Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haard - (stookplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

haard zn. ‘stookplaats’
Mnl. hert ‘stookplaats’ [1240; Bern.], in de samenstelling eertstede ‘domicilie, thuis’ [1353; MNW], hert ook ‘domicilie, thuis, stamgoed’ [15e eeuw; MNW hert], ook heert, heerd [1340-60; MNW-R], haert [1350; MNW hert].
Misschien bij een Proto-Indo-Europese wortel met grondbetekenis ‘branden, gloeien, heet maken’, maar de verwantschap daarmee is speculatief. De ontwikkeling van mnl. hert naar nnl. haard, met rekking en verandering van de klinker, is kenmerkend voor woorden met korte -e- voor r + dentaal, zoals bijv.aarde uit onl. ertha, → staart uit mnl. stert, → lantaarn uit mnl. lanterne.
In deze betekenis alleen West-Germaans: os. herð (mnd. hērt); ohd. herd (mhd. hert ook ‘woning’, nhd. Herd); ofri. herth (nfri. hurd); oe. heorð (ne. hearth); < pgm. *herþa-. Daarnaast zonder dentaal, ablautend (nultrap), en met verwante betekenissen: on. hyrr ‘vuur’ (nno. hyr ‘vonkje’); got. haurja (mv.) ‘kolen’; < pgm. *hur-ja- ‘vuur, kool’.
De verbinding met een dentaal -þ- komt alleen in het Germaans voor. Speculatief is verwantschap met: Latijn carbō ‘(houts)kool’ (zie → carbonpapier); Grieks kéramos ‘pottebakkersaarde’ (zie → keramiek); Sanskrit kūḍaya- ‘verschroeien’; Litouws kùrti ‘aansteken’; Oudkerkslavisch kuriti sę ‘roken, dampen’ (Russisch kurít' ‘roken’); < pie. *ker- ‘branden, gloeien, heetmaken’ (IEW 571). Mogelijk dus van substraatherkomst.
Oorspronkelijk werd het vuur op vastgestampte bodem gestookt. Deze stookplaats lag midden in de woonruimte en was het middelpunt van de huiselijke activiteit; het begrip kon hierdoor semantisch uitgroeien tot ‘woning’ en, algemener, ‘landgoed’. Relicten van deze betekenisuitbreiding zijn bijv. voor outer en heerd (outer = altaar), in België bekend als de leuze van de boeren tijdens de Boerenkrijg (1798) en de uitdrukking van huis en haard gescheiden zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haard1* [stookplaats] {he(e)rt, haert 1350} oudsaksisch herth, oudhoogduits herd, oudengels heorð, verwant met oudnoors hyrr [vuur], gotisch hauri [kool]; buiten het germ. latijn carbo [(houts)kool], mogelijk grieks keramos [pottenbakkersaarde], lets kurt, litouws kurti [stoken], oudindisch kūḍayati [hij verzengt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haard znw. m., mnl. hert, heert, haert m. ‘haard, stamgoed’, os. herth ‘haard’, ohd. herd ‘hardgestampte bodem voor het haardvuur’, ofr. herth, hirth ‘haard, stamgoed’, oe. heorð (ne. hearth) ‘haard’, dus een zuiver westgerm. woord. Toch zal het oud zijn, want het behoort bij on. hyrr ‘vuur’, got. hauri ‘kool’. — oi. kūḍayāti ‘verzengt’, kuṇḍdatē ‘brandt’, osl. kuriti ‘rookt’, krada ‘oven’, lit. kuriù, kurti ‘stoken’, kárštas, lett. kā̂rsts ‘heet’ (IEW 571).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haard znw., dial. heerd, mnl. hert, heert, haert (d) m. “haard, stamgoed”. = ohd. hërd m. “bodem”, speciaal “bodem om een vuur op te branden” (nhd. herd; ook ohd. hërda v.), os. hërth m. “haard”, ofri. hërth, hirth m. “haard, stamgoed”, ags. heorð m. (eng. hearth) “haard”, germ. *χer-þa-. Wsch. met lett. zeri “glutsteine”, po. trzon “haard, vuurhaard”, russ. čéren “komfoor, kolenpan, zoutpan” verwant; de oorspr. bet. was dan “kuil om in te stoken”: van de idg. basis qer-âx-) (waarnaast men met ’t oog op lat. carbo “kool” wel qar- aanneemt), waarvan ook lat. cremo “ik verbrand”, (niet obg. krada “brandstapel”; zie raat), lit. kársztas “heet”, krósnis “kachel” komen. Gr. kérnos, -on “offerschaal” zal wel niet hierbij hooren, ook van got. haúri o. “kool”, on. hyrr m. “vuur”, lit. kuriù, kúrti “stoken” is dat onzeker. Zie nog harst. Minder wsch. is de combinatie van haard met gr. krótos “het slaan”, lit. kertù “ik sla met kracht”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] haard. Uit ’t Gr. kan kéramos “pottenbakkersaarde, voorwerp daaruit” nog verwant zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haard m., Mnl. haert, heert, hert, Os. herth + Ohd. herd (Mhd. hert, Nhd. herd), Ags. heord (Eng. hearth), Ofri. herth; verder misschien On. hyrr = vuur. Go. hauri = kool + Gr. kéramos = potaarde, Lat. cremare = branden, carbo = kool, Ru. čeren = komfoor. Po. trzon = haard, Lit. krósnis = kachel: Idg. wrt. qer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

heerd (zn.) haard, stookplaats; Vreugmiddelnederlands hert <1240>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

herd 2, heerd, zn.: woonvertrek; dorsvloer. Hetzelfde woord als Ndl. haard ‘stookplaats’, wat de oorspr. betekenis is. Hieruit groeide de bet. ‘woonplaats’ en ‘bodem, vloer’. Vgl. Ohd. herd ‘vloer’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

haard s.nw.
1. (verouderd) Vuurmaakplek in 'n huis of kombuis. 2. Tuiste, huis, sentrum van die gesinslewe. 3. Middelpunt, fokus van 'n verskynsel.
Uit Ndl. haard (Mnl. haert, hert, heert in bet. 1 en 2, 20ste eeu in bet. 3), of bet. 3 het mntl. in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Herd (9de eeu), Eng. hearth (700).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

herd, hèèrd woonvertrek (Brabant). = nl. haard ‘stookplaats’. Vgl. ohgd. herda ‘bodem’. De betekenis ‘stookplaats’ is de oorspronkelijke. Vgl. Lets ceri ‘gloeistenen’, lat. carbo ‘houtskool’, lat. cremare ‘verbranden’.
WBD 36-37.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

herd: – erd – , “vuurherd, es” (WAT); Ndl. haard/heerd, lg. veral in dial. (Mnl. hert/heert/haert), Hd. herd, Eng. hearth, hoofs. WGerm., maar verw. verderop, bv. Oslaw. kurti, “stook”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

haard ‘bron’ (bet. van Latijn focus)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

haard

‘Een haard van besmetting. De haard van de opstand.’ (Van Dale)

Aan het begin van de eeuw werd haard in de zin van ‘centrum, middelpunt, brandpunt’ als een grof germanisme (D. ‘Herd’) afgekeurd.

Nu wordt het echter algemeen als ingeburgerd beschouwd. De enige die het nog als een germanisme vermeldt is Koenen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haard ‘stookplaats; (verouderd) stenen vloer in leerlooierij’ -> Fries haard ‘stenen vloer in leerlooierij’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haard* stookplaats 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

765. Eigen haard is goud waard,

d.w.z. een eigen tehuis, een eigen woning is veel waard. Dit in vele talen algemeen gebruikt spreekwoord komt in de latere middeleeuwen voor bij Goedthals, 24: eyghenen heerd is gouts weert; Prov. Comm. 336: eyghen heert es gout weert, est quasi qui proprius aureus ipse focus; Campen, 122; Sart. I, 2, 59: eyghen haert is gout waert; Spieghel, 292; Idinau, 84:

Men secht ghemeynlijck: Eyghen heerdt
Dats eyghen woonste, en s' huys verlichten,
Midts ruste en vrydom, is prijsens weerdt;
Maer eyghen bedde, gaet boven s' goudts ghewichten.
Die vrydom verachten, zijn der slaven nichten.

Mlat Est dictum verum privata domus valet aurum (Werner, 27); zie verder Bebel, 453: proprius focus auro comparandus; mhd. vil guot ist eigen gemach; Wander II, 527: eigener Herd ist Goldes wert; eng. the smoke of a man's own house is better than the fire of another; Ndl. Wdb. v, 1436.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ker(ǝ)-3 ‘brennen, glühen, heizen’

Ai. kūḍayāti ‘sengt’ (*kr̥̄-d-, d. i. *kerǝ-d-); nasaliert kuṇḍatē ‘brennt’; über kuṣāku-, kaṣā́ku- s. unten;
zweifelhaft lat. carbō, -ōnis m. ‘Kohle’ (idg. *ker-dhō?), von Specht Idg. Dekl. 266 zur Farbwurzel ker- (*ker-bhō?) gestellt;
got. haúri n. ‘Kohle’, aisl. hyrr m. ‘Feuer’ (*hurja-, idg. *ker-i̯o-);
ahd. herd, as. herth, ags. heorð ‘Herd’; ahd. harsta ‘frixura’, gahurstit ‘frixus’, mnd. harst ‘Rost (zum Braten)’, ags. hierstan ‘rösten’, hierstepanne ‘Bratpfanne’;
lit. kuriù, kùrti ‘heizen’, kūrénti ‘fortgesetzt heizen’, kùrstyti ‘schüren’, lett. kur’u (kurstu), kurt, frequent. kur̃stît, kurinât ‘heizen’, aksl. kurjǫ, kuriti sę ‘rauchen’, kurenьje ‘Kohlenfeuer’ usw.; balt. kūr-, slav. kur-, müßten bei dieser Deutung Ablautsneubildungen zu *kŭr aus einer idg. Red.-Stufe o sein; eine andere Deutung unter (s)ker- ‘schneiden’;
lett. cęri ‘Glutsteine’, cęras ‘Inbrunst’, cerêt ‘lieben, sehnen, hoffen’; russ. čeren ‘Salzpfanne der Salzsiedereien’, klr. čereń ‘Boden des Back- und Kochofens, Feuerherd’, poln. trzon ‘Herd’;
lit. kárštas ‘heiß’, kar̃štis ‘Hitze’, lett. kar̂sts ‘heiß’, kar̂sêt ‘erhitzen’, (*kor-s-); wozu als ‘hitzig’ auch lit. ker̃štas ‘Zorn’, kerùs, kerìngas ‘zornvoll’, kir̃šti ‘zornig werden’; wohl zu ai. kuṣāku- ‘brennend; Feuer, Sonne’ und kaṣāku- ‘Feuer, Sonne’ (beide mind. aus *kr̥šāku-; vgl. arm. xaršem ‘koche, brenne’ aus intensivem *khr̥s-); vgl. Mühlenbach-Endzelin Lett.-D. Wb. I 375, II 164.
Eine verwandte Wurzelf. krā-s- als ‘Feuerglanz, Glut’, woraus teils ‘rot’, teils ‘leuchtend, hell, schön’, in aksl. krasa ‘venustas, pulchritudo’, russ. krasá ‘Schönheit, Zierde, Schmuck’, aksl. krasьnъ ‘schön, angenehm, weiß gekleidet’, russ. krásnyj ‘rot, schön’, čech. krásný ‘schön’, alt auch ‘licht, glänzend’ und ‘rötlich’ (usw.); lett. krāsus ‘schön’ ist russ. Lw.
Ein aus ker- erweitertes *k(e)r-em- sucht man in lat. cremō, -āre ‘verbrennen (tr.)’, umbr. krematra Pl. *crematra ‘Art Gefäß zum Braten des Fleisches, Braten’;
dazu als ‘Decoct’ auch cremor ‘der aus aufgeweichten Getreidekörnern oder sonst aus Pflanzen gewonnene Saft, Brei’; ferner gall. κόρμα, κοῦρμι, air. coirm n., mcymr. cwrwf, acorn. coref, coruf ‘Bier’, wozu vielleicht ai. karam-b(h)á- m. ‘Grütze, Brei’, kulmāṣa- m. ‘saurer Schleim von Früchten, saurer Reisschleim’; vgl. ferner toch. В kark-, kärk- ‘braten, rösten’.

WP. I 418 f., WH. I 165 f., 287 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal