Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

halen - (bij zich brengen, bereiken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

halen ww. ‘bij zich brengen, bereiken’
Mnl. halen ‘bij zich brengen’ [1265-70; CG II, Lut.K], seil halen ‘zeil halen, het zeil hijsen’ in begonde een scip ... sijn seil te haelne ende woude vorbi [1365-85; MNW-R]; vnnl. het niet kunnen halen bij iets ‘(bij onderlinge vergelijking) zelfs niet in de buurt komen’ [1624; WNT]; nnl. halen ‘bereiken (door moeite of inspanning)’ in hij haalt den wal [1822; WNT], ik begon te vrezen dat ik het niet halen zou [1844; WNT].
Os. halon (mnd. halen); ohd. halōn, holōn ‘trekken, brengen’ (mhd. haln, holn; nhd. holen ‘halen’); ofri. halia ‘wegpakken’ (nfri. helje ‘halen’); oe. geholian ‘verkrijgen’ (maar me. halen ‘slepen, trekken’ (ne. hale, haul) is ontleend aan het Oudfrans); on. hala (< mnd.; nzw. hala ‘aanhalen, aantrekken’); < pgm. *halōjan- ‘halen’. Als zeemansterm ontleend door het Frans: haler ‘hijsen (van zeilen), voortslepen’ [begin 12e eeuw; Rey]; ook Spaans halar, Portugees alar.
Buiten het West-Germaans komt het woord, behalve als ontlening, niet voor. De verdere herkomst is dan ook onduidelijk. Traditioneel verbindt men het met Latijn calāre ‘uitroepen, samenroepen’ en Grieks kaleĩn ‘roepen, noemen’, zie → hel 2, waarbij men een grondbetekenis ‘hierheen roepen’ veronderstelt; dat lijkt semantisch niet direct aannemelijk en blijft dus speculatief. Nog minder wrsch. is verband met Grieks kálōs ‘touw, kabel’, een woord dat geheel geïsoleerd staat. Mogelijk is het Germaanse woord overgenomen uit een lokale voor-Indo-Europese substraattaal.
Al in het vroegste, 13e-eeuwse, Middelnederlands heeft halen een groot deel van de huidige rijke schakering aan betekenisnuances, inclusief adem halen; afzonderlijke datering daarvan is dan ook niet zinvol, evenmin als beschijving van betekenisontwikkelingen. Wel relatief jong is de al dan niet abstracte betekenis ‘bereiken’, waarbij dus de handelende persoon bij het doel komt in plaats van andersom. Hetzelfde geldt voor het abstracte gebruik het (niet) halen bij in vergelijkingen, vaak met een niet-persoon als onderwerp.
Zie voor enkele afleidingen → inhalen, → verhaal, → verhalen.
behalen ww. ‘verwerven, door inspanning verkrijgen’. Mnl. behalen ‘id.’ [1440; MNW]. Afleiding met → be-, dat hier geen duidelijke betekenis toevoegt. Min of meer synoniem met (de betreffende deelbetekenis van) halen, maar nooit met een concreet voorwerp of een persoon als object.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

halen* [(bij zich) brengen, bemachtigen] {1265-1270} oudsaksisch, oudhoogduits halon, oudfries halia, oudengels geholian, middelengels halen (engels to hale to haul); niet bekend buiten het germ., waardoor de etymologische verklaring onzeker blijft. In de uitdrukking het haalt er niet bij heeft halen de betekenis van ‘bereiken’, vgl. de trein halen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

halen ww., mnl. hālen ‘trekken, machtig worden, halen, verkrijgen, verhalen op’, os. halōn, ohd. halon, ofri. halia, me. halen (ne. hale, haul) ‘trekken, halen’, vgl. nog oe. geholian. — Het woord is uitsluitend westgerm. (want on. hala werd uit het mnd. overgenomen en werd later in het fra. als haler ontleend); dit maakt de etymologie moeilijk.

Er zijn verschillende verklaringen gegeven: 1. bij gr. kaléō ‘roepen, noemen’, lat. calō ‘uitroepen, samenroepen’ (IEW 548-9). Dan dus ‘halen’ < ‘er bij roepen’, wat weinig bevredigend is; maar men zou kunnen denken aan het roepen bij het gemeenschappelijk trekken van zware voorwerpen. — 2. Mansion PBB 33, 1908, 547-570 verbindt met gr. kálōs ‘touw, kabel’, dat echter ook geïsoleerd is. — 3. Holthausen IF 44, 1927, 191 vergelijkt arm. khatem ‘verzamelen, uitdrukken’, khil ‘hand’, wat ook weinig overtuigend is. — Zo blijft de mogelijkheid, dat wij aan een substraatwoord moeten denken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

halen ww., mnl. hālen “trekken, machtig worden, halen, verkrijgen, verhalen op”. = ohd. halôn (naast ablautend holôn, nhd. holen), os. halon, ofri. halia, meng. halen (eng. to hale, to haul; ags. alleen geholian) “trekken, halen” (en daaruit ontstane bett.). Omdat het ohd. woord ook = lat. “vocare” voorkomt, heeft men halen met lat. calâre “oproepen” enz. (zie hel II) gecombineerd. Deze ohd. bet. is echter secundair; de oorspr. bet. is veeleer “trekken”. De combinatie met gr. kálōs “touw” is mogelijk, maar onzeker. Uit het Germ. fr. haler “trekken”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

halen o.w., Mnl. id., Os. halon + Ohd. id. en holôn (Mhd. holn, Nhd. holen), Ags. geholian, Ofri. halja; niet buiten het Westgerm.; hieruit Fr. haler, vanwaar Eng. to hale = voortsleepen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hole (ww.) halen; Vreugmiddelnederlands halen <1265-1270>.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

halen. Van de duivel en de dood wordt gezegd dat zij hun slachtoffers halen. Daaraan moet men denken bij de verwensing de duivel hale u! of moet u halen! De betekenis in het hedendaags Nederlands is ‘maak dat je wegkomt, sodemieter op’. → duivel, haring, koekoek, moord, spade.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Halen, van den Germ. wt. hal = luid klinken, roepen, bijeenroepen, waaraan verwant is ’t Lat. calare = bijeenroepen. Zie Helder. Wat men „bijeenroept” of „haalt”, doet men komen, verkrijgt men. Zoo kreeg halen de bet. van iets verkrijgen, door ergens heen te gaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

halen ‘(bij zich) brengen, bemachtigen’ -> Deens hale, hale an, hale dør, hale tot ‘(vaak over schepen en touwen) slepen; trekken tot het touw strak staat’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors hale ‘slepen, trekken, met lange, krachtige grepen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds hala ‘iets naar zich toe trekken; neerstrijken’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans haler ‘(maritiem) trekken aan, (een boot) trekken vanaf de kust of oever door middel van een koord; het waaien van de wind in één richting’; Italiaans alare ‘(maritiem) trekken aan, (een boot) trekken vanaf de kust’ ; Spaans halar ‘aan een touw trekken’ ; Baskisch alatu ‘trekken aan een touw, naar zich toe trekken, binnenhalen’ ; Soendanees ala ‘bemachtigen, nemen, inoogsten, afhalen’; Negerhollands haal, hael, hāl ‘trekken, weghalen’; Sranantongo (h)ari (ouder: hali) ‘trekken, rukken’; Aucaans ali ‘(bij zich) brengen, bemachtigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

halen* (bij zich) brengen, bemachtigen 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

776. Niet halen bij iemand (of iets),

d.w.z. niet met iemand of iets vergeleken kunnen worden. Vroeger ook het niet kunnen halen bij iemand of iets, het in vergelijking van iemand of iets niet even ver kunnen brengen, waarin halen de bet. heeft van bereiken (vgl. den trein halen), en vandaar met iemand of iets niet kunnen vergeleken worden, in eenig opzicht niet nabijkomen; Harreb. III, 28; Ndl. Wdb. V, 1582. In het Land v. Waas; aan iets of iemand niet kunnen halen; fri. it hollet der net by.

1217. Dat haalje (mochtje, dankje) de koekoek,

d.i. dat wil ik waarachtig wel gelooven, dat zal wel waar zijn!; eig. zeker! als het niet waar is, dan moge de koekoek (= de duivel) je halen. De koekoek is oorspronkelijk de aan Donar gewijde vogel, later onder invloed van het Christendom aan den duivel gewijd of de duivel zelf. Reeds in de 17de eeuw was koekoek de naam voor den duivel. Vgl. Niermeyer, 53; Sloet, De Dieren in het Germ. Volksgeloof en Volksgebruik, 198; Volkskunde XXII, 162; Tuinman I, 96; Harreb. I, 427 a en de uitdr: afgekoekoeks (duivels) koud; loop naar den koekoek, loop naar den duivel; vgl. ook dat dankje de duivel, de bliksem en dergelijke; syn. dat geeft je de kat dankBij Alewijn, Philippyn, Mr. Koppelaar, Amsterdam, 1707, bl. 14.; dat dank je de poes (Harreb. II, 190); hd. hol's der Kuckuck (Grimm V, 2526); voor het nd. vgl. Eckart, 300.

1217. Dat haalje (mochtje, dankje) de koekoek,

d.i. dat wil ik waarachtig wel gelooven, dat zal wel waar zijn!; eig. zeker! als het niet waar is, dan moge de koekoek (= de duivel) je halen. De koekoek is oorspronkelijk de aan Donar gewijde vogel, later onder invloed van het Christendom aan den duivel gewijd of de duivel zelf. Reeds in de 17de eeuw was koekoek de naam voor den duivel. Vgl. Niermeyer, 53; Sloet, De Dieren in het Germ. Volksgeloof en Volksgebruik, 198; Volkskunde XXII, 162; Tuinman I, 96; Harreb. I, 427 a en de uitdr: afgekoekoeks (duivels) koud; loop naar den koekoek, loop naar den duivel; vgl. ook dat dankje de duivel, de bliksem en dergelijke; syn. dat geeft je de kat dankBij Alewijn, Philippyn, Mr. Koppelaar, Amsterdam, 1707, bl. 14.; dat dank je de poes (Harreb. II, 190); hd. hol's der Kuckuck (Grimm V, 2526); voor het nd. vgl. Eckart, 300.

2344. Iemand het vel over de ooren halen,

d.i. iemand afzetten, uitzuigen, uitkleeden, in 't hemd zetten (Hooft, Ned. Hist. 233); mnl. enen villenVgl. Men moet een schaap scheren maar niet villen; fr. bon berger tond ses brébis et ne les écorche pas, il est maladroit d'exiger trop des gens qu'on fait payer, d'épuiser leurs ressources; eene gedachte, die in de middeleeuwen reeds vrij gewoon is (zie Maerlant, Stroph. Ged3, bl. 198) en aan het lat. is ontleend: boni pastoris est tondere pecus non deglubere (Suet. Tib. 32)., sceren, plumen, plucken (fr. plumer qqn); in Zuid-Nederland: iemand afpluimen, vladen (mnl. vlaen of blecken); Hooft, Ged. II, 311: iemand 't vel afstropen; Focquenb. Zeegenzang, in t jaar 1666, vs. 32: Vermits hy stracks den blijen onderdaen met last, op last het vel socht af te stroopen; Tuinman I, 49: Ymand de huid over de ooren trekken, hem onbarmhartig havenen; zoo bij Van Eijk II, 40 in den zin van iemand geheel uitkleeden, waarvoor aan de Zaan ook gezegd wordt iemand 'et haar uit zijn kale kruin trekken (Boekenoogen, 278); ook in de 17de eeuw iemand de huid over het hoofd halenNdl. Wdb. VI, 1213.. Vgl. Schuermans, 777 b: iemand het vel afhalen of afstroopen, hem arm maken, hem alles afhalen; Antw. Idiot. 1208: stroopen, te veel doen betalen; het lat. (Plautus, Epid. I, 1, 63): detegitur corium de tergo meo; fr. écorcher qqn; hd. einem die Haut, das Fell über die Ohre ziehen; einen schinden; eng. to strip a p.'s skin over his ears; to rob anyone of his very skin; to skin, afzetten, dat herinnert aan het 17de-eeuwsche schennen en aanschennenFeestbundel aan M de Vries, 125 vlgg.; Mnl. Wdb. VII, 561.; in het fri. immen it fel oer de nekke helje of strûpe; Twente: eenen 't vel over de oaren stroapen of 't blood onder de nägel hen zoegen.

1168. Hij is van Kleef,

d.w.z. hij is gierig, met eene zinspeling op het wkw. kleven; eig. wil men dus zeggen: het geld kleeft hem aan zijne vingers, hij laat niet gauw los, hij is deun (mnl. done, stijf, vast). In de 16de eeuw bij Sartorius II, 4, 65: Vogelgrijps. Sy zijn van Cleven, om te hebben en niet om te geven. Zie ook Antw. Idiot. 455: hij komt van Kleef, hij is meer veur den heb als veur de(n) geef (vgl. Wander II, 1393; Eckart, 270); altijd voor de (h)eb, nooit voor den vloed (Joos, 101; Draaijer, 20); syn. van hij is van Houthem. Vgl. verder te Niemens vreent bleef de grave (Stoke IV, 1293), hij had geen vrienden; te Mollengijs gaan wandelen (16de eeuw), stervenM.W. Immink, De Spiegel der Minnen door Colijn van Rijssele, bl. 237.; siet dat ghy niet te Cloppenborch komt (geslagen wordt; Sart. II, 2, 16); zijn brieven in lijfland bestellen (een borrel drinkenNdl. Wdb. III, 1331.); 17de eeuw: hij gaat naar Kuilenburg voor: hij is dood, waarvoor ook gezegd wordt hij is naar Rotterdam; iemand op liefkenhoek zoeken (Esopet, Cren. Vreugdevuur, 3); bij Smetius, 239: naar Worms varen; van een dier dat verdronken of begraven wordt zegt men hij gaat naar Kolkman of Grondman (Harreb. I, LXVIII); vgl. verder hij komt van Grootebroek = hij is een snoever; ook hij praat van Grootebroek maar Lutjebroek komt eerst (De Vries, 73); hij komt van Helmond = hij maakt groot spektakel (in Limburg); zij zijn van Hardenberg, slechte betalers Draaijer. 16); hij is van Harderwijk, hij heeft geen geld; (N. Taalg. XIII, 137, 2): hij is van TuilUtrechtsche Bijdragen I, 102.; het is daer in Scherperije of Hongarije, het is daar armoede troef (Sart. I, 10, 39); iemand naar Hongarije zenden, honger laten lijden (Bank. no. 412); het zijn heeren van Kortrijk, van korten duur; Duren is een schoone stad doch Kortrijk ligt er digte bij (C. Wildsch. III, 59); het zijn heeren van Nergenshuizen in Geenland, d.w.z. schraalhanzen (Ndl. Wdb. IX, 1844); hij is van Bazerabel gekomen, hij bazelt (Harreb. I, 32 b); de bestekamer werd vroeger het kasteel van Poortegaal genoemd; hij die gekweld werd door de kei, niet goed bij het hoofd was, woonde op Keyenburg, in Keiendaal of op de Keybergsche driesch; een vagebond was heer van Bijsterveld, en van een man, die al zijn geld had zoek gebracht, om een rijke, leelijke vrouw te krijgen werd gezegd, dat hij Schoonhoven gemist en te Leelickendam geraakt was (vgl. De Brune, 461: Het is me-vrouw van leelickdam). Was men bot van verstand, dan heette men te komen van Plompardije en niet van Scherpenisse, terwijl een ijzegrim uit Grimbergen kwam (Sart. III, 4, 51). Iemand die draalt is van Drouwen (Molema, 87) en iemand die weet wat er in de wereld te koop is is om Leermens toukomen Molema, 239). Ging het ergens schraaltjes langs, was het er niet breed, dan was men daar op Sparendam, en babbelde een vrouw wat al te veel, dan kwam ze van Snapland, Klappenburg of Roermond (Sart. II, 3, 32; Tuinman I, 202 en De Cock2, 45) of ze kwam van Snapland en ging naar Klappenburg (Harrebomée I, 411); van een royaal huisgezin zegt men wel 't is daar Vollenhove. Laat men het paard rusten en eten in 't gras langs den weg dan steekt men op in de groene herberg (De Vries, 73). Een predikant gaat over Heidelberg naar Maagdenburg, d.i. heeft hij zijne II preeken over den Heidelbergschen Catechismus gehouden, dan gaat hij trouwen (Harreb. II, xxx); in Amsterdam: Hij gaat naar juffrouw Wijdmond, hij gaat zich verdrinken. In Zuid-Nederland kent men eveneens verschillende zegswijzen. Die gierig is komt uit Kniephuizen (zie Noord en Zuid III, 376) of uit het land van Vrekhem, van Kleven, van Audenaarde, van Scherpenheuvel of van Bever en is liever houder als gever; een zot komt van Sotteghem of Malleghem (vgl. Bank, I, 84) en een rijke erfoom wordt te Blijdegem of ook te Blijdenberg begraven (Teirl. 183); 'nen heer Van Magerhall is een arme drommel, die zich voornaam wil voordoen (Antw. Idiot. 788); zij die bedelen, komen van Halen; als iets mislukt, is 't van Miskom en een leugen is te Waregem gebeurd en te Leugegem verteld (Joos, 93), en iemand die te kort komt, komt te Kortenaken uit (Rutten, 121 b). Van een meisje dat te vergeefs op een aanbidder wacht, zegt men dat haar vrijer of haar vent te Wachtebeke woont (De Cock2. 141). Vgl. ook Overmorgen, morgen is 't montenaken-kermis (woordspel met mond; Montenaken is een gemeente van Limburg), morgen vasten we niet (Claes, 151); van Zwijndrecht komen, zwijmeren, dronken zijn (Waasch Idiot. 773); op 't schip zitten van Sinter-uit, verplicht zijn zijn huis te verlaten (Waasch Idiot. 826); Terneuzen als spotnaam voor iemand met een grooten neus (Antw. Idiot. 2269); Antw. Idiot. 1913: hij komt van Ommelegom, hij weet van alles; enz. Zie Taalgids VIII, 42; Taal en Letteren II, 164 vlgg.; Harreb. II, xxx; Noord en Zuid II, 217; Volkskunde IX, 206; Schuermans, 22 en Bijv. 110; Rutten, 145; Joos, 86 en De Bo, 149. In het Friesch zijn bekend hy is fen Kleef of hy is net fen Jousenbûrren, hij is gierig, geeft niet graag; hy is to Utkerken komen, hij heeft zijn kapitaal verspeeldDit herinnert aan Tijl Uilenspiegel, alwaar ook de uitdr. tuyterkerken comen voorkomt; zie den oudsten druk, anno 1512, bl. 42; en vgl Everaert, 294, vs. 369-375; Campen, 83; Tijdschrift XXI, 110; Mnl. Wdb. VIII, 949; Kaetsp. CVIII.; it giet by Spannum om, het spant er; it is skerpen-heuvel, het komt er krap om; hy is ta breas-ein, armNdl. Wdb. III, 1573.; hy is fen Knyphuzen (zie ook Molema, 210 a), hij is een knijperd, gierigaard; hy is oan 'e poarte fen Utert ta, hij is nagenoeg arm; ik moat efkes nei Makkum (naar 't geheim gemak). Voor het hd. vergelijke men Borchardt no. 736; Wander IV, 1039; Germania VII, 239 vlgg.; Seiler, 160 vlgg.; 440; Nyrop, 10; 210. In het eng. zegt men he has been at Hammersmith, hij heeft een flink pak slaag gehad (Barentz, 140; Prick, 58, die ook nog enkele synoniemen vermeldt).

2634. Het zeil in top halen (of voeren),

d.w.z. het zeil zoo hoog mogelijk ophalen; bij overdracht op grooten voet leven; een hoogen staat voeren, bram boven bram voeren. Vgl. Winschooten, 248: Het seil in top haalen of setten, dat bij swaaren storm gevaarlijk isDoet men dit, dan bestaat er gevaar, dat het schip omslaat; vgl. De Brune, Bank. I, 114: Die 't zoo hoogh in den top zetten, moeten van de gyb wachten. en daarom werd het oneigendlijk genoomen voor sijn staat soo hoog setten, als immers doendelijk is; bl. 164: Veiligst is het in voorspoed te denken om teegenspoed: en het seiltje niet al te hoog haalen; Witsen, 311: t Zeil in top halen, een grooten staet voeren, zo hoog of hooger als de middelen konnen lijden; Sart. II, 6, 21: Haelt u seyl niet te hoogh, kent staet ende hout maet; ne majora viribus suscipias, aut ne magnificentius te geras, quam pro tua conditione; zie verder Starter, Steek-boekjen, 58:

 Eer dat gy bent uyt den dop
 Zo trekje 't Zeil al in den top:
 Jou hert is groots.

Vgl. nog Haerl. Somerbloempjes, 134: Die het zeyl te hoogh ophalen en in hovaerdy en pracht brallen boven hare macht; Huygens, Oogentroost, vs. 150: Soo vierense staegh schoot, en voeren 't in den top tot dat's een slingerbuy zien vallen in haer laken, die 't schip op zyde werpt; Hofwijck, vs. 783; Tuinman I, 259: 't zeil is te hoog in top gehyst; Van Effen, Spect. VI, 31; Halma, 647; Sewel, 792: Het zeil in top zetten, to carry it high, to live very prodigal; Harreb. II, 340; Van Eijk I, 162. Ook kende men in de 17de eeuw: het zeil te wijd zetten (zich voornamer voordoen dan men is) en een hoog zeil voeren, bluffen, snoeven (De Brune, Bank. I, 208). In het fri. it seil to heech hize, een te grooten staat voeren; hja lûke 't seil heger as de mêst, zij voeren een staat boven hun stand.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut