Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huidig - (hedendaags, van deze tijd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huidig bn. ‘hedendaags, van deze tijd’
Mnl. hudig ‘van heden, van vandaag’ in op desen hudigen dach ‘vandaag’ [1405; MNW voregeleden]; vnnl. huidig, ook ‘tegenwoordige’, bijv. in van deze huydige eeuwe [1624; WNT], van den huydigen Keyser [1664; WNT].
Afleiding van de Oostmiddelnederlandse nevenvorm huden van → heden ‘vandaag’ (ook Middelnederduits huden); misschien naar analogie van Duits heutig, dat al veel ouder is: ohd. hiutīg [8e eeuw; Pfeifer], mhd. hiutec, -ic. Een equivalente westelijke vorm mnl. *hedig bij heden is niet aangetroffen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huidig* [van heden] {hudich 1409} van middelnederlands hude(n), huyden [heden] (vgl. heden1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heden bijw., mnl. hēden, Limb. Serm. hiden. Speciaal ndl. vorm, naast mnl. hûde(n) (waarvan ’t bnw. mnl. hûdich, nnl. huidig), ohd. hiutu, hiuto (nhd. heute; uit hiu tagu >*hiutgu), os. hiudu (naast hûdigu), oofri. hiûde (naast hiûdega), owfri. hiôda, -e, ags. hêodœg, beslaande uit een dat.-instrum. van den pronominaalstam *χi- en van dag. Het ndl. heden bevat den onverbogen stam *χi-, vgl. voor de formatie gr. sēmeron “heden” (uit *kj-ámeron); een dgl. formatie met een anderen vnw.-stam is wellicht faliskisch foied, lat. hodiê “id.” (*gho-djêd). De n van mndl. hûden, wsch. ook die van heden, moet aan de analogie van gisteren en morgen II worden toegeschreven. Voor den stam *χi- vgl. hier.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huidig bijv., van Mnl. hude = heden (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Huidig van huide, Os. hiudiga, letterlijk: op dezen dag, met den klemtoon op hiu, waardoor ’t tweede lid tot de verkort werd. Dit hiu is ’t zelfde aanw. voornw., dat ook in hij en hier voorkomt. De n van huiden is waarschijnlijk naar analogie van heden en morgen toegevoegd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huidig* tegenwoordig 1409 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut