Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hachje - (leven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hachje zn. ‘leven’
Vnnl. hachte ‘afgesneden stuk’ [1599; Kil.], haghje, hachjen ‘een stuk vlees of spek’ [1617; WNT], snijt een hacht [1635; WNT]; al vroeg overdrachtelijk ‘alles, zijn hele bezit’ in het haghjen is haast op [1662; WNT], je bent het hiele hagje kwyt [1691; WNT], ook ‘leven’ in in gevaar ... van het hagjen in te schieten ‘gevaar ... het leven te verliezen’ [1670; WNT]. Verouderd, behalve in de betekenis ‘leven’, vooral in diverse vaste verbindingen, zoals bang voor zijn hachje ‘bang om zijn leven te verliezen’ [1897; WNT], zijn hachje redden, zijn hachje erbij inschieten, etc.
Oorspr. een verkleinwoord van hacht ‘(afgesneden) stuk vlees of spek’, dat vooral een woordenboekenwoord was en in de praktijk vrijwel uitsluitend in de vorm hachje werd gebruikt, met assimilatie van de -t- zoals gebruikelijk in de medeklinkercluster -chtj- (zoals in zachtjes); deze wegval kon ook in de schrijftaal doordringen, omdat het grondwoord hacht niet meer bekend was. De verdere etymologie is bij gebrek aan oudere vindplaatsen en verwante woorden buiten het Nederlands onduidelijk. Mogelijk afgeleid van het alleen in Vroegnieuwnederlandse woordenboeken gevonden werkwoord hachten ‘hakken’, dat een nevenvorm van → hakken zou zijn. Anderen veronderstellen ontwikkeling van ft > cht zoals in → achter, uit een ouder *haft, dat dan bij de stam van → heffen hoort; heffen betekent in het Middelnederlands ook ‘hakken’: enen slach heffen.
Dit woord moet niet verward worden met het gelijkluidende, maar verouderde zn. hachje ‘waaghals’, waarbij ook hacht ‘id.’, waarvan de herkomst onbekend is. Evenmin verwant is het eveneens verouderde zn. hach ‘gevaar’ < mnl. hacht < hachte ‘id.’, waarvoor zie → hachelijk. Deze homoniemen kunnen elkaar qua betekenis wel beïnvloed hebben.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hachje2* [leven] {1655 in de betekenis ‘stuk’} in de uitdrukking zijn hachje erbij inschieten is ‘hachje’ een verkleiningsvorm van hacht [brok, kerf], van eind 16e-eeuws hachten [hakken]; de betekenis is dus: zijn brok vlees of iets dergelijks, zijn levensonderhoud, ten slotte het leven, erbij inschieten.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

hachje

In een paar uitdrukkingen komt het woord hachje nog voor: hij is bang voor zijn hachje, hij heeft er zijn hachje bij ingeschoten. De betekenis is: leven. Hachje is ontstaan uit hachtje. Naast hacht staat haft, evenals graft naast gracht. Graft vindt men nog in plaatsnamen zoals Westgraftdijk. Haft hangt weer samen met een oud-Germaans werkwoord dat: hakken, houwen betekent. Een haft is dus: een afgesneden stuk. Een hagje ham is nog in de 18e eeuw heel gewoon en komt bijvoorbeeld in de blijspelen van Langendijk voor. Hachje kan dus ook betekenen: een smakelijk stuk, een lekkere hap. Z’n hachje kwijt zijn is: z’n buit, z’n prooi, het beste dat men bezit, kwijt zijn. Daaruit is dan ontstaan: datgene waarop de mens het meeste prijs stelt, namelijk zijn leven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hachje 2 znw. o. in de uitdrukking het hachje er bij inschieten is het dial. nnl. hachje, hachtje ‘stuk, brok,’ behorend bij het door Kiliaen genoemde hacht, hachte ‘brok, kerf, insnijding’, dat bij hachten ‘splijten, afsnijden’ hoort en die met hakken verwant zullen zijn. Zo kon hachtje ‘stuk vlees of spek’ gaan betekenen en er werd dan weer het ww. hachelen ‘gulzig eten’ van afgeleid.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hachje II (het hachje erbij inschieten e.dgl. uitdrr.) znw. o. = nndl. dial. (ook fri.) hach(t)je “stukje”, een demin. van hacht(e) “stuk”, bij Kil. ook “kerf, insnijding”, dat wsch. evenals Kil. hachten “splijten, afsnijden” van den stam van hakken gevormd is. Voor de bet. van nnl. hachje vgl. oudnnl. het hach(t)je kwijt zijn 1. “zijn winst of bezit kwijt zijn”, 2. “de laatste kans verkeken zien”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hachje 2 o., in er het hachje bij inschieten, dimin. van hacht.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Hachje (Het) kwijt zijn, er bij inschieten. Hachje beteekent hier leven, bij overdracht; eigenl. een stuk, in den zin van lekker brokje, prooi; de oorspr. bet. is toch: afgesneden stuk, vooral van eetwaren, b.v. bij Langendijk (II, 267) : “een hagje ham. Uit de beeldspraak van een beest, dat een stuk vleesch verliest, kon de latere bet. komen. Hachje komt van hachtje voor haftje (vgl. gracht, hechten, kocht), van een ww. dat verwant is met heffen, dat vroeger ook houwen, slaan beteekende. Niet te verwarren met het woord in de volgende uitdrukking:

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hachje ‘leven’ -> Duits dialect † Hachje ‘leven, moet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hachje* leven 1670 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

768. Het hachje er bij inschieten,

d.w.z. het leven er bij laten; er zijnen kakelare laten (Esopet, Hansop, 7; De Bo, 481); fri. it hachje dêr by ynskjitte. Het znw. hachje, oorspr. hachtje, beteekent eigenlijk een stuk, een brok (vgl. 't is een hachje, met een galgebrok, 17de eeuw: stucke diefsEene andere gissing geeft Gallée in Tijdschrift XVII, 62.; thans: zoo'n stuk verveling - ongeluk en dergelijke; ook een smakelijk stuk vleesch, een lekker beetje. Zoo zeide men vroeger het hachje laten glijden, eig. de prooi, den buit prijs geven, zich verwonnen verklaren; en het hachje kwijt zijn, den behaalden buit, zijn (gansche) bezit kwijt zijn of de laatste kans verkeken hebben. Ook: het leven kwijt zijn, tenzij dat men het leven heeft beschouwd als het laatste, wat iemand rest of als datgene, wat iemand, als een dier zijne prooi, krampachtig en tot het uiterste verdedigt, in welke meening men versterkt wordt door de Hagelandsche uitdr.: zijne kaas aan iets laten, zijne kaas ieverans laten, Antw. er zijne(n) keès bij inschieten, d.i. het leven er bij inschieten; en zijne kaas geven, d.i. sterven (Tuerlinckx, 298; Rutten, 104). Toen nu eenmaal hachje synoniem was geworden met leven, kon ook de uitdr. ontstaan: het hachje er bij inschieten, zijn leven verliezen of zooals men vroeger zeide er den bek (of den gaper) bij inschieten. Vandaar ook bang voor zijn hachje zijn, voor zijn leven (ook: voor zijn lichaam) bevreesd zijn. De uitdr. is opgeteekend uit Focquenbroch, Eneas, bl. 107 vs. 37; zie verder Ndl. Wdb. V, 1499; 1507 vlgg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut