Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

guit - (deugniet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

guit zn. ‘deugniet’
Vnnl. ou ghi guytken comt ghi hier om met mi te ghecken ‘o jij schurkje, bedriegertje, kom jij hier om mij om de tuin te leiden, te bespotten?’ [1516; MNW-P], hi schoyde gelijc een guyte ‘hij trok rond als een landloper’ [1544; MNW-R], guyte ‘schurk’ [1500-50; MNW], ‘grappenmaker, nietsnut, klaploper’ [1574; Kil.]; nnl. guitje ‘snaak, deugniet’ [1752; Marin].
Vermoedelijk afgeleid van het Middelnederlandse werkwoord ghoiten ‘uitschelden, spotten’ [1425; MNW], later gu(i)ten ‘leeglopen, bedelen, gekheid maken’ [1588; WNT], van onbekende oorsprong. Er is gedacht aan mogelijke verwantschap met Oudnoords gautan ‘geleuter’ [FvW] en gauta ‘veel praten’ [EDale], met Hoogduits gauzen, gäuzen ‘keffen, uitschelden’ en Vroegnieuwnederlands guiteren ‘keffen’ [1599; WNT guiten I]. Ook suggereert men wel verwantschap met Noors gutt ‘jongen’ (NEW); gezien herderguyt ‘herdersjongen’ [17e eeuw; WNT], guit ‘jongen’ [18e eeuw; WNT] en Zeeuws guits, guu(t)s (mv.) ‘jongens’ (in neutrale betekenis) (WNT) zou dit hetzelfde woord kunnen zijn. Het Noorse woord zou echter ook ontleend kunnen zijn aan het Nederlands.
In de 18e eeuw wordt de schertsende vleinaam een rechte guit nog een oneigenlijke betekenis genoemd [1710; Halma], maar tegenwoordig is guit, evenals guitig, alleen nog maar in niet-criminele betekenis gebruikelijk [1914; van Dale], wellicht onder invloed van het verkleinwoord guitje, eerst nog ‘onwaardig kind’ [1573; Thes.], dan ook het gujtjen ‘Cupido’ [1621; WNT], guitje “kleine guit, platje”, Cupido, de Min si een guitje dat niemand ontziet [beide 1717; Marin]. Daarnaast werd guitagtig “in geval van vryagie als een vleyend, streelend woord gebruikt”, guitaftige oogen, een guitagtig, een hoeragtig gelaat [alle 1717; Marin].
Van guit afgeleid is wrsch. Frans gueux ‘bedelaar’, zie → geus 1 ‘vrijheidsstrijder’.
guitig bn. ‘schalks’. Mnl. guitlich ‘spottend, bedrieglijk’ [1400-25; MNW-R]; vnnl. guytse, guytsche ‘schurkachtige’ [1619; WNT], guitiger ‘bedorvener’ [1635; WNT]; nnl. guitachtig ‘schurkachtig’ [1776; WNT], ‘olijk’ [1807; WNT], guitig ‘schalks’ [1831; WNT]. Met de uitgang → -ig afgeleid van guit, met eenzelfde betekenisontwikkeling.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

guit* [deugniet] {guyte, guut 1501-1550} van middelnederlands gu(i)ten, goiten [spotten], nederduits güt(e), fries gut, vgl. oudnoors gautan [gezwets], noors gauta [veel praten, pralen]; vermoedelijk klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

guit znw. m., laat-mnl. guyte, oostfri. güte, güt ‘snaak, guit’, fri. gūt ‘guit, bedrieger’. Het woord is moeilijk te scheiden van nnoorw. gǔt, zw. dial. gutt ‘jonge man, knaap’, dat men verklaart als ‘opschepperige jonge man’ en het dan verbindt met noorw. dial. gauta ‘veel praten, pralen’, on. gautan ‘gezwets’, nhd. dial. gauzen, gäuzen ‘blaffen, schelden’, laat-mnl. guyten, gûten ‘spotten, schimpen’ (Falk-Torp 1, 362). — Zie ook: geus 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

guit znw., laat-mnl. guyte m. = oostfri. güte, gü̂t “snaak, guit”, fri. gút “guit, bedrieger”. Wsch. een jong woord. Misschien van later-mnl. guyten, gûten (gron. goyten) “spotten, schimpen” (nnl. dial. van allerlei geluiden), dat desnoods met on. gautan v. “geleuter” met een formantische t, idg. d bij de basis ĝhu-”roepen” (zie God) kan hooren, waarvan misschien ook dial. ndl. (Zaansch) guien “gieren” van den wind, on. geyja “blaffen”; ook echter kunnen al die woorden jong en onomatop. zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

guit m., + Fri. gut(e): oorspr. onb. Het oude meerv. guits wijst op ontleening uit Hgd. kauz = uil, snaak, verwant met kauw. Guits, waaruit Fra. gueux, is dus eigenlijk een enk., wegens de s als meerv. opgevat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

guus(t), guusten zn.: kinderen. Ook ’n klein guusje ‘een klein kind’. Misschien wel de voornaam Guus(t), korte vorm van August. Of – m.i. niet waarschijnlijk – meervoud op -s van guut > guit (Weijnen)?

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

guus, huus, huust kinderen (Zeeland). Met -s gevormd meervoud van heterfoon van nl. guit (= noors gut ‘jongen’), dat verwant is met guiten ‘luid spotten’, zaanl. guiten ‘schreeuwen’ en met ablautend noors dial. gauta ‘veel praten’.
WNT V 1224-1228, NEW 225-226, Weijnen tnegentig 91-93 (andere etymologie).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

guit ‘deugniet’ -> Duits dialect Güüt, Güütje ‘deugniet’;? Noors gutt ‘jongen’; Frans gueux, gueuse ‘bedelaar; (verouderd) deugniet; prostituee; meelijwekkend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

guit* deugniet 1501-1550 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal