Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

honderd - (100)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

honderd telw. ‘100’
Mnl. hundert ‘honderd’ [1240; Bern.], meestal hondert [1254; CG I, 67].
Oude samenstelling met de betekenis ‘honderd-tal’. Het eerste lid daarvan, namelijk pgm. *hunda-, duidde oorspr. wrsch. niet een vast aantal aan, maar slechts ‘een flinke hoeveelheid’ (Reuter 1933, 65, noot 2). Afhankelijk van het gehanteerde rekensysteem kon dat in de praktijk ‘100’ of ‘120’ zijn, dat laatste (traditioneel ook wel groothonderd genoemd) met name in het Oudnoords. De vorm *hunda-rada- kreeg op den duur de vaste waarde ‘100’.
Os. hunderod (mnd. hundert); mhd. hundert (nhd. hundert); ofri. hundred, hunderd; oe. hundred (ne. hundred); on. hundrað (nzw. hundra); < pgm. *hunda-rada-, gevormd uit *hunda- ‘100, 120’ en *rada- ‘(aan)tal’. Bij pgm. *hunda- horen: onl. chunna ‘100’ (geassimileerd uit *chunda) [8e eeuw; LS]; mnl. hond ‘landmaateenheid van 100 voet’ (ook nnl. nog hond als oude landmaat); os. hund (mnd., hunt); ohd. hunt (mhd. hunt); on. hund; got. hunda.
Pgm. *hunda- is verwant met: Latijn centum (zie → cent); Grieks hekatón; Sanskrit śatām; Avestisch satəm; Litouws šimtas; Oudkerkslavisch sŭto (Russisch sto, Tsjechisch sto); Oudiers cēt; Tochaars A/B känt(e); uit pie. *ḱmtóm ‘honderd’; oorspr. betekende dit wrsch. ‘tien tientallen’, als verkorting van *(d)ḱmtóm déḱmt letterlijk ‘tiende tien’, bij pie. *(dé)ḱmt- ‘tien’ zoals dat verschijnt in: Latijn -gintī, -gintā in de namen voor tientallen vīgintī ‘20’, trīgintā ‘30’ etc.; Grieks -konta in triā́konta ‘30’ etc.; en de Indo-Europese woorden voor ‘10’, zoals Latijn decem en pgm. *tehun, zie → tien.
Bij *rada- hoort in de eerste plaats got. raþjō ‘getal’ en garaþjan ‘tellen’; in de andere Germaanse talen heeft dezelfde stam geleid tot betekenissen die met ‘spreken, redeneren’ te maken hebben, zie → rede. Buiten het Germaans is o.a. Latijn ratio ‘berekening’ verwant, zie → ratio.
Lit.: Menninger 1958; O.S. Reuter (1933), ‘Zur Bedeutungsgeschichte des hundrađ im Altwestnordischen’, in: Arkiv för nordisk filologi 49, 36-67

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

honderd* [telwoord] {hondert 1236} oudsaksisch hund(erod), oudhoogduits hundert, oudfries, oudengels hundred, oudnoors hundrað, samenstelling van oudsaksisch, oudengels, gotisch hund, oudhoogduits hunt, buiten het germ. latijn centum (vgl. cent) + een tweede lid gotisch raþjo [rekening] (vgl. rede1). In de uitdrukking in het honderd werpen [in het wilde gooien] staat honderd voor een onbepaald groot aantal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

honderd mnl. hondert, os. hunderod, mhd. hunterit, hundert, ofri. oe. hundred, on. hundrað is een samenstelling van het onder hond 2 genoemde telwoord met een 2de element *raða, dat bij got. garaþjan’tellen’behoort (zie ook: rede).

Opmerkelijk is dat ondanks de idg. bet. 10 x 10, in het oudgerm. honderd 120 betekent, zoals in on. hundrað; daarom onderscheidde men naderhand een tīrætt hundrað = 100 van een tolfrætt hundrað = 120. Ook elders bestond de behoefte het getal 100 uitdrukkelijk aan te duiden, vgl. got. taihuntehund, ohd. zehanzug, zehanzo, oe. hundteontig, on. tīu tigir. ( vgl. Frings, Fryske Studzjes 1960, 7-39).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

honderd telw., mnl. hondert(d), evenals nnl. honderd ook znw. o. = mhd. hundert o. (nhd. hundert), os. hunderod o., ofri. hundred, hunderd o., ags. (eng.) hundred o., on. hundrað o. Het tweede lid, germ. *raða-, hoort bij got. (ga)raþjan “tellen” enz.: zie rede. Het eerste lid is germ. *χunða- o., got. hund (alleen mv.), ohd. hunt, os. ags. hund o. “honderd”, dat in ’t Ndl. nog bestaat als naam van een vlaktemaat: hond o., mnl. hont(d) o. Germ. *χunða- > idg. *kemtó- *ḱmtó-), waaruit ook ier. cêt, lat. centum, gr. he-katón, obg. sŭto (wsch. geen Iraansch leenwoord), lit. szim̃tas, oi. çatá- “ honderd”. Deze idg. vorm gaat op *dḱemtó-terug, is verwant met *deḱm (zie tien) en beteekent oorspr. “tiental (van tientallen)”. Voor den anlaut vgl. gr. triā́-konta “dertig”. In het vóór-christelijke On. beteekende hundrað alleen “120”, later onderscheidde men tusschen tolfrø̂tt hundrað “120” en tîrø̂tt hundrað “100”. Got. taíhuntehund, ohd. zëhanzug, zëhanzo, ags. hundtêontig, die evenals on. tîu tigir “100” beteekenen, wijzen er op, dat reeds oergerm. *χunða- = “120” en niet “100” was. De idg. bet. van *emtó- was echter “honderd”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

honderd, hond als landmaat reeds oudgents (hund: Mansion Oudg. Naamk. 190).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

honderd o. en bijv., Mnl. hondert, Os. hunderod + Ohd. hundert (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hundred (Eng. id.), Ofri. hundred, On. hundrađ: van Os. hund, Ohd. hunt, Ags. hund, Go. hund + Skr. çatam, Zend satǝm, Gr. he-katón Lat. centum, Oier. cét, Osl. sŭto, Lit. szim͂tas: Idg. *ḱṃtóm, verkort uit dḱṃtom = tiental (nl. van tienheden: z. tien). Germ. hund werd alleen gebruikt van 200 af; voor 100 had het Ohd., Ags., On. en Go. een vorming van tien, gelijk aan die van negen voor 90. De betrekking van honderd tot hund is niet duidelijk: voor de meesten is het een samenstelling van hund met *raþ = getal, reeks (van den wortel van rede); voor anderen is het een afleiding: hund = honderd — (Ohd.) hundari = afdeeling van honderd — *hunderod = honderdtal: vergel. Lat. centum — centuria — *centuriatum.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hoonderd (telw.) honderd; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) hondert, Vreugmiddelnederlands hundert <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

honderd: 100 (Arab.) of C (Rom.); Ndl. honderd (Mnl. hondert), Hd. hundert, Eng. hundred, eerste lid beantw. aan Oeng. en Got. hund en aan Lat. centum, Gr. (h)ekaton en Oind. satem (v. centumtale en satemtale), tweede lid hou verb. m. Got. (ga)raþjan, “tel”; vgl. verder WAT i.s. man/perd honderd, ens.; v. ook raad.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

honderd. In de verbinding bij gans honderd is honderd mogelijk een vervorming van wonden. Is zulks het geval, dan mogen wij er een bastaardvloek in zien van Gods heilige lijdenswonden. Op het moment dat men in honderd geen verbastering meer ziet van wond, maar er een telwoord in herkent, krijgt dat telwoord een soort versterkende functie dat een verdere uitbreiding kon ondergaan, zoals wij zien in gans guts hondert en twintigh. Andere bastaardvloeken met telwoorden zijn: gans honderden, pots honderd slapprementen; pots honderd twyntig luyster; wat honderd guldelingen. In deze laatste uitroepen, die niet verder reiken dan de 17de eeuw, heeft honderd uitsluitend een verhullende betekenis. Door zijn donkere klank kan honderd fungeren om op hol geslagen emoties beheersbaar te maken. Honderd doet ook dienst als versterker van duizend in de volgende bastaardvloeken c.q. uitroepen: honderd duizend schanden; honderd duizend duitsche duikers; honderd duizend françoysen. Honderd zoekt ook het gezelschap van geld: wat honderd guldelingen; bij honderd duizenden stuiveren. Als honderd echt als telwoord gebruikt wordt in vloeken, dient het om kenbaar te maken hoe vaak de vloek geldt. In het zuiden van ons taalgebied komt de bastaardvloek honderd zakken gort voor de nonnen voor, dat een omcirkelend substituut is voor godverdomme. In het hedendaags Nederlands (Van Eijk 1978: 80) komt als verwensing voor ik hoop dat je honderd wordt, maar dan vannacht nog! Deze hatelijkheid wordt in woede gebruikt en heeft de intentie om het slachtoffer van de verwensing duidelijk te maken dat hij geminacht wordt en zo snel mogelijk moet ophoepelen. → duizend, guldeling, stuiver, suiker.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Honderd (Os. hunderod, Oudnoorsch hundrath) is een samengesteld woord uit hond, dat op zich zelf reeds 100 bet., terwijl ’t tweede lid een afl. is van een w.w., dat tellen bet. (Got. rathjan), zoodat honderd feitelijk bet.: 100-tal. In onze taal is hond nog: 100 vierk. roeden, bijv. vijf hond haver; een hond land; polder: de Hond.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

honderd ‘telwoord’ -> Petjoh (kamer) nummer honderd ‘de wc’; Negerhollands hondert, honderd ‘telwoord’; Berbice-Nederlands hondrutu ‘telwoord’; Sranantongo hondro, hondru ‘telwoord’; Aucaans ondoo ‘telwoord’; Arowaks hundred ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

honderd* telwoord 1236 [CG I1, 25]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1658. Nummer honderd,

benaming van het heimelijk gemak, omdat dit in hotels op de deur veelal met het cijfer 100 gemerkt is; vertaling van het fr. numéro cent, le no. 100, waarin cent een woordspel is met den werkwoordsvorm sent van het ww. sentir, ruiken. Zie verder Tante Meijer .

935. In het honderd (- jagen, - sturen, - werpen),

d.w.z. in het wilde, in wanorde. Honderd is hier genomen in den zin van een groot aantal, een massa, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen in den grooten hoop jagen, enz. Werpt men iets in den grooten hoop, zonder een bepaalden persoon op het oog te hebben, dien men wil treffen, dan gooit men in het ruwe, in het wilde maar weg, zooals bij A. Bijns, Refr. 49: ‘Knaecht mijn beenken, die wilt; ic werpt int hondert al; diet aengaet, macht in sijn tessce steken’, dat te vergelijken is met Nieuwe Refr. 32: Dit werp ic int hoopken, deylet te samen; Leuv. Bijdr. IV, 330: Een beenken, dat ic int hoopken slingere; zie verder Hooft, Ned. Hist. 289: Men schiet of, plompverlooren in 't hondert; Winschooten, 294; Sart. II, 5, 7; Vondel's Roskam, 167:

'k Heb, ô doorluchtig Hoofd der Hollandsche poëeten!
Een kneppel onder een hoop hoenderen gesmeten;
'k Heb wetens niemant in 't bijzonder aangerand.

Leeuwendalers, vs. 861:

Maer nu komt Goverts knecht zoo wijt,
Dat hy moedtwillighlijck een' eicken kneppel smijt
In 't hondert, in den hoop, daer al de hoenders picken
De boeckweite op mijn werf.

Zoo kon in 't honderd ook bij andere werkwoorden gebruikt worden in den zin van in het wilde, als bijv. iets in 't honderd sturen, jagen; zoo kan ook iets in 't honderd loopen syn. van in de gort loopen en kan men in 't honderd schermen, praten, beweren, d.i. in de lucht, in den wind, in het wilde schermen (Harreb. III, 229 b). Vgl. nog Ndl. Wdb. VI, 911-912; Ons Volksleven VIII, 229; Antw. Idiot. 570: in 't honderd laten loopen, in 't wild laten loopen, er niet naar omzien, niet verzorgen; hd. ins wilde Hundert streichen (Wander II, 902); fri. in 't hounderd stjure.

2482. Vrienden in den nood, honderd in een lood

d.w.z. in den nood zijn de vrienden meestal van weinig gewicht, van weinig waarde; goede vrienden zijn dan zeldzaam. Vgl. Ovidius, Tristia I, 9, 5: Donec eris felix, multos numerabis amicos, tempora si fuerint nubila, solus eris; Scaecspel, 74: Tempore felici multi numerantur amici, dum fortuna perit nullus amicus erit. Het spreekwoord komt voor bij Cats I, 507: Vrienden in der noot vier-en-twintigh in een loot; De Brune, 36: Goede vrienden in de noot, vierendertigh in een loot; 38: Vrienden in der vrienden nood, vier en twintigh in een loot; Tuinman II, 216; Harrebomée II, 35; Ndl. Wdb. VIII, 2712; Wander I, 1184: Freunde in der Noth gehen fünff und zwentzig (fünffzig) auf ein loth; ital. borsa serrata, amico non si trova. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1406: vrinden in den nood, vijf en zestig in één lood. Dit laatste woord biedt zich van zelf aan door het rijm.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut