Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gleuf - (lange, smalle insnijding, spleet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gleuf zn. ‘lange, smalle insnijding, spleet’
Vnnl. gleuf ‘smalle insnijding, spleet’ in de zaamenkomst der ... gleuven word vertoond in de Uitbeelding ‘de plek waar de gleuven (in het zeisvormig middenschotvlies van de hersenen) samenkomen is te zien in de afbeelding’ [1690; WNT zeis]; nnl. gleuve, gleuf ‘soort geul of uitholling’ [1832; Bilderdijk], gleuf ‘rotsspleet, kloof’ [1840; Bomhoff EN ravine].
Pas in de 19e eeuw in de standaardtaal. In oostelijke dialecten gleuve; deze vorm komt voor naast de wijder verspreide vorm glief, glieve ‘gleuf, kier’. De vorm gleuve zou terug kunnen gaan op een variant van de Proto-Germaanse wortel, met een achtervoegsel dat umlaut veroorzaakt (zie → heugen); ook het Oost- en Noord-Fries en het Nedersaksisch kennen glöve naast de gebruikelijke vorm glīve. Mogelijke verwanten buiten het Germaans zijn onduidelijk.
De vorm glieve kan teruggaan op pgm. *gleubō-, waaruit ook on. gljúfr ‘kloof’ < *gleubaz. De pgm. wortel *glub-, nultrap bij *gleub-, lijkt samen te hangen met de wortel *glupp-/glūp- zoals in gewestelijk glop ‘steeg’ en → gluipen, en kan teruggaan op een pre-Germaans wortel *glub- ‘openen, splitsen’, uit een substraattaal. Zie verder → glippen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gleuf* [spleet] {1858} vgl. oudnoors gljūfr [rotsspleet], oostfries glīfe [gleuf]; eerst uit de 19e eeuw bekend, doch stellig een oud woord, zie gluipen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gleuf znw. v., laat-nnl. voorkomend, maar toch wel oud, vgl. oostfri. glöve en on. gljūfr. o. ‘kloof’, nnoorw. dial. gjuv ‘kloof’, gjuvr ‘scherpe kant aan een rotshelling’. Deze alleen germ. groep vooronderstelt een idg. *ghleubh, die een wisselvorm van *gleubh zou kunnen zijn, waarvoor zie: kloof. Daarnaast staat echter ook *sleubh, waarvoor zie: sleuf.

Dat woorden van deze aard allerlei bijvormen kunnen hebben, tonen nog nl. dial. glive (achterh.) glief, glieve (gron.), oostfri. glife ‘gleuf, kier’, dus met een ander vocalisme. — Vgl. nog dial. gloof (Dussen) ‘groef, scheur op kloofvlak van een klomp’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gleuf znw. Ofschoon eerst laat-nnl. voorkomende, kan gleuf een oud woord zijn, verwant met ags. glof o. “klip”, on. gljûfr o. “groep van puntige steenen (speciaal mv. voor “steenen aan weerszijde van een rotskloof”), rotsspleet”. Verwanten hoogerop zijn niet bekend, wel van de anlautvariant, bij klieven besproken, die wsch. ouder is. Op eenige wijze moet gleuf met sleuf en met achterh. glîve, gron. glief, glieve, oostfri. glîfe “gleuf, kier” samenhangen -, hoe, dat is niet duidelijk, zooals trouwens de betrekkingen tusschen zooveel woorden met gl- onderling en in verband met woorden met sl- duister zijn. Zie bijv. glibberig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gleuf. Ags. glof o. ‘klip’ bestaat niet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gleuf v., + Oostfri. glife, On. gljúfr (De. gjuv) + Gr. phlúphein, Ru. glubĭ = diepte, verwant met sleuf en gluipen.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

gleuf: (vulgair) vrouw. Oorspronkelijk in het Leids studentencorps (maar thans ruimer verbreid). Het grootste deel van de scheldwoorden voor vrouwen refereert aan het vrouwelijk geslachtsdeel. Gleuf heeft hier dus de betekenis van ‘vagina’ en wordt overdrachtelijk gebruikt. Vgl. verder nog: doos*; kut*; muts* en trut*. Zie ook hockeygleuf*. Meestal worden deze woorden in samenstellingen gebruikt. In de jeugdtaal van eind vorige eeuw werd een burgermansvrouw vaak denigrerend een bu-gleuf genoemd (zie Onze Taal, december 1987). Zie ook: kier*

Vooral zo’n ontgroeningskamp, waar de nieuwe leden ‘foeten’ heten en de meisjes zich laten aanspreken met ‘gleuven’, is nauwelijks te bevatten. (Trouw, 19/11/1988)
De meeste vrouwen die ik ken, lopen de hele dag over hun kerel te klagen. God, wat kunnen gleuven zeuren. (Heleen van Royen, De gelukkige huisvrouw, 2000)
Wij noemden meisjes vroeger gleuven. Zeggen jullie dat nog steeds? (Onno te Rijdt, Mores, 2001)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gleuf* spleet 1858 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

gleuf; gleufdoos (oorspronkelijk slang voor ‘vagina’, hier meton. gebruikt), denigrerend voor ‘meisje, vrouw’. Voornamelijk Leidse studententaal. Gerrit Komrij gebruikte ooit de term onwelriekende gleuvenbrigade om de verzamelde feministen mee aan te duiden. Soldaten gebruiken de term gleufdier.

De verhalen dat vrouwen aan de bittertafel betiteld worden als gleufdozen, is dat nou waar? (Haagse Post, 20/08/88)
Opnieuw bereed hij de verpleegsters uit zijn studententijd, ook de hautaine gleuven die hem destijds hadden afgewezen. (Harrie Jekkers en Koos Meinderts: Kunst met peren, 1988)
Een nuldejaars is een foet, een vrouw is een gleuf. (Nieuwe Revu, 19/01/89)
Zeg gleuf, doe mij een biertje.(De Volkskrant, 14/01/89)
Wie liever niet tussen het schorriemorrie zit, kan beter naar Klein Zwitserland of Kampong gaan kijken. Maar ja, daar lopen weer die door jou zo verachte gleuven van je broer Tom de sfeer te verkankeren. (Nieuwe Revu, 22/03/95)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal