Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gaard - (omheinde tuin)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gaard(e) zn. ‘omheinde tuin’
Onl. (sterk zn. m.) in *olecharde ‘in/van de bijentuin’ [8e eeuw; LS], bom gard ‘boomgaard’ [950-1000; Pr.gloss.], (zwak zn. m.) gardo ‘tuin’ [ca. 1100; Will.]; mnl. (v.) gaerde ‘tuin, hof’ [1300-50; MNW-R], (m.) gaert ‘id.’ [1370-1410; MNW-R].
Os. gard ‘omheind perceel’; ohd. gart ‘kring, omheinde tuin’; oe. geard ‘omheind perceel’ (ne. yard ‘id.’); on. garðr ‘tuin, omheining, hof, hofstede’ (nzw. gård); got. gards ‘huis’; < pgm. *garda- ‘omheining’. Daarnaast: os. gardo ‘ingesloten ruimte, tuin’; ohd. garto ‘id.’ (mhd. garte ‘id.’, nhd. Garten ‘id.’); ofri. garda ‘id.’; got. garda ‘veeperk, erf’; < pgm. *gardōn- ‘omheinde ruimte’. Ontleend aan het Germaans Oudfrans jart, jardin ‘tuin’ (Nieuwfrans jardin), Picardisch en Normandisch gardin ‘id.’, waaruit ne. garden ‘id.’.
Verwant met: Sanskrit gṛhá- ‘huis, woonplaats’; Litouws gardas ‘stal, perk’; Oudkerkslavisch gradŭ ‘stad, tuin’ (Russisch górod ‘stad’, Tsjechisch hrad ‘burcht, slot’); Frygisch -gordum ‘stad’; Albanees gardh ‘heg’; bij pie. *ghor-dh- ‘omheining’, uitbreiding van pie. her- ‘grijpen, (om)vatten’ (IEW 442-444). Eveneens verwant met Latijn hortus ‘tuin’, zie → hortus, cohors (genitief cohortis) ‘omheinde plaats; legerafdeling’; Grieks khórtos ‘omheinde plaats, weide, domein’; Sanskrit hárati ‘brengt, draagt, neemt’, háras- ‘het nemen, grijpen’; Oudiers gort ‘bouwland, gewas’, lub-gort ‘tuin’; bij pie. *ghor-t- ‘omheining’, een andere uitbreiding van pie. her- ‘grijpen, (be)vatten’ (IEW 442). Verwant zijn ook → gordel, → gorden.
De beide Nederlandse vormen zijn al in het Middelnederlands synoniem, maar ze zijn afkomstig van verschillende stammen. Gaard is ontstaan uit een oude mannelijke a-stam, gaarde uit een n-stam. In de hedendaagse taal komt gaard(e) vrijwel alleen nog voor in samenstellingen als bo(om)gaard, wijngaard, diergaarde en kloostergaarde.
Het woord → tuin heeft een gelijkaardige betekenisontwikkeling van ‘omheining’ naar ‘het omheinde’ meegemaakt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gaard1*, gaarde [omheinde tuin] {gaerde [tuin] 951-1000} oudsaksisch gardo, oudhoogduits garto, oudfries garda [tuin], gotisch garda [erf]; dit woord is gekruist met middelnederlands gaert [tuin], oudsaksisch gard, oudhoogduits gart [ingesloten ruimte], oudengels geard [omheinde ruimte, hof, woning] (engels yard), oudnoors garðr [omheinde ruimte, hof], gotisch gards [hof (in samenstellingen), huis], te verbinden met latijn hortus [tuin], grieks chortos [weide, gras]. De stammen van beide woorden hangen onderling nauw samen en tevens met die van gord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gaard 1 znw. m. ‘omsloten tuin- of moesterrein’. Er zijn twee woorden te onderscheiden: 1. mnl. gaerde m. v. ‘tuin’, os. gardo, ohd. garto (nhd. garten), ofri. garda ‘tuin’, got. garda m. ‘stal’ (= nnl. gaarde) en 2. mnl. gaert m. (oud in boomgaert), os. gard m. ‘ingesloten ruimte’, mv. ‘hof, huis’, ohd. gart m. ‘chorus, tuin’, oe. geard m. ‘omheinde ruimte, hof, woning’ (ne. yard), on. garðr ‘omheinde ruimte, hofstede, omheining’, got. gards m. ‘huis’. — Daarnaast on. gerð v. ‘omheining, gordel’, got. gairda ‘gordel’.

In het idg. staan in de betekenis ‘vlechten; omheinen, omgorden’ naast elkaar de wortels *gherdh, vgl. oi. gṛha- ‘huis’, av. gǝrǝda ‘hol’, alb. garth ‘heg’, osl. gradŭ ‘burcht, stad; tuin’, lit. gar̃das ‘omheinde ruimte’, gardìs ‘hek’ (en met andere dentaal-auslaut: lat. hortus ‘omsloten erf’, gr. chórtos ‘omheinde ruimte’, oiers gort ‘seges’) en ĝherdh vgl. lit. žar̃dis ‘omheinde weide’, žardas ‘gestel van stangen (voor het drogen van het graan)’, opr. sardis ‘omheining’ (IEW 444). — Wat osl. gradŭ en lit. gar̃das betreft, beschouwt Stender-Petersen, Slav. Germ. Lehnwortkunde 255 vlgg. deze als aan het germaans ontleend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gaard znw. Hierin zijn twee woorden samengevallen: 1. mnl. gaerde m. v. “tuin”, = ohd. garto (nhd. garten), os. gardo, ofri garda m. “tuin”, got. garda m. “stal” (gaarde komt nnl. nog voor); — 2. mnl. gaert m. (zelden en laat. wsch. onder du. invloed; maar boomgaert is ouder) “tuin”, = ohd. gart m. “chorus, tuin”, os. gard m. “ingesloten ruimte”, mv. “hof, huis”, ags. geard m. “omheinde ruimte, hof, woning” (eng. yard), on. garðr m. “omheinde ruimte, hof, hofstede, omheining”, got. gards m.“huis” (in samenst. ook “tuin, omsloten ruimte”). Of met idg. t en dan = ier. gort “korenveld”, lat. hortus “tuin”, gr. khórtos “ingesloten ruimte, weide, voer”, òf met idg. dh en dan ’t nauwst met lit. żar̃dis “groote omheinde weide”, phryg. -zordum “stad” verwant. Zoowel *ĝhor-to-(n-) als *ĝhor-dho-(n-) kunnen van den wortel ĝher- ”(om)vatten” komen, zie gorden. Minder wsch. is, dat de germ ʒ een idg. velaar is en dat obg. gradŭ “stad, burcht, tuin”, lit. gar͂das “afsluiting van takken”, alb. garϑ-δi “hek, heining”, phryg. -gordum “stad”, oi. gṛhá- “huis” verwant zouden wezen: de slav. en balt. woorden komen wsch. uit ’t Germ. (vgl. ook wijngaard). Evenzoo de rom. groep van fr. jardin “tuin”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gaard (slot). Pleidooi voor de ontl. der slav. (en balt.) woorden uit het Germ. bij Stender-Petersen Slavisch-germanische Lehnwortkunde 255 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gaarde v., Mnl. gaerde m. & v., Os. gardo m.: is het m. zw. nw. besproken bij gaard.

gaard 1 m., Mnl. gaert, gaerde, Os. gard, gardo + Ohd. gart, garto (Mhd. garte, Nhd. garten), Ags. geard. (Eng. yard), Ofri. garda, On. gardr (Zw. gard, De. gaard), Go. gards, garda: het eerste is een m. st., het tweede een m. zw. nw.+ Skr. wrt. har omsluiten, Gr. khórtos = grasveld, Lat. hortus = hof, Oier. gort, met -dh-suff. Alb. gerd =tuin, Lit. žaȓdis = omheinde weide: van denz. wortel als gorden, dus omgording, omheining. — Osl. gradŭ = muur, stad (Ru. gorod = stad), Lit. gaȓdas komen uit het Germ. ; hieruit ook Ofra. gardin (van waar Eng. garden) en Nfra. jardin.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

jaad, zn.: tuin. Met Rijnlandse j voor gaard. Mnl. gaerde ‘tuin’, Os. gardo, Ohd. garto, D. Garten. Maar ook Mnl. gaert ‘tuin’, Os., Ohd. gard ‘ingesloten ruimte’, Oe. geard ‘omheinde ruimte, hof’, E. yard. Verwant met Lat. hortus ‘tuin’, Gr. khortos ‘ingesloten ruimte’ bij Idg. *gher- ‘omvatten’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

gaorden, goorden, gaor, gaoren tuin (Achterhoek, Twente). = nl. gaarde = hgd. garten = tweede deel van nl. boomgaard = got. gards ‘huis’. ~ lat. hortus ‘tuin’, gr. khórtos ‘omheinde ruimte’. Of de slavische en baltische vormen in bv. Belgrado, Novgorod, Petrograd en lit. gãrdas ‘omheinde ruimte’ oerverwant of aan het germ. ontleend zijn, is onzeker.
WALD 1987, 55, NEW 279, Dijkhuis 304.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gaard (tuin) en afgeleid van een werkw., dat omringen, omsluiten bet. (vgl. gordel); gaard is dus: de omringde plaats; Hgd. Garten, Oudfr. gardin, later jardin; Lat. hortus (de h en de g zijn verwant); Russisch: gorod = stad, bijv. Novgorod; Got. garda = stal, – alle dus: een afgesloten plaats.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gaard ‘omheinde tuin’ -> Frans jardin ‘tuin’ Frankisch; Bretons jardin ‘tuin’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gaard* omheinde tuin 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal