Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huik - (kapmantel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huik zn. ‘kapmantel’
Mnl. hoyke ‘kapmantel’ met vele nevenvormen, bijv. huke, heyke, heuke, hoeyke, houke, ook vaak zonder -e. Oudste vindplaats als heucken (mv.) ‘kapmantel’ [1317; MNW]. Alleen de vorm huke [1400-20; MNW-R] stabiliseerde zich tot de huidige standaardvorm: huyken (mv.) [1404; MNW strijpt]; vnnl. huycke [1562; Kil.]; nnl. huik.
In het Middelnederlands is er grote variatie in de spelling van de klank tussen h en k; hetzelfde geldt voor het Middelnederduits, met heike, huke, hoke. Op grond hiervan zou men net als bijv. bij → fruit en → fluit kunnen denken aan ontlening aan een woord met een in het Middelnederlands onbekende diftong, zie → buitelen. Frans huque ‘huik’ [1404; FEW], ook heuque [1408; FEW], valt dan af als kandidaat vanwege de latere datering en de van oudsher stabiele u-klank; men neemt voor het Franse woord juist algemeen aan dat het ontleend is aan mnl. of mnd. huke. Deze redenering gaat echter voorbij aan het feit dat de vorm mnl. huke pas verschijnt in dezelfde periode als Frans huque, en dan bovendien nog relatief weinig voorkomt. Huke, waaruit met diftongering van u > ui de huidige vorm huik, kan dus wel degelijk ontleend zijn aan Frans huque, vervolgens vereenzelvigd zijn met, en ten slotte in de plaats gekomen zijn van de oude Middelnederlandse vormen.
Voor de herkomst van de overige Middelnederlandse vormen veronderstelt FvW een grondvorm *huhikō, zonder verder aanknopingspunt. NEW verbindt deze vorm met → huig, dat immers Duitse varianten huke heeft. Voor het Franse woord is evenmin een bevredigende etymologie voorhanden; wel kan hier nog het middeleeuws-Latijns hapax huca ‘kapmantel’ [1276, Marseille; Du Cange] genoemd worden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huik [mantel] {hoyke, hoyc, heucke, huke 1317} in het middelnd. gelijkaardige vormen, vermoedelijk < oudfrans huque, heucque, middeleeuws latijn huca [cape met capuchon], etymologie onzeker, mogelijk uit het germ. en dan denkelijk verwant met huig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

huik znw. v., mnl. hoike, heike, hoeike, heuike, huke, houke v. m. ‘mantel’, mnd. hoike, heike, huke, hoke ‘mantel’. — > ne. huik, huyck (in 16de en 17de eeuw, nu verouderd, vgl. Bense 150); > fra. huque, hucque, heuque, heucque ‘soort kap’ (sedert 1404; vgl. Valkhoff 175). — Daar het woord dus niet uit het fra. kan zijn afgeleid, moeten wij van een germ. voorvorm uitgaan, waarvoor zich wel het beste leent een woord *huhikō, hugikō, die men dan met de onder huig genoemde woorden zou kunnen vergelijken. Misschien was de huik oorspronkelijk een klein kapmanteltje, dus dan ‘het kleine bedekkende kledingstuk’?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huik znw., mnl. hoike, heike, hoeike, heuike, huke, houke v. m. (vooral in later Mnl. en vaak zonder -e) “mantel”. De mnl. vormen en evenzoo mnd. hoike, heike, huke, hoke “mantel” zijn ’t best te begrijpen, als wij ze voor ontleend houden (vgl. f1uit). Uit mlat. huca, ofr. huque, heucque “kap, mantel”? Als ’t woord oorspr. germ. is, kunnen wij van een grondvorm met de klankgroep *χujik-, eventueel ook χuχik- of χeχuk-, maar niet *χûk- uitgaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huik 1 v. (kapmantel), Mnl. huke, gelijk Ndd. en Hgd. hoike, uit Ofra. hucque, waarvan oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Huik (Den — naar den wind hangen), zijn overtuiging wisselen in verband met de wisselende omstandigheden, huilen met de wolven in het bosch, eig. den mantel naar de windrichting omhangen. De huik was de ronde mantel zonder mouwen, die ook het hoofd bedekte, en de geheele kleeding tegen den regen beschermde; hij werd meest door vrouwen gedragen. Westerbaen, 2, 450: “Ghy hinght de huyck nae dat den wind was.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

huik ‘mantel’ -> Schots † haik ‘mantel, vooral door vrouwen gedragen’; Duits † Heuke, Hoike ‘mantel’; Frans huque ‘mantel met capuchon (15e en 16e eeuw)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huik mantel 1317 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

980. Iemand de (of van de) huig lichten,

d.i. iemand de huig door aanraking met zout of peper doen inkrimpen of ook door het hoofd geweldig heen en weer te schuddenHet eigenlijke lichten geschiedt door iemand een enkel haartje uit de kruin van het hoofd te trekken; dat moet dan, volgens 't volksgeloof, juist het middelste haartje van 't hoofd zijn, anders baat het niet. En dit haartrekken is het eigenlijke lichten, oplichten van de huig. Immers men meent dat de huig, binnen door 't hoofd heen, juist aan dit haartje verbonden is; zie W. Dijkstra II, 263; Volkskunde XXI, 113.; fri. immen fen 'e hûch lichten; in Zuid-Nederland iemand den huik brekenSchuermans, 197 b; Antw. Idiot, 583.; bij overdracht iemand op bedriegelijke wijze het zijne afhandig maken; op zaken toegepast: ze ledigen. De uitdr. is in de 17de eeuw zeer gewoon. Bij Sartorius III, 1, 65 lezen wij: de huych is hem al gelicht, humi haurit; zie verder Tuinman I, 184: hy is van den huig gelicht, de geldzak is hem ontfutzelt, zijn ponk (fri. ponge) is gekaapt; Halma, 230: iemand van de huich lichten, hem doorstrijken, bedriegen, knappenBed. Huish. 32: Laat ons een boetelje zamen van de huig lichten, een fleschje knappen. of betrekken; C. Wildsch. III, 287: Een fijne knevel, die niet ligt van den huig zoude te ligten zijn; V. Janus, III, 66; Ndl. Wdb. VI, 1220. De oorspr. bet. schijnt te zijn: iemand pijnlijk aandoen (vgl. no. 65) en vandaar hem van zijn geld berooven, hem snijden, hem bedriegen (vooral in geldzaken). Men zou dit kunnen opmaken uit de synoniemen: iemand een gat in den neus boren (Winschooten, 4; ook in Antw.); iemand van de kei (of van den steen) snijden (Sewel en Halma) en iemand lubben (Halma, 328), iemand snuiten, iemand een kies trekken (Sewel), iemand een tand, een kaaktand lichten, lossen, trekken (Schuerm. 710; De Bo, 476; 1132); iemand een hak zetten, die alle iemand bedriegen, afzetten beteekenen. Ook in het Oostfri. de hûk ligten, jemand betrügen und ihn rein ausziehen; Eckart, 221: en de Hûke lichten; zie ook Draaijer, 117. Dat men later zeide ‘iemand van de huig lichten’ kan hieraan zijn toe te schrijven, dat men tevens dacht aan ‘iemand van iets berooven’Zie voor dergelijke gevallen van contaminatie Noord en Zuid XX, 417 vlgg..

981. De huik naar den wind hingen,

d.w.z. van partij veranderen naarmate de omstandigheden dit raadzaam schijnen te maken; ook wel het vaantje of de zeilen naar den wind hangen. Onder een huik verstond men een langen mantel zonder mouwen, die zoowel door mannen als vrouwen gedragen werd, tot op de voeten reikte en van voren over het hoofd heen in een langen hoorn uitliep. De eig. bet. is: de huik zoo hangen, omslaan, dat men tegen den wind beschut is; fig. ‘eene zoodanige houding aannemen, dat men altijd gedekt is; met beide partijen op een goeden voet willen blijven’; zie Kiliaen: Huyck of huycksken nae den wind hanghen, servire scenae, servire tempori, versare suam naturam et regere tempus; Plantijn: De huycke na de wint hangen, tourner la cappe au vent, adag. flechir à touts vents; mlat. versa sit adversum tua semper penula ventum. In de middeleeuwen zeide men die hoyke tegen (of na) den wint hangen; zie het Mnl. Wdb. III, 525-527; Stallaert II, 625 en Ons Volksleven V, 182. Hij, die dit deed, werd een wendehoyke genoemd. Thans wordt ook, omdat men de uitdr. niet begrijpt, gezegd: ‘de huig naar den wind hangen’. Zie verder Goedthals, 57: De huycke naer den wint hangen, t hooft inden windt houden, tourner a tout vent; Everaert, 160, vs. 437; Pers, 137 b; Coster, 55, vs. 1344; Bebel, no. 282; Taalgids 4, 255; Woeste, 95: et haüken nam winde draigen; Eckart, 215: dä wêss de Hock no'n Wedder ze hangen; Dirksen I, 37: de wêt de heike na de wind to setten (of na de wind to hangen) en vgl. onze uitdr. zijn rokje omkeeren of omhangen (Sewel en Halma), fr. tourner casaque; het Vlaamsche: het vaan of vaanken naar den wind hangen of zijn molen naar den wind hangen (Schuermans, 770 a); het hekken naar den wind hangen (bl. 182; ook Teirl. II, 25); den staart naar den wind draaien ('t Daghet XI, 80); de leuke naar den wind hangen (De Bo, 627); het Neder-Betuwsche: zooas de wijnd waoit, waoit zijn ja(a)s; Onze Volkstaal II, 114; Breuls, 86; De Cock1, 148; Antw. Idiot. 1476: e zeiltje naar de(n) wind spannen; hd. den Mantel nach dem Winde hängen; man musz den Mantel kehren wie das Wetter geht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut