Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hondsvot - (scheldwoord)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hondsvot [scheldwoord] {1580} < hoogduits Hundsfott [ellendeling, eig.: het geslacht van de teef], vot, 16e-eeuws oostelijk fotte, middelnederduits fut(te), fotze, futze, vut (hoogduits Fotze [kut]), oudnoors fuð [vrouwelijk geslachtsorgaan], verwant met latijn putidus [stinkend], oudindisch putau [billen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

hondsvot

Een hondsvot is een nietswaardige, laffe en verachtelijke kerel, een ellendeling en ook: een gierigaard, iemand die dood valt op een cent. Men zal het woord alleen gebruiken als scheldwoord voor mannen en dat is eigenaardig, want de eigenlijke betekenis van hondsvot is: schaamdeel van een wijfjeshond. Omdat men zich die oorspronkelijke betekenis niet meer bewust was, kon deze platte term doordringen in de gemeenzame spreektaal. En zelfs in literaire teksten is het woord niet ongewoon. Agamemnon noemt Palamedes in het gelijknamige treurspel van Vondel: een oude hondsvot. Het woord vot is verwant met vuil, Engels foul, met voos en met vuns, allemaal woorden in de betekenissfeer van: rottend, slecht, schuldig en dergelijke.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hondsvot znw. v. o., sedert de 16de eeuw < nhd. hundsfott ‘ellendeling’ (dat uit dezelfde tijd stamt). Het scheldwoord betekent ‘vulva canis’. — Het 2de lid kent Kiliaen als Saksisch-Sicambr. reeds verouderd fotte, vgl. mnd. fut, futte, mhd. fotze, futze (nhd. fotze), ook vut v., on. fuð- (in samenstellingen als fuðflogi ‘man die zijn verloofde ontvlucht’), nijsl. fuð, nnoorw. fud, fu, ozw. run. fuþ, nzw. fod, fo. — lat. pūtidus ‘stinkend’, oi. putau ‘billen’, pūti- ‘stinkend’ (van Helten ZdW 10, 1908, 195 en IEW 849). — Zie ook: vuil.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hondsvot znw. (de, het), sedert de 16. eeuw. = nhd. hundsfott m. “ellendeling” (sedert de 16. eeuw). Oorspr. bet. “vulva canis”. Het tweede lid is het door Kil. “vetus” genoemde fotte of ’t door hem “Sax. Sicamb.” genoemde, ook mnd. fut, futte v. “vulva”, = mhd. fotze, futze v. (nhd. fotze) resp. vut v. “id.”. Uit het On. vgl. fytta v., fuð v. “vulva”. Men combineert hiermee òf oi. putau (dualis) “billen” òf de basis, die bij vuil besproken is en waarvan met t-formans ook lat. puter “rot”, misschien ook ier. othar “een zieke”. Laten wellicht beide etymologieën zich combineeren? Bij namen van geslachtsdeelen moet men echter met etymologiseeren voorzichtig zijn, aangezien de mogelijke grondbett. zoo velerlei zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hondsvot m., + Hgd. hundsfott; het tweede lid = cunnus + Hgd. fotze, On. fuđ: van den Idg. wrt. peu = stinken (z. vuil).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hondsvot: laf, verachtelijk iemand. Betekent eigenlijk ‘geslachtsdeel van een teef’. In de zestiende eeuw was vot een benaming voor het vrouwelijk geslachtsdeel. Volgens De Vooys is dit Nederduits. Fotze betekent ‘kut’ en wordt vandaar ook overdrachtelijk gebruikt voor een hoer. In Mozarts brieven is er sprake van Hundsfötter. Sommige bronnen leidden het woord af van het Hongaarse honved: de benaming der Hongaarse militie. Havenarbeiders gebruiken hondsvot in de betekenis van ‘het oog voor het derde part onder aan een katrol’. De mannelijke tegenhanger van de hondsvot, de hondsklink, is uit onze taal verdwenen.

… Die Priaap is maar een hondsvot. (Jacob Campo Weyerman, De Rotterdamsche Hermes, 1720)
‘Pak jij dan aan, hondsvot!’ gebood de ridder aan Fulco. (C.Joh. Kievit, Fulco de minstreel. Tweede druk, 1903)
Op een gegeven moment lichtte de reus zijn lover van de vloer en smakte hem languit op de bar. Het magere hondsvot lag te rillen van angst! (Harry Boting, Wie geeft me jatmous? 1965)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hondsvot (Duits Hundsfott)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hondsvot. De letterlijke betekenissen van hondsvot laten aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘vrouwelijke geslachtsdeel van een hond, hondsklink; verachtelijke kerel, ellendeling; lafbek’. In combinatie met gans is het gewoon in de 17de en de 18de eeuw. Mogelijk moeten wij hier een bastaardvloek veronderstellen van bij Gods hondsvot, een wel heel banale aanroep ten getuige dat men de waarheid spreekt. Misschien is er ook een andere verklaring mogelijk en moet men in hond een verbastering van God aannemen, terwijl vot een verkorting is van voet. Bij Gods voeten is op zich als vertrekpunt niet onaannemelijk en wordt ondersteund door het Duitse potz fut!matsfots.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hondsvot ‘scheldwoord; onbeduidend voorwerp; oog voor het derdepart onder aan een katrol’ -> Engels † houndsfoot ‘scheldwoord’ (uit Nederlands of Duits); Deens hundsvot ‘scheldwoord; oog of strop aan het einde van een touw; achterzitje op een slee’ (uit Nederlands of Duits); Noors hundsvott ‘achterzitje op een slee’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds hundsfott ‘scheldwoord’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins hunsvotti ‘scheldwoord’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hondsvot scheldwoord 1580 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut