Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hart - (holle spier die de bloedsomloop aandrijft)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hart zn. ‘holle spier die de bloedsomloop aandrijft’
Onl. herta ‘hart’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. in sinen herten (datief) [1201-25; CG II, Floyr.], herte [1240; Bern.]; harte oorspr. alleen in West-Vlaanderen. Al in het Middelnederlands met vele overdrachtelijke betekenissen, zoals ‘gemoed; geheugen; moed; het midden’.
Os. herta (mnd. herte); ohd. herza (nhd. Herz); ofri. herte, hirte (nfri. hert(e)); oe. heorta (ne. heart); on. hjarta (nzw. hjärta); got. hairto; < pgm. *herta(n)- ‘hart’.
Verwant met: Latijn cor (genitief cordis, zie bijv.recorder; Frans coeur), Grieks kradíē, kardía ‘hart’ (vandaar als Neolatijns medisch voorvoegsel cardio-); Litouws širdis ‘hart’, Lets serde ‘merg’; Oudkerkslavisch srĭdĭce ‘hart’ (Russisch sérdce, Tsjechisch srdce ‘hart’); Oudiers cride ‘hart’; Armeens sirt ‘hart’; < pie. *ḱ(e)rd- (IEW 579).
Variatie van korte -e- voor -r- + dentaal kwam in Middelnederlandse woorden veel voor en er is geen vaste relatie tussen de oorspr. klinker en die in de huidige standaardtaal; behalve mnl. herte > nnl. hart bijv. mnl. heert > nnl.haard. In het algemeen zijn de varianten met -a- in de Vlaamse dialecten het oudste. Dat hart de standaardvorm is geworden is wellicht mede beïnvloed door de homonymie met → hert < onl. hirot (waarvan overigens ook een variant hart voorkwam, zie → hartsvanger).
Bij de uitdrukking iemand een hart onder de riem steken moet men bedenken dat soldaten de riem van de linker schouder af over de borst droegen; hart heeft hier de overdrachtelijke betekenis ‘moed’, zie ook → hartig.
Zie voor een andere afleiding van hart nog → behartigen.
harten zn. ‘kleur in het kaartspel’. Vnnl. in dat is klaveren, dat is ruyten, dat is schoppen, en dat is harten [1612; WNT]. Het meervoud van hart, genoemd naar de hartvormige figuur op deze 13 kaarten. ♦ hartstocht zn. ‘passie’. Vnnl. herts-toght ‘id.’ [1599; Kil.]. Samenstelling met → tocht in de betekenis ‘trek, begeerte’, zoals in vnnl. een onkuysche tochte des herten [1586; WNT tocht]. Ontstaan als weergave van Latijn passiō ‘hartstocht’, naast andere combinaties als herts-treck [1599; Kil.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hart* [spier die bloedsomloop regelt] {oudnederlands herta 901-1000, middelnederlands herte, harte} oudsaksisch hertu, oudhoogduits herza, oudfries herte, hirte, oudengels heorte, oudnoors hjarta, gotisch hairto; buiten het germ. latijn cor (2e nv. cordis), grieks kardia, oudkerkslavisch srŭdĭce, oudiers cride. De uitdrukking van zijn hart geen moordkuil maken [zijn gevoelens vrijelijk uiten] is verbasterd uit 17e-eeuws geen smoorkuil. De uitdrukking iemand een hart onder de riem steken is ontleend aan de taal van soldaten. Hart heeft de betekenis van ‘moed’. Verder moet men in de gaten houden dat de riem schuin over de linker schouder over de borst loopt. De uitdrukking waar het hart vol van is vloeit de mond van over is ontleend aan Mattheus 12:34; zijn hart ophalen [volop genieten] stamt van ophalen in de zin van ‘oppoetsen’. Waarschijnlijk is de oorspr. betekenis geweest: zich verkwikken door met lange teugen verse lucht in te ademen. Ten slotte is met hart en ziel ontleend aan Mattheus 22:37.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hart znw. o., mnl. herte, harte o. v., onfrank. herta o., os. hertu o., ohd. herza o., ofri. herte, hirte v., oe. heorte v. (ne. heart), on. hjarta o., got. hairto o. — lat. cor (gen. cordis), gr. kē̃r, kardía, kradíē ‘hart’, osl. srĕda ‘midden’, lit. šìrdìs ‘hart’, lett. sēr̄de ‘merg’, oiers cride, arm. sirt ‘hart’.

Naast de idg. wt. *ḱerd, ḱṛd staat ook *ĝhrd (Vendryes RC 40, 1923, 436) in oi. hṛd en av. zərədaya ‘hart’ (IEW 579).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hart znw. o., mnl. herte, harte o., ook v., vgl. nog nnl. ter harte nemen e. dgl. = onfr. hërta o., ohd. hërza o. (nhd. herz), os. hërta o., ofri. hërte, hirte v., ags. heorte v. (eng. heart), on. hjarta o., got. haírto o. “hart”. Vgl. in de eerste plaats gr. khḗr (*kērd), opr. seyr, sīras, arm. sirt “hart”, obg. srěda “’t midden”, lett. sêrde “kern van het hout” en verder met ablaut ier. cride [er resp. ), lat. cor, gr. kardía, kradíē, obg. srŭdĭce (oerslav. *sĭrdĭce), lit. szirdìs “hart”; ook ier. cretim, lat. crêdo “ik geloof”, oi. çraddhā́- “vertrouwen, trouw” (*ḱred- + wortel dhê-). Oi. hṛ́d-, hŕdaya- kan wegens den afwijkenden beginmedeklinker alleen dan verwant zijn, als wij analogische vervorming aannemen; maar waarnaar?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hart. Met “opr. seyr, siras” is bedoeld: opr. seyr (Elb. Vocab.), gen. sīras en andere casusvormen (Enchir.).
Het is beter, ier. cretim, lat. crêdo ‘ik geloof’, oi. çraddhā́- ‘vertrouwen, trouw’ in dit verband niet te noemen: Meillet MSL. 18, 60; Vendryes ald. 20, 266. Liever beschouwe men oi. hŕ̥d-, hŕ̥daya- als verwant, niettegenstaande de onverklaarde afwijking van de consonant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hart o., Mnl. herte, Onfra. en Os. herta + Ohd. herza (Mhd. herze, Nhd. herz), Ags. heorte (Eng. heart), Ofri. herte, On. hjarta (Zw.hjärta,De. hjerte), Go hairta + Arm. sirt, Gr. kẽr, kardía, Lat. cor, gen. cordis (Fr. cœur), Ier. cride, Osl. srŭdĭce, Lit. szirdìs, Opr. seyr: alle van wrt. kerd; daarnevens Skr. hṛdayam, Ze. zarəđaya, die niettegenstaande den afwijkenden beginklank toch verwant zijn. — Iemand een riem onder het hart steken naar het zeewoord een riem (hier roeiriem) onder het zeil steken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hart (zn.) hart; Aajdnederlands herta <901-000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hart I: liggaamsorgaan; Ndl. hart (Mnl. harte/herte), Hd. herz, Eng. heart, hou verb. m. Lat. cor, Gr. kêr en kardia e.a. Idg. verw.

harta: aansprv., gew. teenoor vr. pers., uit hart (v. hart I), met slot -a (v. -a), v. ook Bosh VT (230-1) en Malh DF (AS 232); v. ook kinta.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Hart snw. Segsw. My hart slaap al, ek is dood van die vaak. – Corn. en Vervl. 553: Mijn hert slaapt in mijn lijf, ik heb grooten vaak, ik kan mij niet wakker houden;” Teirlinck II, 39: “Mijn herte sloopt (slaapt), ik worstel tegen den vaak.”

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

In hart en nieren, met heel iemands wezen, door en door.

Het hart wordt sinds mensenheugenis voorgesteld als het meest innerlijke en eigene van de mens, als de zetel van iemands persoonlijke eigenschappen, zoals zijn verstand, zijn geheugen en vooral zijn gevoel. Hiermee hangen veel in de bijbelvertalingen voorkomende verbindingen samen, die evenwel niet exclusief bijbels hoeven te zijn: zijn hart verharden, een hart van steen, iemands hart breken, en daartegenover: mijn hart is als was, iemands hart doen smelten. Verder ter harte nemen, van ganser harte, in zijn hart (iets zeggen). Hieronder behandelen we enkele uitdrukkingen die zeer waarschijnlijk onder invloed van de bijbel bekend zijn geworden of gebleven.
De bijbel kent nieren in een vergelijkbare betekenis als hart: het meest innerlijke, wezenlijke van de mens. Een enkele keer worden hart en nieren samen genoemd, en dan in een context waarin God de mens ten diepste onderzoekt: 'Gij, die hart en nieren toetst [in oudere vertalingen: (be)proeft], / rechtvaardige God' (Psalmen 7:10, NBG-vertaling). Vergelijk ook: iemands nieren proeven (onder Nier).

Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 7:10. Laet der ongodliker boesheit een eynde werden, ende voordert die gerechtighe Want ghi gerechtich God proeft herten ende nyeren. (In de Statenvertaling (1637): beproeft.)
De mens is in hart en nieren vooral een Naturwesen, een tot de natuur behorend wezen en daarbinnen vooral ook een Gattungswesen -- een tot een soort behorend wezen, een sociaal dier. (A.C. Zijderveld, De samenleving als schouwspel. Een sociologisch leer- en leesboek, 1996 (1991), p. 28)
Een liefde in hart en nieren / komt te laat. // Er is alleen maar liefde / metterdaad. (N. Scheepmaker, De Gedichten, 1991 (Landschapsschoon 2, 1973), p. 184)

Met hart en ziel, met alles wat in iemand is; met volle overtuiging.

'Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand', zegt Jezus tot zijn gehoor in Matteüs 22:37 (NBV). Waarschijnlijk heeft deze passage genoemde uitdrukking bekend gemaakt.

Leuvense Bijbel (1548), Matteüs 22:37. Ghy sult den Heere uwen Godt liefhebben, wt v gheheel herte, ende in v gheheel ziele, ende in v gheheele verstandenisse. (In de Statenvertaling (1637): met geheel uw' herte enz.)
[O. Blom haalt in zijn In memoriam P.H. Dubois aan:] 'De literatuur, dat betekent schrijven met hart en ziel, zelfexpressie, en daar ook voor stáán.' (Trouw, 30-3-1999, p. 15)
Karina heeft vier dochters en is met hart en ziel moeder. Toen de jongste echter in groep zes belandde, kreeg zij de kriebels. Ze wilde graag iets buitenshuis gaan doen, maar dan wel zo dat haar gezin er nauwelijks iets van zou merken. (A. Ostaden-de Jong, Droomsymbolen, wegwijzers in je leven, 1993)

Zijn hart uitstorten, alles vertellen, met name al zijn gevoelens over iets.

Naast zijn ziel uitstorten komt in de bijbel de uitdrukking zijn hart uitstorten voor, bijvoorbeeld in Psalmen 62:9, 'Vertrouwt op Hem te allen tijde, o volk, / stort uw hart uit voor zijn aangezicht' (NBG-vertaling; de NBVvertaalt hier ópen voor hem uw hart'. In tegenstelling tot de eerstgenoemde is zij nog heel populair.

Leuvense Bijbel (1548), Psalmen 62:9 (8). Hoept in hem alle vergaderinghen des volcs, stort wt voer hem v herten.
Ga zitten en stort je hart maar uit. (Voorbeeld, jaren '90)
Er wordt veel gebeld en in de vakanties logeren ze [jonge vluchtelingen] bij elkaar, maar met name jongens praten met vrienden niet over hun problemen. Ze missen iemand bij wie ze hun hart kunnen uitstorten. (De Volkskrant, 3-9-1999)

Woorden e.d. in zijn hart bewaren, die onthouden en overdenken.

Na Jezus' geboorte volgen ingrijpende gebeurtenissen voor zijn moeder Maria. Als herders uit de omgeving van een engel het bericht krijgen van de komst van het koningskind, spoeden zij zich naar Betlehem om hun eerbied te betonen. Ze vertellen bij de kribbe wat hun gezegd is over de toekomst van dit kind, en Maria 'bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart' (Lucas 2:19). In dezelfde woorden wordt haar reactie geschetst nadat de twaalfjarige Jezus in de tempel zijn omstanders verbaast door zijn wijsheid (Lucas 2:51). Wij komen deze verbinding nog in literaire taal tegen.

Statenvertaling (1637), Lucas 2:19. Doch Maria bewaerde dese woorden alle te samen, overleggende die in haer herte.
Hubèrt kijkt hem aan. 'Wij zijn vanavond veel van elkaar te weten gekomen,' zegt hij. 'Laten we die kennis bewaren in ons hart en er met wijsheid gebruik van maken.' (J. Terlouw, De derde kamer, 1978, p. 22)
En de houding van Maria / was toch eigenlijk heel apart. / Als z$n dochter was Maria, / 'bewaarde alles in haar hart'.' (S. Gaaikema, Hoogachtend Seth, 1985, p. 147)

Mijn hart springt op, ik word, plotseling of bij verrassing, ontroerd, blij, opgewonden.

Opspringen, van vreugde of enthousiasme, is een niet ongewoon woord in ouder, ook niet-bijbels taalgebruik. De uitdrukking mijn hart springt op lijkt toch door de bijbeltaal geïnspireerd. Daarin kunnen, naast blijdschap, ook schrik en ontzag een rol spelen, zoals bijvoorbeeld in Job 37:1: 'Deswege beeft mijn hart / en springt op van zijn plaats' (NBG-vertaling). In de NBV komt dit opspringen niet meer voor en leest men in dit vers 'het [hart] klopt mij in de keel'.

Statenvertaling (1637), 1 Samuël 2:1. Doe badt Hanna ende seyde: Mijn herte springt op van vreuchde inden HEERE, mijn hoorn is verhoocht inden HEERE: mijn mont is wijt opgedaen over mijne vyanden, want ick verheuge my in u heyl.
Mijn hart springt op als ik haar zie, als ze mij aanraakt, maar ik wil haar nergens toe dwingen. Alles zou zoveel gemakkelijker zijn als ze onmiskenbaar verliefd op mij was ... (G.J. Zwier, Kampvuren in de dessa, 1994, p. 147)
Op kantoor zit ik somber te denken en te piekeren, maar mijn hart springt op van vrolijkheid als ik denk aan het varensleven. (J.M.A. Biesheuvel, Zeeverhalen, 1985, p. 45)

Naar zijn hart, overeenstemmend met zijn voorkeur of ideaal, naar zijn zin. Vooral in:
Een man (of een andere persoon) naar zijn hart, iemand die beantwoordt aan zijn idealen.

De uitdrukking heeft in de bijbel betrekking op een persoon en op zijn handelen. Men vindt met name een man naar zijn hart in Handelingen 13:22 (een verwijzing naar 1 Samuël 13:14), 'In David, de zoon van Isaï, heb ik een man naar mijn hart gevonden, die geheel naar mijn wil zal handelen' (NBV).In de Statenvertaling (1637), onder andere in 2 Samuël 19:7, wordt het spreken naar iemands hart genoemd. In het hedendaags Nederlands is het gebruik beperkt tot bepalingen bij zelfstandige naamwoorden; naast man zijn dat nog vele andere.

Leuvense Bijbel (1548), Handelingen 13:22. Ic heb gheuonden David den sone van Jesse, eenen man nae mijn herte, die alle mijnen wille doen sal.
Keegan als manager denkt niet in wiskundige systemen. Hij is een man naar het hart van Bill Shankly, zijn 'voetbalvader', eens manager van Liverpool, eens de ongeëvenaarde manager. (NRC, okt. 1994)
Hij heeft al jaren groot succes met de actualiteiten-uitzendingen die de concern-dochter Spiegel-t.v. via de satellietzender RTL Plus uitzendt. Aust is daarmee een man naar Augsteins hart geworden. (NRC, dec. 1994)
Actrice Drew Barrymore (zie PB 2-95) is een vrouw naar ons hart. (Playboy, 1995, nr. 10)

Waar het hart vol van is, loopt de mond van over e.d., waar men veel aan denkt, daarover moet men spreken; het is moeilijk te zwijgen over iets waar men vol van is.

Deze algemene en oude wijsheid wordt aangetroffen in Lucas 6:45, 'Waar het hart vol van is daar loopt de mond van over' (NBV). De NBV neemt hier de formulering zoals die in de omgangstaal is ontwikkeld, letterlijk over; andere vertalingen luiden 'daarvan spreekt de mond' en dergelijke; de omgangstaal sluit dus aan bij de Liesveldtbijbel: 'dair af gaet den mont ouer'. Ook Matteüs zegt iets dergelijks, maar net als Lucas in een andere context dan de tegenwoordige betekenis doet vermoeden. De evangelisten citeren namelijk Jezus, die het verband tussen iemands woorden en denken uitlegt: als iemands woorden niet goed zijn, zal zijn karakter ook niet deugen. Nu heeft het spreekwoord betrekking op mensen die niet kunnen zwijgen als ze vol van iets zijn.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 6:45. Want waer af dat herte vol af is, dair af gaet den mont ouer.
Hij is over de grens van het leven geweest en keerde erin terug na een aangrijpende ervaring in een wereld vol van licht en zaligheid. Waar het hart vol van is, daarover kan de tong niet zwijgen. Daarom valt hij nogal eens in herhaling. (De Standaard, nov. 1995)
Hij heeft hier de hele middag aan een stuk zitten praten. Ja, waar het hart vol van is, loopt de mond van over. (Voorbeeld, jaren '90.)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hart. De oorspronkelijke eedformule bij Gods hart, waarin God en diens hart ter bekrachtiging der waarheid werden aangeroepen, is door ijdel gebruik tot vloek geworden en in de 16de eeuw verminkt en verzacht tot by gans harten en by gans herte. Gods heilig harte kon ook tot uitroep van verbazing worden. Verbasteringen met hart treffen wij aan in bloemerharten, bloemerherten, blommen herten, blommerharten, blo(e)mmerhelten en blommerhert. Uit het hedendaags Nederlands en in het Haags Dictee van 1998 kennen wij voorts de verwensing krijg een vet hart! Iemand afzetting van vet in de hartspier wensen, doen wij alleen in geval van woede, verbijstering enz. Als we deze verwensing gebruiken denken wij niet aan de letterlijke betekenis, maar veeleer aan zoiets als ‘rot op, ik veracht je’. Correspondenten van een middelbare school uit Hengelo (Ov) kennen ook de verwensing krijg een zweer aan je hart!, die minachting uitdrukt. Erg ontluisterend is verder het is een aardige vent, maar zijn hart moest op zijn rug hangen “dat” de honden erbij kunnen! Sanders en Tempelaars (1998) vermelden voor Amsterdam de variant krijg een koud hart! en eenmaal troffen zij aan krijg een vet hart, dan kun je patat bakken! Ook uit Amsterdam afkomstig is je hebt een goed hart, het moest alleen gekookt op je rug hangen!bloed, bloemerharten, God, lepra, mierennest, ontploffen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hart ‘spier die bloedsomloop regelt’ -> Negerhollands hert, hart, hat, hāt ‘spier die bloedsomloop regelt’; Sranantongo ati ‘spier die bloedsomloop regelt’; Saramakkaans (h)áti ‘hart; buik; gemoed; merg van een boom’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

M’n hart stond stil / Maar m’n Pontiac liep! [reclameslogan] (1951). Wielrenner Wim van Est (1923-2003) stort in juli 1951 tijdens de Tour de France in een ravijn, maar blijft vrijwel ongedeerd. Horlogefabrikant Pontiac adverteert kort daarna met een foto van de gevallen Van Est en een (verzonnen) citaat: “Zeventig meter viel ik diep / M’n hart stond stil / Maar m’n Pontiac liep!”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hart* spier die bloedsomloop regelt 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

849. Het hart hoog dragen,

d.w.z. trotsch zijn, hooghartig zijn; nml. hoochgemoet sijn; enen hoghen moet hebben. Bij Hooft in zijne Brieven, 308; Ned. Hist. 18; Harreb. I, 288: Hij draagt het hart hoog (of op het hoofd); enz. Zie het Mnl. Wdb. III, 564; Ndl. Wdb. VI, 7; vgl. een hooge borst zetten, het Antw. het hoog (in zijn kop, bol, ster) hebben, hoovaardig zijn; zijn hert uitsteken, fier en trotsch zijn (Teirl. II, 39).

233. Bitter in den mond maakt 't hart gezond,

d.w.z. een bitter geneesmiddel brengt genezing. In de 16de eeuw is dit spreekwoord aangetroffen bij Goedthals, 65: Bitter in den mont, is therte ghesont, amer a la bouche est au coeur doux; zie verder Idinau, 211; Huyghens, Onwetend Medicijn, vs. 56: Dat bitterst in den mond leidt werckt werckelicst om 't hert; Tuinman II, bl. 25: Bitter in den mond, is 't hert gezond, het wil zeggen, 't geen onaangenaam is voor de tong, pleegt voor de gezondheid heilzaamst te zijn; Halma, 77; Sewel, 119; Harreb. I, 59: Antw. Idiot. 244; Waasch Idiot. 119; Ten Doornk. Koolm. I, 174; hd. bitter im Mund, ist dem Herzen (Magen) gesund oder bitter dem Mund, dem Magen gesund; fr. ce qui est amer à la bouche, est doux au coeur.

793. De (of zijn) hand over 't hart strijken,

d.i. ‘zich tot zachtere gedachten stemmen, inzonderheid met betrekking tot weigerachtigheid of onwilligheid ten opzichte van eens anders wenschen’; wellicht eig. een gebaar maken waarmede men zich verteedert (het hart week maakt?)’; zie Brieven v. Betje Wolff, bl. 369: Was hier zo een knaap te krijgen voor geld, wij zouden onze hand over ons hart leggen; Harrebomée I, 279 b; Ndl. Wdb. V, 1766; Sjof. 201 en vgl. het Zuidnederlandsche hand over herte leggen, toegeven, door de vingers zien (De Bo, 403 b); hd. die Hand übers Herz legen; fr. se passer la main sur le coeur. In Zuid-Nederland beteekent met zijn hand over zijn herte strijken (of vrijwen), genoegen hebben (Teirl. II, 13).

853. Met hart en ziel,

d.i. met zijn geheele wezen, met liefde, toewijding; ontleend aan Matth. XXII, 37: Ghy sult lief hebben den Heere uwen Godt met geheel uw' herte, ende met geheel uwe ziele, ende met geheel uw' verstandt. Vgl. Servilius, 226*: Ick sal daer met lijf ende siel voor sijn; Sart I, 4, 78: Met lyf met siel; lat. totus et mente et animo; fr. corps et âme; hd. mit Herz und Seele; eng. to be heart and soul for s. th.; (with) heart and soul.

844. Zijn (eigen) hart opeten,

d.w.z. ‘door kommer, vooral ook door nijd of spijt verteerd worden’; ook in Zuid-Nederland zijn hert opeten, opfrèten naast iemand zijn hert opeten, opfretten, opknagen, iemand voortdurend verdriet en hartzeer aandoen (Teirl. II, 39). Ook in het Grieksch zeide men ον θυμον κατεδειν; in het lat. cor suum edere, se comedere, zich verkniezen; fr. se ronger le coeur; eng. to eat one's heart. Vgl. bij ons Rose, 282: Si (afgunst) edt van rouwen hare herte binnen; Coornhert I, 234 a: Die oneyndtlijcke hart-eetsters ende slaaproofsters (ick meyne de gestadighe sorghen); Hooft, Ned. Hist. 25: In 't bezonder waarender, die hun hart aaten, om dat ze zich terug (achteruit) in 't bewindt, en nieuwelingen voortgezet zaaghen; De Brune, 146: Al perst u zomtyds wat verdriet en eet daerom u herte niet; Tuinman, I, 102; Halma, 272; Harreb. I, 288 b; Ndl. Wdb. VI, 14; XI, 674. Vgl. hiermede het Zuidnederl. harte vreten, zich dood kniezen, zeer gemelijk zijn; hartevreter, hertefrèter, kniesoor, knorrepot; syn. is de dial. zegswijze: zijn (eigen) reuzel opeten, wat te vergelijken is met het 17de-eeuwsche: zijn reuzel scheuren (en er een huik van maken) van kwaadheid, of zijn darmen scheuren.

845. Het hart zinkt hem in de schoenen,

d.w.z. hij verliest den moed, hem ontzinkt de moed; zie Trou m. Bl. 282, vs. 498; Brederoo II, 58; Pers, 386 b; Winschooten, 254; Hooft, Brieven, 161; Van Lummel, 471:

't Hert dat sinckt hem (Spinola) in de schoen,
Signoor die kakelt als een hoen.

Bij V.d. Noot: Ic voelde myn hart zincken wel drie voeten onder myn knieTijdschrift, XXIII, 234.. In Limburg zegt men: het hart zinkt hem in de broek; in Antw. in de onderbroek; in Groningen: 't zakt hem in de bijnen, en in het nd.: dat Harte fallt em in de Boxen; sîn hart sakt hum in de bênen (hasen, bükse); zie Taalgids V, 171; Molema, 64 a en vgl. gri. πασιν δε παραι ποσι καπpi;εσε θυμος (Homerus); lat. animus in pedes decidit; in het mnl. syn herte valt in syn knye; 16de eeuw: mijn herte in mijn schoen sanc; zie verder Wander II, 617: das Herz ist ihm in die Hosen gefallen; das Herz lag mir gantz in den Knien; eng. his heart sank into his boots, heels, shoes; Harreb. I, 288; Ndl. Wdb. VI, 11; Erasmus, XII; Reuter, 47. (Aanv.) Ook in de 16de eeuw: Mijn hert sal mij inden brouck ontvallen, wat overeenkomt met het Limb. het hart zinkt hem in de broek; in Antwerpen: in de onderbroek (Tijdschr. 42, 189).

846. Iemand een hart onder den riem steken,

d.w.z. hem bemoedigen, hem moed inspreken, hem het hart opdraaien (in Zuid-Nederland), eene spreekwijze ontleend aan het soldatenleven. Onder hart moet men verstaan moed (vgl. Heb het hart eens dat te doen). Een soldaat die onder zijn riem (die schuin van den schouder over zijne borst loopt) geen hart heeft, geen moed, is een lafaard; zoo iemand moet een hart onder den riem gestoken worden. Vgl. Sartorius III, 3, 38: daer steeckt ghy my 't hert weder onder den riem, waarvoor men in de middeleeuwen zeide: enen een herte in 't lijf spreken, enen 't herte waken, enen een herte geven. Zie verder Pers, 402 a; 382 b; Bank. I, 298; Hooft, Ned. Hist. 457; Brieven, 170; 230; 343; 477; enz. Ook komt bij Hooft, Ned. Hist. 231, voor ‘iemand een hart onder den gordel steken’. Vgl. Taalk. Mag. III, 497; Harrebomée III, 218; Ndl. Wdb. VI, 11; XI, 457. Vgl. fr. (re)mettre le coeur au ventre à qqn; donner du coeur à qqn; hd. einem ein Herz geben, machen, einstecken, einreden; eng. to put heart into a man. Door invloed van het hart zinkt hem in de schoenen is later deze uitdr. veranderd in: iemand een riem onder het hart steken. (Aanv.) Een riem onder 't hart steken wordt (werd?) ook gebruikt onder zeelui, als zij een drenkeling een roeiriem toesteken.(Aanv.) Vgl. ook Ndl. Wdb. XIII, 113..

847. Het hart op de tong (of op de lippen) hebben,

d.i. zeggen wat men denkt, van zijn hart geen moordkuil maken, openhartig zijn. De zegswijze komt in de 16de eeuw voor: t Hart leyt op de tonge altoosZie G. Kalff, Verslag van een onderzoek in Engelsche bibliotheken, bl. 39.. Zie verder W.D. Hooft, Jan Saly, 18; Tuinman, II, 207; Ndl. Wdb. VI, 7; VIII, 2177; fri. it hert op 'e tonge habbe; hd. das Herz auf der Zunge haben; nd. dat hart för up de tunge hebben (Dirksen, I, 38); fr. avoir le coeur à la bouche, sur les lèvres, sur la main; eng. to have one's heart in one's mouth (or upon one's sleeve; at one's tongue's end). Vgl. ook het mlat. os habet in corde sapiens, cor stultus in ore (hier wordt gedacht aan iemand die er alles maar uitslaatVgl. Huygens, Korenbl. 2, 213: Uw hert light op uw' Tongh, maer waert ghy wat min jongh, uw' Tongh laegh in uw hert; De Brune, 286: De mond van een voorzichtigh man, light in zijn hert, of herszen-pan; het herte van een nar of zot light in zijn mond, gans zonder slot.).

848. Waar 't hart vol van is, vloeit de mond van over,

d.w.z. men spreekt gaarne over datgene, waarvan ons hart vervuld is; ontleend aan Matth. XII, 34: Uyt den overvloet des herten spreeckt de mont. Vgl. Ovl. Ged. I, 6: Men heeft gheseit te menegher stont dat es in den moede, dats in den mont; Ferguut, 660: Die mont sprect dat int herte leit; Kaetspel, 1: Men segt ghemeenlike, dat in der herten dat in den mont; Servilius, 193: Een volle mont seyt shartzen grondt; W. Leevend IV, 290; Zeeman, 266; Ndl. Wdb. VI, 19; XII, 1042; Wander II, 615 en 't fri.: dêr 't herte fol fen is dêr rint de mûle fen oer. In Zuid-Nederland: Waar t' hert vol van is, daar spreekt de mond af of daar loopt de mond van over, d.i. vuile woorden verraden een bedorven hart (Joos, 194; Antw. Idiot. 1757); vgl. fr. la bouche parle de l'abondance du coeur; hd. wes das Herz voll ist, des geht der Mund über; eng. what the heart thinketh, the mouth speaketh.

850. Van zijn hart geen moordkuil maken,

d.w.z. zijne gedachten en gevoelens niet verzwijgen, niet dooden, niet smoren; ook van zijn hart geen smoorkuil, smoorkolk, smoorpan maken. In de 17de eeuw voorkomend bij Winschooten, 214: Ik seg het rond uit, soo als ik het meen: ik wind daar geen doekjes om: ik maak van mijn hart geen moordkuil. Vgl. verder Sweerts, Ged. 555; W. Leevend, I, 2; Sewel, 499; Halma, 360; het mnl. mortcule, moordhol, en Kil.: moordkuil, spelunca latronum, een hol van dieven. Zie het Mnl. Wdb. IV, 1967; Ndl. Wdb. VI, 18; IX, 1118 en vgl. het hd. aus seinem Herzen keine Mördergrube machen (Schrader, 404; Reuter, 75 aBüchmann, 34 meent dat de zegswijze eene onnauwkeurige aanhaling van Matth. XXI, 13 is.); oostfri. ût sîn harte gîn mordkule maken (Dirksen, I, 38); fri. hja makket fen hjar hert gjin moardkûle of smoarpanne.

851. Iets niet over zijn hart kunnen (ver)krijgen,

het niet van zich kunnen (ver)krijgen, er niet toe kunnen besluiten iets te doen (in Zuid-Nederland ook: iets aan te nemen); vgl. 17de en 18de eeuw het kan of mag mij niet van het hart of van mijn hart; Zuidndl. iet niet in zijn herte kunnen vinden. Onze uitdr. komt in de 18de eeuw voor in Br. v. Abr. Bl. 2, 63: Hoe zoudt gij over uw hart kunnen krijgen zo verre van uwe Christelyke pligten aftedwaalen; Tuinman II, 193: Hy kan dat over zyn hert niet krygen, dat is, hy kan daar toe niet komen; men kan hem daar toe niet bewegen, noch overhalen. Vergelijken we hiermede de uitdr. nog niets over zijn hart gehad hebben, nog niets genuttigd hebben; en het Zuidndl. iet over zijn herte niet kunnen krijgen, iets niet in de maag kunnen krijgen, iets niet lusten (Teirl. II, 39; Antw. Idiot. 554; Rutten, 91; Tuerlinckx, 261; Waasch Idiot. 287), fig. iets niet kunnen verdragen, tot iets niet kunnen besluiten, dan kan de eerste beteekenis onzer zegswijze geweest zijn iets niet kunnen eten, niet kunnen verdragen, en daarna in fig. zin iets niet kunnen hebben, er niet tegen kunnen, er niet toe kunnen komen. Vgl. hiermede iets mogen, dat vroeger en nu nog dial. ‘iets lusten’ beteekent (van spijzen gezegd), waaruit zich de algemeene beteekenis van houden van, goed vinden heeft ontwikkeld.

852. Zijn hart ophalen,

d.w.z. zich vervroolijken, volop genieten, zijn lust botvieren. Het wkw. ophalen beteekende vroeger en thans nog wel oppoetsen, opknappen; vgl. Kil.: Ophaelen, refricare, fricando renovare; op-haelen de oude cleederen, interpolare, desquamareZie Woordenboek op Brederoo, 272; Oudemans V, 453 en Harreb, I, 288 b.; vandaar bij overdracht toegepast op het gemoed: opfrisschen, verkwikken, verlustigen. Denzelfden overgang van beteekenis heeft het mnl. en 17de-eeuwsche sine ogen verclaren; Zuidndl. zijne oogen verkleren; fri. de eagen forklearje, zich verlustigen in het gezicht van een bemind voorwerp (Ndl. Wdb. X, 2274). De uitdr. komt voor bij Sart. II, 5, 48: Syn hertken ophalen vert. van van indulgere genio; in de 17de eeuw is zijn hart ophalen in (of met) iets zeer gewoon; vgl. Hooft, Ged. I, 284; Winsch. 342; Vondel, Samson, 1444; Focquenbroch, Eneas, 183, vs. 7; Tuinman I, 101 en Halma, 207: Zijn hart ergens meede ophaalen, se donner au coeur joye de quelque chose; zijn hart ophaalen, zijne lust volgen, suivre sa volonté ou sa fantaisie. In Groningen beteekent dat mout zien hart ophoalen, dat moet er zoo door, wat de gevolgen ook mogen zijn (Molema 148 a; 309 b); dezelfde bet. heeft het fri.: dat moat syn hert mar ophelje. Zie nog Joos, 115; Schuermans, 186; Waasch Idiot. 286 b; Ndl. Wdb. VI, 17; XI, 790, waar als waarschijnlijk oorspronkelijke opvatting van de uitdrukking wordt medegedeeld: zich verkwikken, door diep adem te halen, door met lange teugen versche lucht in te ademen.

854. Alle harten bij je eigen (rekenen),

d.w.z. denken, rekenen dat alle andere harten op dezelfde wijze zullen gevoelen, willen of wenschen; zijn eigen gevoelens, gezindheden als maatstaf nemen voor die van anderen (Ndl. Wdb. VI, 21). Vgl. Campen, 41: By u herte kennet ghi alle herten; Agricola, 309: ein yeder richtet einen andern nach dem er gesynnet ist. De zegswijze komt in de 17de eeuw voor bij Brederoo I, 270: Rekent byje eyghen hert, hoe noo datj op straet soudt blyven; V.d. Venne, 221: By sijn eygen ghemoedt kentmen alle harten; Gew. Weuw. II, 30: Denk eens alle herten by u eige; Pasquilmaeker, 20; Dagd.De dagdief, Kluchtspel, tot Deventer, by Warner ten Uyl, Boekverkoper, 1684. 47: Want het spreekwoord is waarachtig elk denkt een anders hart by 't zyn; Sewel, 319: Alle harten by 't zyne rekenen, to judge of others as of one's self; Harreb. I, 286.

904. Het op de heupen hebben (- krijgen),

d.w.z. in een opgewonden gemoedstoestand verkeeren of geraken, d.i. slecht gehumeurd zijn òf met een aanval van buitengewonen ijver iets doenMag men hierin eene herinnering zien aan de oudtestamentische gewoonte om op de heupen te kloppen als teeken van groote ontsteltenis en droefheid? Of moeten we denken aan verschijnselen bij een heuplijden?. De uitdr. staat opgegeven bij Harreb. I, 307 b; ook komt ze voor O.K. 166; 170; Uit één pen, 144; Sjof, 158; 176; 218; Kmz. 24; Jord. 195; 235; Speenhoff VII, 25; Heyermans, Ghetto, 11; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 236: De rooie huzaren waren er ook bij uitgenoodigd om te hooren wat de generaal van Den Haag vandaag op z'n heupen had. Vgl. de soortgelijke uitdr. 't op de zenuwen, op de borst hebben; het op den asem hebben (Waasch Idiot. 280); 't veur de nieren hebben, zwanger zijn (Molema, 545 a); het voor zijn speetjes (?) hebben = dronken zijn (Gew. Weuw. III, 69); het voor zijn kiezen krijgen (ald. bl. 39; ook Harreb. 399; B.B. 151); het voor de nieren hebben, dood gaan (Gallée, 30 b; Draaijer, 27 b); in Twente: 't veur de stikken krîgen, sterven; hij heeft het voor zijn ster (dronken; Nav. 1897; 59); 't op zijn ruiker(d) hebben, zich meer dan anders inspannen (Onze Volkstaal III 254; Menschenw. 312; 431; Lev. B. 95); 't voor zijn kriek hebben (ongesteld, dronken zijn; Boekenoogen, 514; evenzoo bij De Vries, 80, die het ook vermeldt van een vrouw: zwanger zijn); hij het et van dage op de butte, goedgehumeurd (Dr. Bl. II, 51); fri. hy het it for de krint (ongesteld); hy heeft het voor zijn maag (dood; Sewel, 470); hij heeft het hard voor zijn scheenen (kwaad te verantwoorden; Halma, 560); het voor zijn hart hebben (dronken of verliefd zijn; Ndl. Wdb. VI, 10); 't op 't lijf hebben, iets in den zin hebben (Gunnink, 162).

1691. Uit het oog, uit het hart,

d.w.z. zoodra iemand afwezig of vertrokken is, wordt hij licht vergeten, want die van vor ogen es, es teer vergheten, des sijt ghewes (Tijdschrift VII, 289). In het mnl.: dinc die uten oghen es es uter herten syds ghewes (vgl. Doct. II, 2167); Prov. Comm. 166: die uten oghen es is vter harten, qui procul est oculis procul est a lumine cordis; Goedthals, 24: die wter ooghen is, wter herten; Campen, 71: die wt den oghen is die is oeck wten herten; zie verder Sart. I, 3, 22; V.d. Venne, 132: Wt de ooghen, buyten 't hart; Hooft, Ged. I, 130, 37; Brederoo I, 1783: 't Is al gelijck men seyt: uytter ooghen, uytter harten; Idinau, 203; C. Wildsch. II, 251; Harreb. I, 290 a en III, 218 b; Ndl. Wdb. X, 2281; De Cock2, 118; Antw. Idiot. 886; Waasch Idiot. 478: uit der oogen uit der herten; Afrik. uit die oog, uit die hart; Bebel, bl. 458-460; Erasmus, CL; Wander I, 169: aus den Augen, aus dem Sinn; nd. ût den Augen, ût den Sinn (Eckart, 24); fr. loin des yeux, loin du coeur; eng. out of sight, out of mind; long absent soon forgotten; fri. út it each, út it hert; vgl. het lat.: quantum oculis, animo tam procul. ibit amorOtto, 250; Journal, 256; Archiv XIII, 393; Zeitschr. f. D. Wortf. IX, 308.; mlat. quisquis abest oculis, fructu privatur amoris; qui procul est oculis, procul est a lumine cordis (Werner, 78).

1692. Wat het oog niet ziet, het hart niet deert.

Deze gedachte vindt men in het middeleeuwsch Latijn uitgedrukt door de woorden non oculo nota res est a corde remota; quod non videt oculus cor non dolet. Bij ons komt ze voor bij Campen, 24: wat die ogen niet en sien, becommert dat herte niet; Goedthals, 14: datmen niet en weet, en deert niet; 24: dat d' ooge niet en siet, en begheert therte niet, ce qu'oeil ne voit, a coeur ne deut; De Brune, 386: Dat de ooghe niet en ziet, dat beroert het herte niet; Huygens, Korenbl. II, 188: Hij houdt het met het oude lied: dat een niet weet en schaedt hem niet; Tuinman I, nal. 9: 't Geen 't oog niet ziet, deert het herte niet; Harreb. I, 288 a; Afrik. wat die oog nie sien nie, deer die hart nie; Bebel, no. 394; Wander I, 176: was die Augen nicht sehen, kümmert (beschwert) das Herz nicht; was ich nicht weisz, macht mich nicht heisz; nd. wat de Ogen nicht seht, dat kränk 't Hart ôk nich; eng. what the eye sees not, the heart rues not.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(k̑ered-:) k̑erd-, k̑ērd-, k̑r̥d-, k̑red- ‘Herz’

Arm. sirt, Instr. srti-v ‘Herz’ (*k̑ērdi-);
gr. καρδίᾱ (att.), κραδίη (hom.), κάρζα (lesb.), κορίζᾱ (kypr.) ‘Herz; Magen;Mark bei Pflanzen’ (*k̑r̥d(i̯)a), poet. κῆρ, -ος n. ‘Herz’ (*k̑ērd); κέαρ Neubildung nach ἔαρ : ἦρος;
lat. cor (aus *cord), cordis ‘Herz’, con-cors, -dis ‘einträchtig’, dis-cors ‘zwieträchtig’;
air. cride n., nir. croidhe ‘Herz, Mitte’, cymr. craidd ‘Mittelpunkt’, corn. cre(y)s, bret. kreiz ‘Mitte’ (das Ir. läßt sich aus *k̑redi̯om oder *k̑r̥di̯om erklären, vorausgesetzt, daß die dunkle Färbung der anlaut. Konsonanz Erklärung findet (nach crú ‘Blut’?); die brit. Formen verlangen dagegen eine Grundform *k̑redi̯om);
got. haírto, ahd. herza, ags. heorte, anord. hjarta n. ‘Herz’ (*k̑ē̆rd-on-);
lit. širdìs f. (älter m.), Akk. šìrdį ‘Herz, Kern, Mark von Bäumen’; lett. sir̂ds f. (älter m.) ‘Herz’ und ser̂de f. ‘Mark, Kern im Holze’ (Grundformen *šérd- und šir̃d-, vgl. den altenGen. Sg. širdés und Gen. Pl. širdų́, die auf idg. *k̑erdés und *k̑erdṓm beruhen; siehe Trautmann Bsl. Wb. 302); apr. seyr n. (*kērd), zum m. o-St. erweitert sīras, Akk. sīran ‘Herz’;
akl. srъdьce, serb. sȑce ‘Herz’; hochstufig aksl. srěda ‘Mitte’ (*serda), russ. seredá ds.;
hitt. ka-ra-az (karts) ‘Herz’, Gen. kar-di-aš (Pedersen Hitt. 41).
Nicht hierher (sondern zu mir. cretair ‘Reliquie’) idg. k̑red-dhē- ‘Zauberkraft worauf setzen, glauben, vertrauen’ in ai. śrád-dadhāti ‘vertraut, glaubt’ (getrennt noch z. B. śrád asmāi dhatta ‘glaubet an ihn!’), śrad-dhā ‘Vertrauen’, av. zrazdā- ‘glauben’ (aus *srazdā- durch volksetym. Anlehnung an zǝrǝd- ‘Herz’);
lat. crēdō ‘glaube’ (*krezdō-, idg. *k̑red-dhē-);
air. cretim ‘glaube’, cymr. credaf ds. (nicht *crethaf, daher erst spät zur festen Zusammensetzung geworden), corn. crežy, mbret. cridiff, nbret. credi ‘glauben’; dazu air.cretar, mcymr. creir, cymr. crair (*kredrā) ‘Reliquie’.
Reimwort zu k̑er(e)d- ist g̑hērd-, g̑hr̥d-, nur arisch, in ai. hr̥d ‘Herz’, usw.

WP. I 423 f, WH. I 272 f., 286 f., 857, 858; Vendryes RC 40, 436.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal