Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

harpoen - (werpspies met weerhaken)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

De herkomst van het woord harpoen wordt in het algemeen, en zo ook door het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, gekwalificeerd als onduidelijk. Dat heeft geleid tot de speculatie dat de West-Europese woorden voor 'harpoen' via Spaans harpón zijn ontleend aan Baskisch arpoi, dat 'stenen punt' zou betekenen.

Deze mening circuleert vooral op internet, is op taalkundige gronden niet goed te verdedigen en wordt in de taalkundige literatuur dan ook niet genoemd.

Het eerste lid van Baskisch arpoi zou dan te maken hebben met (h)arri 'steen', maar andere oude werktuigen, waarvan men soms vermoedt dat ze hun oorsprong vinden in de steentijd, beginnen in het Baskisch allemaal met het morfeem (h)aitz dat 'rots' betekent, en juist niet met (h)ar. Ook het tweede lid poi is moeilijk identificeerbaar. Dat Baskisch harpoi te maken zou hebben met de wortel har met de zeer algemene betekenis 'nemen, ontvangen', is eveneens twijfelachtig.

De opgetreden klankveranderingen bij ontlening van Spaans harpón (of een ander Romaans bronwoord) door het Baskisch in de vorm arpoi zijn echter geheel regelmatig.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

harpoen zn. ‘werpspies met weerhaken’
Mnl. dat mense sciet met arpioene ‘dat men ze (zeeschildpadden) schiet met harpoenen’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], aerpoene [ca. 1375; MNW], arpoen [1465-85; MNW-R].
Herkomst onduidelijk. Men neemt algemeen aan dat het woord is ontleend aan Frans harpon [ca. 1130; Rey], bij Oudfrans harper ‘grijpen’, zie hieronder. Harpon is echter tot en met de 15e eeuw zeldzaam en betekent alleen ‘broche’ of ‘metalen kram om metselwerk te verstevigen’; de betekenis ‘harpoen’ verschijnt bij het Franse woord pas in 1516 (Rey) en zou aan het Nederlandse woord ontleend kunnen zijn. Duits Harpune [17e eeuw; Pfeifer] is aan het Nederlands ontleend. Het Engels biedt wel een aanknopingspunt: hoewel de huidige spelling harpoon [1694; OED] ongetwijfeld aan Nederlandse invloed te wijten is, bestaat wel al ouder harping iron ‘harpoen’ [1442; BDE]. Men veronderstelt daarom een werkwoord pgm. *harpan- ‘grijpen’, zoals nog bestaand in IJslands harpa ‘knijpen’, en dat volgens NEW hoort bij → harp. Ook het Oudfranse harper ‘grijpen’ [12e eeuw; Rey] wordt wel teruggevoerd op pgm. *harpan, maar dat kan ook gerelateerd zijn aan Latijn harpe ‘sikkel, soort roofvogel’ < Grieks harpē ‘sikkel, haak, klauw, valk’, bij het werkwoord harpázein ‘wegrukken, roven’, van onduidelijke herkomst.
De invloed van het Nederlandse woord op andere talen in de 17e eeuw is te danken aan de bloeiende walvisvaart die Nederland in die periode kende.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

harpoen [geweerhaakt werptuig] {1287} < frans harpon [ijzeren haak], van harpe [klauw], een uit het germ. stammend woord van dezelfde stam als harp.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

harpoen znw. m., mnl. harpoen < fra. harpon ‘ijzeren haak, harpoen’ (dat evenwel veel later als het mnl. woord voorkomt). Daarnaast staat harpin ‘bootshaak, klauw van een enterhaak’, beide afgeleid van harpe ‘klauw’, dat uiteindelijk teruggaat op frankisch *harpōn ‘plukken’ en dan verwant is met de onder harp behandelde woorden. — nnl. harpoen > ne. harpoon (1625 als term der walvisvaart, vgl. Bense 139).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

harpoen znw., mnl. harpoen (aerpoen) m. Uit fr. harpon “harpoen” ontleend, ofschoon het ndl. woord in oudere teksten (Maerlant) voorkomt dan ’t fr. Fr. harpon en harpin “scheepshaak”, harpeau “enterhaak”, harper “pakken” gaan terug op gr. arp-; vgl. vooral hárpē “sikkel, haak, klauw”. Nhd. harpune v., de. zw. harpun “harpoen” komen uit ’t Ndl., eng. harpoon “id.” volgens sommigen uit het Ndl., volgens anderen direct uit het Fr.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

harpoen. De afl. van de fr. woorden uit het Gr. moet vervallen; men zoekt de oorsprong wel in ’t Germ. (een woord uit de verwantschap van on. herpast: zie harp); onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

harpoen m., gelijk Hgd. harpune en Eng. harpoon, uit Fr. harpon, augment. van Ofra. harpe = haak, klauw, Gr. hárpē.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

harpoen s.nw.
Lang spies waarmee walvisse gedood word.
Uit Ndl. harpoen (al Mnl.).
Ndl. harpoen mntl. uit Fr. harpon 'ysterhaak, harpoen', met lg. van harpe 'klou, klouvormige haak', so genoem omdat die spies weerhake aan die punt het.
D. Harpune, Eng. harpoon.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

harpoen (Frans harpon)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

harpoen ‘geweerhaakt werptuig’ -> Engels harpoon ‘geweerhaakt werptuig’; Duits Harpune ‘bij de (wal)visvangst gebruikte werpspeer of geschut met een soort pijl met weerhaken en een lijn; hulpmiddel aan weefgetouwen voor het inweven van de dwarsgarens (textieltechniek)’; Deens harpun ‘geweerhaakt werptuig voor het vangen van vis’; Noors harpun ‘geweerhaakt werptuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds harpun ‘geweerhaakt werptuig’ ; Fins harppuuna ‘geweerhaakt werptuig’ ; Ests harpuun ‘geweerhaakt werptuig’ (uit Nederlands of Duits); Pools harpun ‘geweerhaakt werptuig’; Kroatisch harpun ‘bij de (wal)visvangst gebruikte werpspeer’ ; Servisch harpun ‘speer gebruik bij jacht onder water’ ; Sloveens harpuna ‘speer met metalen punt voor jacht op grote zeedieren’ ; Russisch chrapún, garpún ‘geweerhaakt werptuig’; Bulgaars charpun ‘metalen speer gebruikt bij jacht op grote zeedieren; ijzeren haak voor het vastzetten van twee muren; gereedschap voor het lossen van hooi’; Oekraïens chrápovoe kolesó ‘schuifrad, palrad’ ; Azeri harpun ‘metalen speer gebruikt bij jacht op grote zeedieren’ ; Lets harpūna ‘geweerhaakt werptuig’; Litouws harpūnas ‘metalen speer gebruikt bij jacht op grote zeedieren’ (uit Nederlands of Engels); Esperanto harpuno ‘geweerhaakt werptuig’ ; Indonesisch harpun ‘geweerhaakt werptuig’; Negerhollands harpoen ‘geweerhaakt werptuig’; Papiaments harpun, arpun ‘geweerhaakt werptuig’; Arowaks harpona ‘geweerhaakt werptuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

harpoen geweerhaakt werptuig 1287 [CG NatBl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal