig, moedig’ < Vroeglatijn forctis, waarvan de verdere herkomst onbekend is. Andere woorden die op hetzelfde Latijnse fortis teruggaan zijn bijv.forceren, → fors en → comfort.
Fortresse, nog bij Kiliaan en Meijer bekend maar daarna verouderd, is ontleend aan Frans forteresse [ca. 1130; Rey], dat synoniem is met fort in deze betekenis. De oorsprong van dat woord ligt wrsch. in vulgair Latijn *fortaricia (BvW) of in middeleeuws Latijn fortalitia (BDE).
Zowel in het Nederlands en het Engels als in het Frans bestonden er op een bepaald moment twee concurrerende vormen naast elkaar: fort en fort(e)resse (Engels fortress). In het Nederlands had fort uiteindelijk de sterkste positie omdat het nauwelijks polyseem is. Het Engels en het Frans hebben nog steeds beide vormen.
Een ander woord dat teruggaat op Latijn fortis is fort ‘sterke kant (van een persoon)’ in dát's nou juist zijn fort! [1849; WNT lint].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fort1 [vestingwerk] {1577} < frans fort < latijn fortis (vgl. forte).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fort znw. o., sedert Kiliaen < fra. fort eig. ‘sterk’. Ouder-nnl. fortresse, mnl. forteresse < ofra. forteresse.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† fort znw. o. Sedert Kil. Ontleend aan fr. fort ‘sterkte’, het gesubstantiveerde bnw. fort ‘sterk’. Reeds mnl. is fortresse v., dat tot in de 19e eeuw voorkomt, uit fr. forteresse.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fort, forteres o. resp. v., reeds Mnl., uit. Fr. fort en forteresse; het tweede is dimin. van het eerste, en dit is het zelfst. gebr. bijv.nw. fort. Lat. fortem (-is) (z. fors).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

fort: het fort, (hist.) de stad Paramaribo. Daarom vergunt men hen [slaven], vooral op plantagie*, alwaar hiervoor meer gelegenheid is, als aan het fort, kweek te houden, dat is vogelen op te kweken, die zij dan verkopen () (Lammens 1822; 1982: 113). - Etym.: Het stichten van de stad bestond in het aanleggen van het fort Zeelandia. George Warren spreekt (in vertaling) in 1669 (p. 5) van ‘een klein dorp’ dat het Fort genoemd wordt. In het S heet de stad nog steeds ‘foto’. - Samenst. ook: binnenfort*. Opm.: Lammens gebruikt voor ‘in de stad’ overal aan het fort (zie het cit.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fort: “vesting, kasteel”; Ndl. fort (sedert Kil, by vRieb fort, v. Kloe HGA 317) uit Fr. fort, “sterkte” (as gesubst. adj. fort, “sterk”, vgl. fors; daarnaas van Mnl. tot 19e eeu fortresse uit Fr. forteresse.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fort (Frans fort)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fort ‘vestingwerk’ -> Ambons-Maleis fort ‘vestingwerk’; Negerhollands fort ‘vestingwerk, kasteel’; Papiaments fòrti (ouder: forti) ‘vestingwerk; aanduiding van Fort Amsterdam op Curaçao’; Sranantongo foto ‘stad; plaats; vestingwerk’; Arowaks forto ‘de stad, Paramaribo’ ; Karaïbisch fo'to ‘de stad, Paramaribo’ ; Tiriyó poto ‘stad, Paramaribo’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fort vestingwerk 1577 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

fort Europa, Europa gezien als een hermetisch gesloten vesting, waaruit asielzoekers meer en meer geweerd worden. De term fort Europa roept wrange herinneringen op aan Hitlers Festung Europa.

Hij deelt die fantasie niet, hij vermoedt dat vooral Oost- en Middeneuropese regeringen met een uittocht dreigen om sneller hulp van het Westen te krijgen. Toch ziet hij het Fort Europa ontstaan. En hij belijdt eerlijk zijn ambivalentie: ‘Er is een grens aan onze tolerantie.’ (Elsevier, 16/11/91)
Na januari 1993 moet Europa zo goed beveiligd zijn dat een vluchteling er nog maar moeilijk inkomt, is het idee van de politiek. Een nieuw IJzeren Gordijn, maar nu op initiatief van de EG. Een idee dat in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar lijkt. Dat merkte fotograaf John Reardon die de ellende en wanhoop vastlegde bij de laatste gaten in het fort Europa. (Nieuwe Revu, 09/01/92)
Laura Balbo, een Italiaanse parlementariër, heeft eens geanalyseerd welke fantasieën mensen hebben over het toekomstig verenigd Europa. Zo is er volgens haar een groep die vreest dat ons continent een ‘Europees Fort’ wordt, dat wil zeggen een sterk economisch en militair blok dat niet openstaat voor immigranten, laat staan voor hun cultuur. (Opzij, januari 1992)
Een minister voor Vreemdelingenzaken (in welk EG-land ook) is in essentie bezig met het bewaken van zijn deeltje van het Fort Europa tegen vreemde indringers. (De Morgen, 25/04/92)
Het fort Europa is bezig de poorten te sluiten door verscherpte immigratiewetgeving en beperkingen van het asielrecht. (HP/De Tijd, 18/06/93)
Een middel tegen hoge muren rond het fort Europa is de snelle uitbreiding van de EG, met de Scandinaviërs en Oostenrijkers. (Elsevier, 31/07/93)
Op 14 juni 1985 kwamen Duitsland, Frankrijk en de Benelux in het Luxemburgse grensplaatsje Schengen overeen de personencontroles aan hun grenzen af te schaffen. Het akkoord moest ook een wal opwerpen rondom het Fort Europa. (Vrij Nederland, 11/06/94)
Schengen als hulpmiddel voor versterking van Fort Europa. Een bastion met barsten, want het onderling wantrouwen van de verdedigers is nog groot. (Elsevier, 25/06/94)
Het Front National heeft in Toulon de macht. Daar speelt het in op de angst voor de vreemdelingen en dweept het met koning Clovis die al vijftienhonderd jaar geleden de Fransen als uitverkoren volk beschouwde. ‘Fort Europa’ à la extreem rechts. (Trouw, 17/08/96)
aanduiding voor de interne Europese markt, waartoe buitenlandse, met name Amerikaanse en Japanse, bedrijven moeilijk toegang zouden krijgen; het isolationisme van de Europese Gemeenschap.
Fort Europa: benaming voor de interne markt, met name gebruikt door het Amerikaanse en Japanse bedrijfsleven, die er een voor derden (hermetisch) gesloten vestingwerk in zien. De aanvankelijke jubelstemming bij de Amerikaanse en Japanse bedrijven die zich verheugden op grandioze exportmogelijkheden als na 1992 een grote Europese (consumenten)markt ontstaat, sloeg (tijdelijk) om in vrees toen het steeds duidelijker werd dat de Europese Gemeenschap een prijs zou gaan vragen voor het openstellen van haar markt (vrije toegang op basis van wederkerigheid). Die vrees nam zo’n dramatische vorm aan dat men in zakenkringen sprak van een Fort Europa, waartoe exporteurs van buiten de EG (niet of) nauwelijks toegang hebben. De Europeanen houden hun interne markt voor zichzelf, was een veel gehoorde klacht. (Prisma van Europa, 1992)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut