Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jan - (persoonsnaam)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Gekke henkie, malle pietje en jan salie

“Courtois is een houten klaas, die gozer moet in de Efteling gaan staan.” Zo omschreef René van der Gijp in het tv-praatprogramma Voetbal International de Belgische doelman Thibaut Courtois. Waar komt die weinig vleiende typering houten klaas vandaan? Houten klaas verwijst sinds de zeventiende eeuw naar een onhandige minnaar of – meer in het algemeen – een stijve kerel. In de negentiende eeuw opperde de volkskundige Jan ter Gouw dat de uitdrukking teruggaat op het blijspel Jan Claaszoon of de gewaande dienstmaagd van Thomas Asselijn uit 1683. Ter Gouw herinnerde zich ooit een oude kinderprent te hebben gezien met het onderschrift: “Jan Klaassens zit hier droog en stijf, En lacht om Saartje Jans zijn wijf.” Maar daar ligt niet de oorsprong, want houten klaas komt al voor in een woordenboek uit 1675.
Onze taal kent veel meer van zulke eigennamen ter typering van algemeen- menselijke eigenschappen. Een lange lijs is een lang, sloom persoon. Lijs is een verkorting van Elisabeth, al is er geen lange, slome vrouw bekend die zo heette en aan de basis heeft gestaan van de uitdrukking. Er zijn veel meer gevallen waarbij de naamgever onbekend is, bijvoorbeeld gekke henkie (waarvan we alleen weten dat de uitdrukking in 1928 voor het eerst in druk verscheen), en de oudere piet snot (sinds de zeventiende eeuw), een hele piet en een hoge piet. De bijnaam malle piet was al populair in de achttiende eeuw in uitdrukkingen als zo blij als malle piet en kijken als malle piet, lang vóór 1968, toen acteur Piet Ekel in de tv-serie Swiebertje de rol van Swiebertjes beste vriend Malle Pietje op zich nam.

IJzerenheinig
De meestgebruikte voornaam voor typeringen is van oudsher Jan. Ook bij jan hagel, jan modaal, jan met de pet, jan rap en jan lul is geen spoor te vinden van concrete historische personen van wie de naam aan de uitdrukking is verbonden.
Hetzelfde geldt voor ijzeren hein. “Dries van Agt bleef ijzerenheinig het verhaaltje opdreunen, dat hij kennelijk van tevoren had ingestudeerd en waarvan hij geen millimeter afweek”, schreef het Nieuwsblad van het Noorden in 1979 over het onverstoorbare optreden van de toenmalige minister-president tijdens een debat. De persoonstypering ijzeren hein, waarin hein een verkorting is van Hendrik, is sinds de negentiende eeuw in het Nederlands in omloop en lijkt zijn oorsprong in het leger te hebben; in 1884 wordt een nieuw aangestelde majoor geprezen omdat hij “bekend staat als een ijzeren hein (populair uitgedrukt) en de discipline uitmuntend weet te handhaven”.

(Holle)bolle gijs
In dezelfde Efteling waar volgens Van der Gijp Courtois thuishoort, staat sinds 1959 de bekende ‘Holle Bolle Gijs’: een afvalbak die voortdurend vraagt om “papier – hier”. In 1792 is in een kinderliedje al sprake van “de Hollebollewagen, daar [waar] de blinde Gijs op zat”. Als varianten waren vroeger “de schrokkerige Gijs” en “de hongerige Gijs” in omloop. Algemeen bekend raakte het lied bijna een eeuw later, door de Nederlandsche baker- en kinderrijmen van Johannes van Vloten (1871). Bij Van Vloten was het bijvoeglijk naamwoord bolle ook op Gijs overgesprongen. Van “bolle Gijs” naar het tegenwoordig overal gezongen “hollebolle Gijs” was vervolgens maar een kleine stap, want het vierlettergrepige “hollebolle” paste net als “schrokkerige” en “hongerige” prima in het metrum van het liedje.
Hollebolle gijs, intussen een gebruikelijke benaming voor een schrokop, gaat dus terug op een fictieve figuur uit een kinderliedje, niet op een historisch persoon.

Ultieme sukkel
Er zijn nog meer fictieve personages die aan de wieg hebben gestaan van een persoonstypering. De uitdrukking stijve piet is in 1628 gemunt door Willem Dirckszoon Hooft, die in dat jaar een klucht onder deze titel publiceerde. Van een brave hendrik is de bron De brave Hendrik, een opvoedkundig leesboekje voor jonge kinderen van N. Anslijn, uit 1810. Het begint zo: “Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat? Vele menschen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt.” In 1841 publiceerde Anslijn een soortgelijk leesboekje voor meisjes, maar dat was minder succesvol, en de titel De brave Maria is dan ook geen gevleugelde naam geworden.
Jan salie gaat terug op de hoofdpersoon van De klucht van Jan Saly (1622) van – alweer – Willem Dirckszoon Hooft. Zijn hedendaagse bekendheid dankt Jan Salie aan Jan, Jannetje en hun jongste kind van E.J. Potgieter (1841), waarin Jan Salie als “patroon aller slaapmutsen” de lamlendigheid van de Nederlanders personifieert. Potgieter is ook de bedenker van de samenstelling jansaliegeest. De naam is afgeleid van het kruid salie, waarvan saliemelk werd getrokken: een probaat slaapmiddel, en dus het drankje bij uitstek voor de ultieme Hollandse sukkel.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Gekke henkie, malle pietje’, in: Onze Taal 5, 135]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Jan [persoonsnaam] {Jan, Jhan 1254} samentrekking van Johannes < latijn Ioannes < grieks Iōannès < hebreeuws Jōḥānān [Jahweh is genadig]. In de uitdrukking boven Jan zijn [het weer gemaakt hebben] betekende, bv. bij het jassen, ‘Jan zijn’ dat ‘men een zeker aantal punten had behaald’. Jan Kalebas in de uitdrukking een redenering van Jan Kalebas [een dwaze redenering] {1858} is de kalebas, die vol zaad zit, genomen als het zinnebeeld van dwaasheid. Vgl. latijn cucurbita [kalebas, pompoen] voor domkop en nieuwgrieks kolokuthia voor ‘apekool’.

janklaassen [hansworst] {1788} naar de Amsterdamse overlevering was Jan Klaassen een trompetter van 's prinsen lijfwacht, die ontslag nam na de dood van Willem II en nadat de garde van de prins in garde der Staten van Holland was omgedoopt. Hij trok naar Amsterdam en ging er de poppenkast vertonen. Hij voerde een nieuw personage in, dat hij zijn eigen naam gaf.

Jan Rap [gespuis] {1613} afgeleid van rappe [schurft] → rap1.

jansalie [slappe man] {Jan Saly 1667} gevormd van saliemelk, een bijzonder flauwe drank, als persoonsnaam vooral bekend geworden uit ‘De klucht van Jan Saly’ (1622) van Hooft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jangat m., cf. Fr. Jean Fesse.

janrap m., met rap 1.

jansalie m., met de salie wordt een flauwe melkdrank bereid, o.a. ’s Zondagavonds voor de kinderen.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

janboerenlul: sufferd, stommeling; de gewone man. Zie ook boerenlul* en Jan* Lul.

Daar blijf je, ook als je toevallig een beetje aardig kan volleyballen, een janboerenlul en spreken we de kroonprins gewoon met Willem aan. (NRC Handelsblad, 23/11/1996)
Maakt de lezer opeens kennis met de janboerenlul Giphart. (Nieuwe Revu, 07/08/2002)
Bij zo’n meidengroep is het toch niet leuk als elke Jan Boerenlul zo maar binnen kan lopen. (de Volkskrant, 07/08/1985)

jangort: pantoffelheld; keukenpiet; verwijfde man. Ook wel: bemoeial. Eigenlijk: iemand die zo droog is als gort, waar helemaal niets van uit gaat. Reeds bij A.B. Delfs Cupidoos Schighje. ca. 1652. Syn.: gortenteller*; krentenweger*; hennentaster*.

Jan Grabbel: de kleine burgerman die enkel de kruimels van de welvaart mag bijeen grabbelen.

Het toch al schamele verblijf van Jan Grabbel dus nog afgestaan en nog kleiner gemaakt, terwijl achteruit bij de officieren genoeg ruimte is. (Het Volk, 25/02/1913)
De man heeft openlijk geschreven, dat de burgemeester van Rhoon een dief is, en terecht, dat groote honden elkaar niet bijten. Was het Jan Grabbel geweest, dan was hij allang voor den bijl. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 01/11/1924)

Jan Joker: sukkel; sul; slappeling; doetje. Ook in de uitdrukkingen: voor Jan Joker staan (liggen); iets voor Jan Joker doen: belachelijk zijn; voor aap staan; iets doen dat volkomen nutteloos is. ‘Jan’ zal in een later stadium aan ‘joker’ toegevoegd zijn ter intensivering; vgl. ook het al veel oudere voor Piet Snot staan.

Of ik meteen wilde komen. Daar had ik geen zin meer in. Ik ben geen Jan Joker. (NRC Handelsblad, 24/06/1997)

janjurk: slome en niet al te snuggere man; ook: zeurpiet of iemand die op een slijmerige manier praat. Meestal in één woord geschreven. Vgl. Jan Joker*. Tegenwoordig is dit invectief vooral populair in jeugdkringen (Hoppenbrouwers vermeldt het met de betekenis: ‘simpele geest’).

Loop naar de Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. (A.P. van Groeningen, Een Nest Menschen, 1895)
Een Engelse janjurk, een lulletje met ’n babyface … (Jan Cremer, Ik Jan Cremer. Tweede Boek, 1966)
Ach lazer op, janjurk. (Martin Koomen, Geen pardon voor Portland, 1991)

Jan Kalebas: leeghoofd; iemand van weinig niveau; bluffer; windbuil. Kalebas is een soort pompoen met weinig vruchtvlees en veel zaad. Bij de Romeinen was een pompoen het symbool van een domkop. Bij ons meestal in uitdrukkingen zoals: een redenatie, een rekening, Frans enz. van Jan Kalebas: gezegd van iets waar men niets aan heeft omdat het niet te volgen of te ontcijferen is.

Dit is de logica en de moraal van Jan Kalebas! (De Groene Amsterdammer, 29/05/1904)

jankrent: een gierig persoon; een krent*. Misschien afkomstig uit de Zaanstreek, waar hij eerder gezien wordt als pantoffelheld*. Vermeld door o.a. Boekenoogen: ‘een man die zich met de zaken zijner vrouw of met de keuken bemoeit’. Hieruit ontwikkelde zich de meer algemene betekenis van ‘kleingeestig figuur’, zowel gebruikt voor een gierigaard als voor een pottenkijker. Een krent is het zinnebeeld van iets dat onbeduidend is. Zie ook krentenkakker*.

De Hollander is van nature uiterst wantrouwend. Een Jantje Secuur, een Jan Krent waar je bij omvalt. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 27/10/1920)

Jan Lubbes: idem als Jan Lul, janlul*. Eigenlijk een vertaling van de Franse scheldnaam Jean Foutre (door du Perron).

Men heeft in de wereldliteratuur het ergste niet ontmoet als men niet te doen heeft gehad met de lezende en schrijvende Jan Lubbes. Beurtelings laffer dan Jan Salie, vunziger dan Jan Rap, dommer en koppiger dan Jan Publiek, en op ieder ogenblik aan deze allen verwant, is hij niettemin essentieel en onvervangbaar zichzelf: Jan Lubbes. Van zijn invloed loopt de Nederlandse literatuur over. (Forum, jaargang 3, 1980)

jan mijn kloten, jan mijn voeten: (in Vlaanderen) aansteller, verwaand, arrogant persoon; druktemaker.

De wijze waarop hier een troep luiwammesen en janmijnklotens was terechtgekomen. (Gerard Walschap, Het Oramproject, 1975)

Jan Olie: (soldatentaal, negentiende eeuw) de plaatselijke adjudant. Vermeld door Van Ginneken.

janongeluk: waardeloos iemand; mislukkeling; mispunt*; onuitstaanbaar stuk ongeluk. ‘Jan Ongeluk’ is de titel van een klucht in drie bedrijven van G. Kadelburg.

De Vader van het gezin zat in een grooten stoel, bekneld tusschen vier jengelende kinderen, terwijl de Moeder druk in de weer zijnde – ze mangelde – hem heftig bekeef: Jan ongeluk, daudvrèter! (De Groene Amsterdammer, 01/02/1919)
Hij was de Jan Ongeluk van mijnbezittend Queensland. (Het Centrum, 07/11/1923)

Jan Patat: de man in de straat; de gewone burger.

Die vent uit Maarssen was een Jan Patat die veel te spraakzaam was over dergelijke grote zaken. (Nieuwe Revu, 27/06/1991)
Verhalen over gewone Friezen, zo universeel dat iedere dorpeling ze zal herkennen. Elk klein dorp heeft zijn Ome Hajo, zijn Jan Patat en zijn Kromme Ties. (de Volkskrant, 06/01/2000)

Jan Pilo: iemand van eenvoudige komaf. Pilo is de half linnen, half katoenen stof die vooral voor werkkleding werd gebruikt.

Het zal me jeuken. Jan Pilo die zich met zijn Opel Kadett naar Utrecht spoedt om daar de Alpenkreuzer GTI aan te schaffen. (www.geenzorg.org, 18/09/2003)

Jan de Wasser: man die thuis niets te vertellen heeft; een sullige pantoffelheld, waarvan de vrouw de broek aan heeft. Bekend geworden door een achttiende-eeuwse volksprent (in de vorm van een stripverhaal) die het ‘verkeerde huishouden’ voorstelt: Jan doet al het vrouwenwerk, terwijl zijn bazige vrouw Griet het mannenwerk op zich neemt en uitging om plezier te maken. Als ze thuis kwam en het werk was nog niet gedaan, dan kreeg de arme Jan nog een pak slaag op de koop toe. Vóór de achttiende eeuw werd Jan afgebeeld als kinderverzorger en lag hij in het kraambed. De uitdrukking wordt o.a. vermeld door Boekenoogen. Thans archaïsch. We vinden ze nog enkel terug in historische romans. Met de uitdrukking Jan de Wasser zit aan het spinnewiel werd destijds gesuggereerd dat een man weer een of ander huishoudelijk klusje aan het verrichten was en dus niet kon meekomen.

Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal bijzonder, omdat-ie op weinig uitzondering na tot nog toe geen andere soort gekend had dan de figuren die de huiselijke tegenspoed van ‘Jan de Wasser’ moesten voorstellen, of iets dergelijks. (Multatuli, Woutertje Pieterse, 1890, herdruk 1979)

jandoedel: sukkel; sufferd; slap figuur. De veelvoorkomende mannelijke voornaam Jan komen we tegen in talrijke uitdrukkingen (Jan en alleman, Jan met de pet enz.) en deze wordt hier gecombineerd met de gewestelijke aanduiding (doedel) voor een sufferd. Doedel is wellicht gevormd van dodden, waarvan het werkwoord ‘dutten’ is afgeleid. Tevens zou dan verwezen worden naar een slappe doedelpop (lappenpop). Een overtreffende trap is overgehaalde jandoedel. Jandoedel is echter in de eerste plaats een Bargoense of schertsende benaming voor jenever. De betekenis van ‘sufferd’ is veel later ontstaan.

Toen ging die Jan Doedel zich er nog es mee bemoeien. (Yvonne Keuls, Het verrotte leven van Floortje Bloem, 1982)
Waar ik aan de universiteit ook maar terechtkom, verzamelen zich na een poosje alle weirdo’s, alle randdebielen, alle Jan Doedels om mij heen. (Maarten ’t Hart, De unster, 1989)
… een totaal krankzinnige uitvinding van een geflipte joodse jandoedel. (Herman Brusselmans, Guggenheimer wast witter, 2000)

jangat: sukkel; onhandig en lomp, ook wel vergeetachtig manspersoon; keukenheld. Al opgetekend in de vroege zeventiende eeuw, o.a. bij Bredero en Constantijn Huygens. Wellicht ontstaan onder invloed van erg platte, tegenover vrouwen gebruikte invectieven als hondsvot*, hondsklink, hondskonte, aanduidingen voor de geslachtsopening van de teef. Vgl. eveneens Frans Jean Fesse en Engels Joe Soap, in dezelfde zin gebruikt. Bij Huygens komt het woord ook voor als scheldnaam voor een Spanjaard. Jan Gat is verder nog de volkse benaming voor het beeld van Zadkine, ‘Verwoeste stad’, te Rotterdam, dit vanwege het grote gat in het lijf van de afgebeelde figuur. Er bestond ook een werkwoord jangatten: zich als een jangat gedragen; helemaal opgaan in het bestieren van het huishouden of gedwongen worden dat te doen.

Dat raakt je niet, Jan Gat. Zo jy je ’er in steekt, kryg je vuistlook, vat je dat? (Pieter Langendijk, Het wederzyds huwelyksbedrog, 1714. Zevende druk van de editie uit 1977)
‘Als Jan Salie onder aan moet zitten,’ zegt een snaaksche bogchel – de meest verwaarloosde, de wreedst verstootene van Jan’s kinderen, – en zijn lach is dus ook bitter, ‘dan wordt hij mijn buurman! – Wat spijt het mij, dat Jan Gat en Jan Hen hier geen’ toegang hebben, ik zou er hem tusschen plakken, of de drommel zou mij halen!’ (E.J. Potgieter, Proza 1837-1845. Eerste deel)

janhen: verwijfde man, een sul die zich met vrouwelijke huisarbeid bezighoudt; een man die onder de plak van zijn vrouw zit; melkmuil*. De uitdrukking dateert uit de zeventiende eeuw. Het WNT citeert o.a. S. Costers Isabella en Duytsche Academi, waarin Jan Hen een der personen zou zijn. Ook bij de dames Wolff en Deken (Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, 1793-1796) wordt dit scheldwoord aangetroffen. Wellicht hebben we hier te maken met een verbastering van het Middelnederlandse woord hanne, hannes (sukkel; man van niks). Later zal dit dan begrepen zijn als ‘vrouwelijke kip’.

Wat moet u met zo’n hulp! Zo’n Jan Hen… Zo’n … zo’n Renee Defilee. (Heere Heeresma, Han De Wit gaat in ontwikkelingshulp, 1972)
Wat ben jij een Jan Hen, bij een bezem hoort een boezem! (Jos Brink, Stukje voor stukje, 1985)

janklaassen: (meestal voorafgegaan door stijve) stijf persoon; hark*. Deze benaming heeft niets te maken met de poppenkastfiguur maar zou eerder verband houden met een zekere ‘Jan Claeszoon’, de hoofdfiguur uit het bekende blijspel van Asselijn: ‘Jan Claeszoon of de gewaande Dienstmaagd’ (1683). Deze figuur komt nog voor op een oude kinderprent. Het onderschrift luidde: ‘Jan Klaassens zit hier droog en stijf, En lacht om Saartje Jans zijn wijf.’ De uitdrukking houten* klaas heeft betrekking op deze Jan.

Er zijn wel eenige levendige trekken … in uwe epistels; doch gij zijt ook al de waare Jan-klaasen in het briefschrijven niet. (Betje Wolff, Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding, 1793-1796)
’t Is net een clown! zei er een en anderen vonden hem een hansworst, een pias, een Jan Klaassen. (A.C.C. de Vletter, Paljas, 1902)

Jan Kritiek: criticaster; muggenzifter*.

‘Jan Claassen!’ herneemt de andere zoon Jan’s, tot wien onze vriend uit de poppenkast zijne ietwat paradoxale klagt rigtte, ‘als hadden komt, is hebben te laat; maar één ding beloof ik je, wanneer Jan Salie zich van zijn hofje waagt, dan zal ik het al wie hem opnemen loof maken, ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek.’ (E.J. Potgieter, Proza 1837-1845)
Ook de heer Potgieter is een regtzinnig patriot; doch zijne orthodoxie is minder steil, minder onbereikbaar, dan die van den heer Vissering. Jan Salie zal er wel komen, zegt hij; doch tevens besteedt hij hem uit bij Jan Kritiek. (Cd. Busken Huet, Litterarische Fantasien en Kritieken, 1868-1885)

janlul, Jan Lul: sufferd, slappeling; onhandig persoon. Eigenlijk iemand die veel (uit zijn nek) kletst (lult) en vandaar ‘onbenullig iemand’. Lullen betekende een viertal eeuwen terug onder meer: zinloos praten. Lul had oorspronkelijk ook de betekenis van ‘pijpkan (zuigfles)’. Eind negentiende eeuw werd het woord meer en meer in verband gebracht met het mannelijk geslachtsdeel (een vergelijking met de zuigfles lag voor de hand). Heestermans (1989) vermeldt als hedendaagse varianten van dit scheldwoord: Janni kut en Janus Droplul*. Bij Van Eijk (1980, p. 105) vinden we nog: Jan Lul uit de biertuin. Bekende uitdrukkingen zijn: voor Jan Lul staan (voor gek staan; belachelijk zijn); iets voor janlul doen (te werk gaan als een onnozele; iets doen dat volkomen nutteloos is); sta daar niet voor Jan Lul (doe iets; onderneem wat). Vgl. Frans: Jean-fesse; Jean-foutre.

Akkerman, waar is je tweede paar? – Geen antwoord. – Nou! sta d’r nou niet bij als Jan Lul, je hebt ze toch niet opgevreten? (L.H. Drabbe, Het dappere Hollandsche leger. 3e druk, 1904)
Met een geweldige smoes had ze die Jan Lul zijn kleren ontfutseld. (Heere Heeresma, Geschoren schaamte, 1968)
Jan Lul stond voor de rechter/ En de rechter voor Jan Lul. (Neerlands Hoop, De ballade van Jan Lul, 1971)

janpotage: iemand die zich belachelijk gedraagt; hansworst*; paljas*. Oorspronkelijk de benaming van een kermisartiest of kwakzalver: een harlekijn gekleed in een kakelbont gewaad. De naam werd ontleend aan het Frans. Jean Potage (letterlijk: Jan Soep) is een personage uit een Italiaans blijspel maar hij komt ook voor in het stuk ‘De Waarheid en Ezopus’ van Bilderdijk uit 1798.

Ook speelden daer Jan Potagie, Puxenelle en de Comedianten. (Hollandsche Mercurius, 1670)
Niet alleen vertoonde er een Jan Potage zijne kunsten; er was zelfs in de 18e eeuw eene ‘hechte, wel doortimmerde’ houten schouwburg, en wél een Fransche schouwburg. (De Groene Amsterdammer, 31/07/1904)

Jan Rap en zijn maat: gespuis, canaille, achterbuurtvolk. Destijds sprak men ook van Hak en zijn gemak; tegenwoordig hebben we het over aso’s*. Oorspronkelijk in de zeventiende eeuw een aanduiding van het lagere scheepsvolk. Bredero gebruikte de uitdrukking al in zijn ‘Klucht van een huysman en een barbier’. P.A. De Genestet gebruikte ze in de zin van: iemand die al te snel nieuwe wetenschappelijke inzichten omarmt ten koste van religieuze opvattingen. Verschillende verklaringen omtrent de herkomst werden gesuggereerd. Het zou om een verbastering gaan van Daniël Raap, die in de vroege achttiende eeuw aan het hoofd stond van de doelisten, een destijds in de Amsterdamse Kloveniersdoelen vergaderende partij. Uit het bovenstaande blijkt echter al dat oudere vindplaatsen dit tegenspreken. Anderen menen dat het komt van ‘rapen, oprapen’, of dat het een verkorting zou zijn van rapaille*. Bepaalde lexicografen brengen de uitdrukking in verband met het Middelnederlandse woord rap, ‘schurft’ (deze betekenis komt overigens nog in Vlaanderen voor). Ter Laan wijst op een verwante Groningse uitdrukking ‘rap en roet’, hetgeen letterlijk ‘allerlei onkruid’ betekent en figuurlijk gebruikt wordt voor ‘het allerminste volk’ Het WNT geeft als variant nog Jak en Jooi. De herkomst is dus lang niet duidelijk. De uitdrukking is nog steeds erg populair. Yvonne Keuls schreef in 1977 het boek ‘Jan Rap en zijn maat’, later bewerkt tot een toneel- en hoorspel en verfilmd. In het politieke milieu van de jaren tachtig werd Jan Rap en zijn maat eveneens gebruikt als bijnaam van premier Lubbers en zijn secondant Gerard van der Wulp (Haagse Post, 12/12/1987). De CD en haar omstreden voorman Janmaat werden ooit in de pers spottend Janmaat en zijn Rap gedoopt.

Wilde men lachen, dan naar de kleine burgerij, naar Jan Rap en zijn maat. (G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, 1910)
Diamantslijpers, toneel- en draaiorgelspelers, huisjesmelkers en duivenmelkers, Jan Rap, maar ook zijn beter gesitueerde maat. (Piet Bakker, Jeugd in de Pijp, 1946)
Jij denkt, die boerenlul betaalt wel. En als hij pleiten is, dan voos ik met jan rap en zijn maat. (Harry Boting, Wie geeft me jatmous? 1965)

jansalie: lamlendige, suffe en vervelende vent; iemand zonder energie. De uitdrukking ontstond wellicht in de zeventiende eeuw. In 1622 genoot ‘De klucht van Jan Saly’ van de toneel- en kluchtschrijver Willem Dz. Hooft algemene bekendheid. Hierin wil een jonkman maar al te graag trouwen maar hij ontbeert de moed om een meisje ten huwelijk te vragen. Ook in andere zeventiende-eeuwse kluchten treffen we de naam aan, bijv. in J.Z. Barons ‘Klucht van Kees Louwen, alias den geschoren boer’ uit 1667.

Pas echt populair werd de uitdrukking met het prozawerk ‘Jan, Jannetje en hun jongste kind’ (1841) van E.J. Potgieter. Jan Salie is het jongste kind, dat wegens lamlendigheid op een hofje wordt uitbesteed. In het boek fulmineerde de auteur tegen de lamlendige en futloze Nederlander uit zijn tijd. Jan Salie is het arche-type van de Nederlandse arbeider uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij werd omschreven als een lange slungel met doffe ogen en een meelgezicht, als ‘de patroon der slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen ten onzent’. Hij verbeeldde wat Potgieter en anderen van hun tijd vonden: een tijd van stilstand, een tijd waarin niemand eens flinke initiatieven nam om handel, wetenschap en kunsten tot nieuwe bloei te brengen (wat wel het geval was in de zeventiende eeuw). In andere literaire werken uit die periode (bijvoorbeeld Hildebrand) was het beeld van de Nederlandse ondernemer al evenmin positief: een couponknippende, in kamerjas gehulde en op pantoffels rondsloffende man waar de lethargie van afstraalde.

Wellicht heeft de naam Jan Salie te maken met het feit dat iemand die saliemelk (melk waarin saliebladeren geweekt werden) drinkt, geen bier of sterke drank kan verdragen en dus maar een week type is. Afleidingen zijn: jansaliegeest (het huidige equivalent hiervan vinden we terug bij de patatgeneratie*) en jansalieachtig (futloos, slap, lamlendig).

Maar een ferme roes! het is iets heerlijks! De koninklijke drinkgelagen onzer krachtige vaderen mogen er van getuigen. Of zouden onze zoete Jan Salietjes zich misschien zat en stom moeten pimpelen aan onzen verfoeijelijken jenever, dien Hollandschen opium? (Johannes Kneppelhout, Studentenleven, 1841-1844)
De persoonlijkheid van de dader was te onbeduidend om een bijnaam te verwerven maar wilde je ’m er met alle geweld eentje geven, voila, had ’m dan Jan Salie genoemd. (Ben Borgart, Troost. Verhalen, 1981)

Jantje van Loenen, Jan van Loenen: kwakzalver, bedrieger of verrader. Deze kruidendokter kwam uit Hongarije en bezocht gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw regelmatig de lage landen. Volgens Justus van Maurik is Loenen een verbastering van Lüneburg. ‘Die zogenaamde Hongaren’ waren volgens hem meestal Westfalers of Oldenburgers. Loenen is verder terug te vinden in de Bargoense uitdrukkingen hij komt uit Loenen (hij is een valsaard; je moet aan hem geen geloof hechten); iemand verloenen (bedriegen, verraden) en een loenenaar (een leugenaar, bedrieger, verrader).

Ze hadden een vierkant kastje met laadjes erin op hun rug; daar zat hun koopwaar in; medicijnen, likdoornpleisters, insectenpoeier, oliën, purgeerpillen en koortskruiden voor mensch en dier. Gewoonlijk noemden de lui hier ze Hongaarsche dokters of Jantjes van Loenen … U kent toch ’t ouwe versje wel: Jan van Loenen/ Spijkers in z’n schoenen/ Kastjen op z’n rug/ Zoo komt Jan van Loenen/ Aan de Ouwe-brug. (Justus van Maurik, Toen ik nog jong was, 1901)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

Jan (1). In plaats van God gebruikt men een andere persoonsnaam om de kracht van een blasfemie af te zwakken. In ons materiaal ontmoeten wij: Jandekke, Jandemme, Jandome, Jandomme, Jandooie, Janstramme, Janverdikke, Janverdomme, Janverstramme. Voorts in Sakkerjan, Sakkerjen, jandorie, jandubbeltje, potjandorie, potjandosie. Curieus is daarnaast het voorkomen van Jan in met god- versterkte vormen als godjandorie, godjandosie. Het WNT vermeldt ook nog jandoppie (in Groningen) en janverdomme, janverdikke, janverkrikkeme, jandorie voor het zuiden van het taalgebied. Substitutie door een eigennaam blijkt overigens niet beperkt tot Jan, gegeven het voorkomen van keesverdoosje en gossiepietje, gosjepietje. Hetzelfde WNT noemt bij Jan en heel de wereld eveneens een soort vloek. Letterlijk staat er eigenlijk ‘bij God en heel de wereld’. → Gerrit, Joos.

Jan (2). Voor de wereldlijke overheid wordt de eed afgelegd door het omhoog steken van twee vingers van de rechterhand en door het uitspreken van de volgende woorden: zo waarlijk helpe mij God almachtig! Voor de Kerk legt men de hand op het evangelieboek, gewoonlijk op het begin van het Sint-Jansevangelie, met de woorden zo waarlijk helpe mij God en deze heilige evangeliën! De betekenis van deze eedformulieren is ‘als ik de waarheid spreek, helpe mij God, als ik de waarheid niet spreek, straffe mij God’. Bij Sint-Jan is een eedformule waarbij de heilige Johannes tot getuige wordt aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om te voorkomen dat de heilige dat gebruik aan de spreker zou vergelden, verbasterd en dus afgezwakt kan worden. Omdat de mens van zijn aangeroepen heilige niet alleen genezing van een bepaalde kwaal verwacht, maar ook gelooft dat die heilige de ziekte kan veroorzaken, kan een aanroep ook een verwensing worden. Omdat de heilige Johannes de Doper wordt aangeroepen tegen de vallende ziekte, is het begrijpelijk dat als zijn naam in een verwensing gebruikt wordt, zulks betekent dat men hem vraagt iemand met die ziekte te treffen. Bij sint(e) Jan betekent ‘bij de heilige Johannes’. Als variant komt ook voor ba ’t Jan, bij mijn sjan. Er zijn zeer vele Sinten-Jan, schrijft Van Setten (1986: 38): “De rooms-katholieke kerk alleen al kent, als ik goed geteld heb, wel 154 heiligen van die naam.” Waarschijnlijk gaat het om Johannes de Doper. Die is in elk geval bedoeld in het navolgende blasfemische vers, dat afgedrukt staat in Naaijkens (1993: 153): “Johannes d’n Doper// z’n gat is van koper// z’n gat is van blik// rikketikketik.” De Baere (1940: 126) schrijft over hem: “Ontelbare malen komt zijn naam reeds van de 13de eeuw af in allerlei geschriften voor, hetzij als eed, hetzij als uitroep. Niet te verwonderen is het dan ook, dat de formule onder dat veelvuldig gebruik is gaan ‘afslijten’, zonder dat daarom noodzakelijk aan gewilde verminking moet worden gedacht.” Gezworen werd er ‘bij het hoofd van St.-Jan’ (tjans hoy, tiansoy, tjans hode) en ‘bij de macht van St.-Jan’ (tsens macht). Als belangrijkste varianten zien wij tjan, tian, t’jan, t’ian, tjaen, tiaen, parjan, ba ’t Jan, bij mijn sjan. In Clute van Nu Noch [...] en in Trijntje Cornelis [1657] van Constantijn Huygens. En natuurlijk de bekende wisseling in sente, sunte. → tjan.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

Jan In de betekenis ‘sterke drank’ is het woord jenever in 1608 voor het eerst in het Nederlands gevonden. Via het Franse genièvre gaat het terug op het Latijnse juniperus ‘jeneverbesstruik’. De voornaam Jan bestond toen al eeuwen. Op een gegeven moment kwamen jenever en Jan samen. Zoals er mannen zijn die hun geslachtsdeel een naam geven (‘...en dit is Alexander de Grote’), zo zijn er drinkers die hun drankje met een koosnaam aanspreken. Hoe een en ander precies is verlopen valt niet meer te achterhalen, maar waarschijnlijk is het begonnen met janever — een verbastering die al omstreeks 1660 is gevonden. Van janever naar Jan Evers is een kleine stap, en kroeghumor, associaties en de behoefte aan variatie zullen de rest hebben gedaan. Gevolg: er zijn nogal wat borrelnamen met ‘Jan’, zoals Jan Doedel of jandoedel, een borrelnaam die in 1836 voor het eerst is opgetekend door de vooraanstaande taalkundige J.H. Halbertsma. Halbertsma trof het woord in Overijssel aan. Hij bracht het in verband met het Overijsselse doedel ‘slaapmuts’ en vertaalde jandoedel daarom als ‘Jan Slaapmuts’ (vergelijk slaapmutsje). Jandoedel bleek een succesvolle borrelnaam te zijn. Hij maakte de oversteek naar Nederlands-Indië en kwam in 1874 terecht in de uitdrukking gelanseerd in den Jean-doedel voor ‘dronken’. De verbasterde vorm sjandoedel is in 1861 aangetroffen in Overijssel en in 1887 in Groningen. In Groningen werd sjandoedel overigens minachtend gebruikt, voor ‘slechte jenever en brandewijn’. Jandoedel wordt nu onder andere nog gehoord in Noord-Brabant, Vlaanderen, de Achterhoek en Drente. De Drenten zeggen van iemand die dronken is: ‘Hij zit under de jandoedel.’
De borrelnaam Jan Evers is in 1882 voor het eerst gevonden, in Oost-Friesland. Hij komt in een gedichtje voor, dat — vrij vertaald — als volgt gaat:

Jan Evers’ macht is groot
Hij is de sterkste Jan
Wie eenmaal zijn slaaf is
Komt d’r zelden meer van[af].

Het jongere broertje van Jan Evers, Jan Evert, dook in 1937 op in een Bargoens woordenboekje, in de uitdrukking Jan Evert was er ook bij voor ‘zij waren onder invloed van sterke drank’. Jan Glas is sinds 1853 te vinden in de zegswijze hij heeft de bovenkamers aan Jan Glas verhuurd voor ‘hij is aan de drank’. Kouwe Jan en zoete Jan trof men vroeger vooral aan op het ijs. Koek-en-zopie-tenten verkochten deze drankjes totdat dit in 1881 door de drankwet werd verboden. De verkopers riepen daarbij:

Leg ereis an!
Leg ereis an!
Heete melk en kouwe (of: zoete) Jan.

Verder zijn nog aangetroffen Jan Foezel, janneman en ouwe jan. Die laatste borrelnaam zal betrekking hebben op oude jenever. In het Engels is ‘sterke drank’ onder andere gepersonifieerd in John Barleycorn, John Hall en Johnnie, het Amerikaans-Engels kent melige personificaties als Al Cohol, Al K Hall en Alki Hall.
Vergelijk Jantje sjoref en Piet.

[Bolhuis 68; Dam 123, 155; Endt 51; Ghijsen 381; Haan 196; Halbertsma doedel, jandoedel; Harrebomée 1:354; Herroem 66, 76; Köster Henke 27; Molema 378; Onze Taaltuin 6:125; PJM 55; Taalgids 3:149; WNT VII1 190, 197, & XIV 1395; Wschat 507]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Jan ‘persoonsnaam; (kaartspel) degene die verliest’ -> Deens jan ‘(kaartspel) degene die verliest; persoonsnaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors jan ‘(kaartspel) degene die verliest’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors janegutter ‘zeelui’; Zweeds jan ‘(kaartspel) degene die verliest; persoonsnaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect yan', yane ‘flinke vent’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

janklaassen hansworst 1788 [WNT]

Jan Rap gespuis 1613 [WNT wedergeven]

jansalie slappe man 1622 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

Jan Joker: voor —, voor Piet Snot, voor spek en bonen; als een onnozele. Volgens de Van Dale (1992) is een Jan Joker een sukkel of slappeling.

En dan al die complimenten, het deed me zo goed, eindelijk kon ik het publiek laten zien dat ik niet voor Jan Joker naar Ajax ben gekomen, dat ik van waarde voor ze ben... (Het Parool, 15/02/92)
Dan vertrouwt hij daarop ook volledig en gaat blind naar de favoriete hoek waarin de speler zijn strafschop neemt, met het risico dat hij ‘voor Jan Joker ligt’. (Esquire, mei/juni 1992)

Jan-met-een-fluitje, informeel voor ‘waardeloos, slecht’.

In de topjaren van de piraterij in Nederland van 1977 tot 1986 waren er ongeveer vijfduizend stations in de lucht. Ik denk dat er nog hooguit veertig over zijn. In Den Haag, een piratenstad bij uitstek, is bijna alles weg. Radio Roulette in Soest is een goede, verder zijn er professionele stations in Arnhem en Nijmegen. De rest is Jan-met-een-fluitje. (De Volkskrant, 19/03/88)

Jan Modaal, de verpersoonlijking van de hedendaagse doorsneewerknemer of; een arbeider met een gemiddeld inkomen. Meer algemeen ook voor ‘gewoon iemand; doorsneeburger’. Deze informele uitdrukking is begin jaren tachtig opgekomen en wordt vooral gebruikt in politieke kringen, tijdens discussies over het ‘inkomensplaatje’. De uitdrukking Jan Modaal kan ook metonymisch gebruikt worden, met de betekenis ‘doorsnee inkomen’. Jan Modaals vrouwelijke tegenhanger heet Mien* (Miep) Modaal.

Een modale werknemer is een gehuwde werknemer met twee kinderen die een gemiddeld inkomen verdient. Jan Modaal in de omgang. (Mark Baeyens: Taal in stukjes, 1982)
Ook de consument (bij ons Jan Modaal, in de Bondsrepubliek iets toepasselijker Otto Normalverbraucher genoemd) wilde nu zijn aandeel in de economische groei. (Maarten van Rossem, Ed Jonker en Luuc Kooijmans: Een tevreden natie. Nederland van 1945 tot nu, 1993)
Dat overheid en politici behoefte hebben aan een reanimatie van God is dus heel begrijpelijk; een streng godsdienstig volk maakt voor hèn het leven een stuk eenvoudiger en goedkoper. Maar waarom zijn Jan en Miep Modaal weer op zoek naar God? (HP/De Tijd, 31/05/96)
In Europa bestond al een lange traditie van elegante en sportieve auto’s voordat Jan Modaal ooit aan zijn kever of eend toekwam, en hoort een auto iets van dat roemrijke verleden uit te stralen. (HP/De Tijd, 23/05/97)
De overheid zou daar meer begrip voor moeten opbrengen en politici zouden hun gecijfer achter de komma ten behoeve van de laagste inkomens ook eens moeten richten op Jan Modaal die niet aan alle kanten gesubsidieerd wordt en die geen vrijstelling krijgt van de steeds hogere gemeentelijke heffingen. (Elsevier, 05/07/97)

Jan Splinter: zo komt — door de winter, de kleine man moet maar zien hoe hij zich erdoorheen slaat of hoe hij rondkomt met zijn geld. Jan Splinter symboliseert de man met het laagste inkomen, die bijstand geniet en dus tot de minima* behoort. De uitdrukking is al erg oud, maar PvdA-fractieleider Marcel van -dam blies haar in december 1982 nieuw leven in. Hij gewaagde van Jan Splinter toen hij het minimabeleid van de regering-Lubbers bekritiseerde. De kleine man kreeg volgens het PvdA-kamerlid veel minder dan men hem wilde doen geloven. De laagste inkomensgroepen moesten - alweer volgens Van Dam - te veel inleveren in verhouding tot de hoogste. In 1983 dook de uitdrukking ook op in een strip van Jaap Vegter: ‘Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je voor een kwartje verwend! En zo moet Jan Splinter door de winter.’

En Marcel van Dam heeft kortgeleden in Vrij Nederland nog duidelijk verklaard dat het nu maar eens uit moest zijn met dat gezeik van de laagstbetaalden. Nou, dat vind ik wel heel erg in tegenspraak met zijn ‘Hoe komt Jan Splinter door de winter’ verhaal dat hij tegen Lubbers afstak. (Nieuwe Revu, 30/05/91)
De crisis duurde lang. Soms zat ik drie maanden in de WW, dan werkte ik tachtig dagen en viel weer terug in de uitkering. Af en toe had ik een schnabbel. Zo komt Jan Splinter door de winter, zeiden wij al voor Marcel van Dam daarmee bekend werd. (Elsevier, 26/06/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1011. Jan en alleman.

‘Het znw. alleman, eene koppeling van alle man, wil eigenlijk zeggen: iedereen, een iegelijk. Het veelvuldig gebruik van alleman, ook in den 2den naamval (allemansgading, allemansvriend, allemansgek), in de volksspraak, gaf aanleiding tot de schertsende bijvoeging van Heer of van Henneken of Jan (als meest genomen voornaam), waardoor dan het woord bij wijze van eigennaam gebezigd werd, om alle menschen als een enkelen persoon te verbeelden. Het eerste vond zijn voorbeeld in het oudere heromnes, heeromnes (evenzoo van lat. omnes gevormd), dat in de Middeleeuwen en in de 17de eeuw veel voorkomt. De meest gewone bijvoeging was evenwel Jan, waarbij dan alleman, als eigennaam opgevat, veelal met kapitale letter wordt geschreven: Jan Alleman, iedereen. Uit misverstand begon men later de beide deelen te scheiden door de invoeging van en, en zoo ontstond de thans uitsluitend gebruikelijke zegswijze Jan en alleman’. Zie hiervoor het Ndl. Wdb. II, 168-171; VIII, 183 en vgl. Henneken alleman in Marnix, Byenc. (ed. 1569), 208; nd. Hannke un alle Mann; Jak en Toon (16de eeuw), thans Jantje en Toontje; Jan en heel de wereld (in W. Leev. IV, 144); Jan Paoter en Maoter (Goeree en Over-flakkeeN. Taalgids, XI, 306. en het Zuidnederl. God en alleman; Hanneken en Lisken (Antw. Idiot. 497; 1745) naast Jan en alleman; in 't eng. every man jack; fr. monsieur tout le monde.

1018. Janklaassen,

d.i. een grappenmaker, een hansworst. ‘Volgens de Amsterdamsche overlevering was Jan Klaassen een trompetter van 's Prinsen lijfwacht geweest; maar toen, na den dood van Prins Willem II, de garde van den Prins tot garde der Staten van Holland verdoopt werd, had hij zijn paspoort genomen. Om nu brood te winnen, trok hij naar Amsterdam, en ging er de poppekast vertoonen. Hij voerde er een nieuwe personagie in, die hij tot zijn hoofdacteur maakte en met zijn eigen naam beschonk.’Ter Gouw, De Volksvermaken, 649; Harreb. I, 355; Ndl. Wdb. VII, 207-208.

1014. Jangat,

d.w.z. een dom, onhandig manspersoon, een sukkel; in het Friesch een Janhen, een bemoeial. Dit scheldwoord zal wel naar analogie van hondsvot, hondsklinck, hondskonte en dergelijke gevormd zijn, die oorspronkelijk van vrouwen gezegd, later ook gebruikt werden voor verwijfde mannen; vgl. fri. janefot, jangat, sukkel; fr. Jean-fesse; hd. Hans Arsch.De naam Jan, evenals in het Eng. John, is hier, zooals in vele der volgende benamingen genomen als de meest gebruikelijke en daardoor minst sprekende, de meest kleurlooze; zie Taal en Letteren I, 57; II, 107. Welke scheldnamen men in de 17de eeuw al zoo had, blijkt uit A.B. Delfs Cupidoos Schighje (anno 1652), bl. 118, waar eene vrouw haren echt-vriend uitscheldt voor:

Jan Zaggelaar,
Jan Frik, Jan Gort, Jan Freunick-vaar,
Jan kongterse, Jan hen, Jan zul,
Jan zotte-bol, Jan droogh-kloot,
Jan oly-koek, Jan koome-lul,
Jan plomp, Jan gat, Jan droog-broot,
Jan bedil-al, Oly-bok, Jan zaly, Frik in 't veurhuis,
Propdarm, aschbeer, logge Jan,
Hongs-klink, pakbier, veech-de-kan,
Jan kitte bruir, Jan even-zuir,
Jan zoete-kaauw, Jan tuureluir,
Dat 's op zijn Paasch-daags noch ezeit,
Dat zijn heur beste tarmen!

Zie verder Ruelens, Refr. I, 93-95; Te Winkel, Geschichte der Niederl. Sprache, 897; Molema, 129 b: jan-gat, vergeetachtige sul; Ndl. Wdb. VII, 197-198; vgl. ook Jan Kiezer, Jan Proleet, Jan Student en verder voor vele benamingen Ndl. Wdb. VII, 184 vlgg.; Boekenoogen, 376; Harreb. I, LXXII; 353 vlgg.; De Cock2, 142; Noord en Zuid XXIX, 108 vlgg.

1012. Boven Jan zijn,

d.w.z. de moeilijkheden te boven zijn; in Vlaanderen ook: tot welstand gekomen zijn (Schuermans, Bijv. 50 a). In bijna gelijken zin aldaar: Piet boven Jan zijn, weer frisch en gezond zijn als te voren (Schuerm. 447 a). In het land van Waas: Jan uit zijn, in 't kaartspel, slagen genoeg hebben om te winnen, en Jan uit zijn, gewonnen hebben, uit den nood zijn (vgl. Waasch Idiot. 312 b); in Kl. Brab. uit Jan zijn. Hij is Jan boven op, hij is er boven op, hij is boven alles, hij zegepraalt (Schuerm. Bijv. 139 b); in het Antw. Idiot. 288: boven Jan zijn, wanen dat men boven een ander is; elders in Zuid-Nederland uit Jan zijn, boven de vijftig jaar zijn (Volkskunde XI, 160) of uit de Jan zijn (Teirl. II, 93). Ook in Oost-Friesland: hê is bold wër bâven Jan (Ten Doornk. Koolm. I, 139 a), gauw weer klaar, alles te boven; in de Rijn-provincie den is bôven Jan (Eckart, 234). In de 18de eeuw is de uitdr. vrij gewoon; zie o.a. Sara Burgerhart, 143 (ed. Stellwagen); C. Wildsch. III, 212 (ik ben boven Jan); Abr. Blank. I, 228 (beneden Jan zijn); Halma, 234: Iemand jan maaken, faire quelqu'un un jean au jeu, gagner double, dat hij wederom vertaalt door Jan maaken, Jan speelen, dubbeld winnen. Tevens deelt hij mede, dat men in het Fransch onder Jean verstaat een term, de grand triquetrac, comme on le joue en France. On se sert de ce mot quand on a six casesEen case is twee schijven op een en dezelfde vlam, een band. dans l'une ou l'autre des deux tables; si c'est dans la première on l'appelle petit Jean; et si c'est dans la seconde, on l'appelle grand Jean. VolbandVgl. Hatzfeld, 1343, die eveneens mededeelt dat een Jan in het trictracspel is ‘un coup par lequel un joueur perd des points, ou en fait perdre à l'autre’, en vooral Navorscher XI, 182, alwaar eene uitvoerige beschrijving van dit spel te vinden is.. Hieruit blijkt dat Jan zijn, enz. een term is, die gebruikt wordt in het een of ander spel, hetgeen bij ons inderdaad het geval is o.a. bij het jassen, waar boven Jan zijn beteekent, dat men een zeker aantal punten, gewoonlijk vijftig, heeft behaald en niet double of triple verliest (hd. aus dem Schneider sein). Heeft men minder punten behaald, dan is men onder of beneden Jan (vgl. het Zaansch: hij is kien (ontleend aan het kienspel), hij is binnen, buiten gevaarBoekenoogen, 425.. Verloor iemand dubbel, dan zal men hem een Jan genoemd hebben (in het hd. Schneider of Schuster), een stumperd, een sukkel, een ongelukkige (vgl. een Jangat, Janhen, een Hannes; fr. Jean cocu (ook alleen un Jean), Jean Fesse, Jean Farine; hd. ein Dummerjan; Liederjan), zoodat iemand Jan maken zou kunnen beteekenen: iemand een stumperd, het kind van de rekening maken, bepaaldelijk hem doen verliezen, en wel dubbel doen verliezenTuinman I, 265 zoekt de verklaring ook in die richting: Hy is beest gemaakt, dat zegt men ook, Hy is Jan, en 't drukt uit, hy heeft niet eens in 't spel gewonnen. Wil dat Jan zeggen Jan kan niet? Bij Harreb. III, V staat vermeld Hij is Kaatje, hij heeft geen enkel punt in 't biljartspel gemaakt (vgl. het is gedaan met Kaatje).. Zie ook Ndl. Wdb. VII, 192-193.

1016. Janhen,

d.w.z. een keukenpiet, een keukenklauwer, een hennetaster (hd. Hennentaster, Hennengreifer), een Jan Krent (Zaansch); zie de beschrijving van een Jan Hen in O.K. bl. 99-103. Deze benaming wordt in de 17de eeuw o.a. aangetroffen bij Coster, 355 en 464; zie verder C. Wildsch. IV, 410; Tuinman II, 84; Sewel, 367: t' Is een rechte janhen, t' is a true hengroper; Ndl. Wdb. VII, 202. Kiliaen citeert Henne, hanne, uxorius, homo imbellis, muliebri animo, dus: een sukkel, welk hanne in de middeleeuwen naast hannen voorkomt in den zin van een knul, een Hannes; Plantijn kent een Hennen leght achter, un bon Jehan, ou bon homme qui est gouverné de sa femme, uxorius, dat overeenkomt met Junius, Nom. 365: een hannen, Jan light achter, een goede Jan vaer, die de hoornen draghet. Bij Pers, 531 b is sprake van vertsaeghde hennen; bl. 532 a: bloode hennen; bij Cats (1726) I, 205: een hennen, sukkel; thans nog bij Claes, 85: henne, onnoozelaar. Ons hen in de benaming Janhen is ongetwijfeld niets anders dan het mnl. hanne, een bastaardvorm van Johannes (vgl. een Hannes), waarnaast henne ontstond door de bijgedachte aan hen, kip. De tegenw. bet. heeft zich dan uit die van knul, sukkel ontwikkeld, evenals bij hennetaster.Kluyver, Proeve van Critiek op het woordenboek van Kiliaan, 110; Ndl. Wdb. V, 2106; VI, 577.

1017. Jan Kalebas,

In de zegswijze: een redeneering van Jan Kalebas, d.i. een dwaze, zotte, onlogische redeneering; vgl. Harrebomée I, 355 en III, LXV: Het is eene rekening van Jan Kalebas, d.w.z. de rekening is niet te ontwarren of te ontcijferen, hetzelfde als een rekening van Lutjebroek (Kmz. 173Mag ook vergeleken worden Harreb. III, V: Dat is eene uitrekening van Jan Prik?); dat is Fransch van Jan Kalebas, voor: dat is Fransch van niets, slecht Fransch, Fransch ‘met haar op’. Vgl. Dukro, 123: Jij bent 'n rekenmeester van Jan Kalebas; Schoolblad, XLIV, 361: Ik geloof, dat de heer Beiboer goed zou doen deze redenatie - van Jan Kalebas lijkt ze! - maar voor eigen rekening te nemen. Sedert de 17de eeuw schijnt deze benaming voor een windzak, een bluffer bekend geweest te zijn, blijkens Muller, Onze Gouden Eeuw, I, 84, waar we een spotprent vinden op de Spanjaarden, na de nederlagen bij Duins en in Braband, met het opschrift: Het droevich afscheit van Don de Calabassa uit Vlanderen na Spangien.

Een kalebas is een soort pompoen, die van binnen vol zaad zit. Vgl. Kil. calabasse, cucurbita ventricosa. Vandaar dat cucurbita (pompoen) bij de Romeinen ook gebruikt werd voor een domkop (Otto, 100). In 't Nieuw Grieksch beteekent κολοκυθια (pompoen), malligheid, gekheid, apekool. Het is daarom mogelijk, dat ook wij met Jan Kalebas oorspr. een leeghoofd, windzak, windbuil bedoelen, iemand van weinig beteekenis.Zie ook Tijdschrift XVII, waar Dr. A. Kluyver er op wijst, dat in het Italiaansch de woorden voor kalebas ook op het hoofd worden toegepast. Zoo bet. zucca een kalebas; zucca pelata, een kaalkop, en zuccata een stomp met het hoofd. Zouden we ook mogen denken aan den markies de Carabas uit Perrault's sprookje van de gelaarsde kat? Het Sp. calabaza luidt in het Catalaansch carabassa; in 't Sic. caravazza. Vgl. Jan Pompoen (Zuid-Afr.), een leeghoofd.

1019. Oom(e) Jan,

d.i. een ironische naam voor den lommerd; ook wel Jan Snotneus geheeten (Boekenoogen, 1321); in Gron. de lange lepel.Molema, 538 a: Omdat het geld aldaar in een langen koperen lepel wordt geteld en overgereikt; fri. Jan Snotleppel. In de 16de eeuw bij Zuidndl. schrijvers alleen mijn oom (oomken, oompjen) genoemd, dat thans in Zuid-Nederland nog de gewone benaming is (De Bo, 749), terwijl thans in Noord-Nederland gebruikt wordt oom(e) Jan. In de 16de en 17de eeuw (en ook nu nog) werd gezegd Jan Oom; zie o.a. Tijdschr. XXIII, 242 (Jan v. Hout); Snorp. 16: Jan Oom bewaert mijn sundaegse kleeren; W.D. Hooft's Verloren Soon, 16 v:

Wy selle nou beget hongeren moeten lieren
Of brenghen tot Jan-ooms mantel en deuse klieren.

Zie Sewel, 590: Zyn Horlogie is by Jan oom; Boekenoogen, 1321: Jan Oome, de lommerd; Harreb. I, 353: Het is bij Jan oom; II, 146: Hij heeft geen bed om bij Jan oom te verzetten. Den naam Oome Jan trof ik in Amst. 62; 104; 114; 115; Boefje, 7; 31; Falkl. VI, 120; 130; Kalv. II, 151; 162; Sjof. 165; het Ndl. Wdb. VII, 183; XI, 21; Mnl. Wdb. V, 1611. In het Eng. heet de lommerd my uncle's of ook uncle three balls: in het Fransch ma tante (Dumont) of ook mon oncle (du prêt), le caoutchouc, le conservatoire, le plan; in het Hoogd. evenals in het Deensch mein Onkel maar ook mein Mantel steht Gevatter of lernt Hebraïsch of nimmt hebraïschen Unterricht, ist ein Waisenkind geworden. De naam zal wel hieruit ontstaan zijn, dat men slechts voorwendde naar een oom Jan te gaan, omdat men er zich voor schaamde iets naar den lommerd of achter de schuine deur te moeten brengenVercoullie, Beknopt Etym. Wdb. zegt i.v. Janoom: een oude oom, die geen kinders heeft of nog jonggezel is, is de geldschieter zijner neven.; Harreb. I, 128: Het gaat achter de schuine deur; Krat. 139: Mijn oorbellen die nòg achter de schuine deur staan; O.K. 163: M'n fijne lakensche jas en Sara's halsketting naar oome Jan - ze staan nòg achter z'n schuine deur; - Zondagsbl. van Het Volk, 1905, p. 118: Soms werd vader's trouwpak Dinsdag wel 'r eens stilletjes achter ‘de schuine deur’ gezet. S.M. 42: Ik heb zoo zoetjes an al heel wat van haar spulletjes naar oome Jan achter de schuine deur gebracht; bl. 98: We hebben onze horloges zoo lang achter de schuine deur gezet.

1020. Jan Rap en zijn maat.

In de 17de eeuw verstond men onder Jan Rap het mindere scheepsvolk, janmaatMaat beteekent hier matroos., ook in 't algemeen gespuis, kanalje, rapalje, Jak en Jooi, Jut en Jul, Jan en JutNdl. Wdb. VII, 149., dat in dien tijd ook Jan Rap en zijn maat genoemd werd. Vgl. Com. Vet. 55: Ende ten waere dat, de Stuyrluy en souden Jan Rap soo mal niet broen met al heur wijse vragen, alsse nu wel doen. In den zin van gespuis vindt men Jan Rap bij Bredero II, 124; Coster, 525; Vondel III, 85; (Het) Jan Rap en zijn maat wordt aangetroffen bij Erasmus, Colloquia, 51; Bredero II, 55; Halma, 530: Jan Rap en zyn maat, 't grauw, 't gespuis; Sewel, 663: Jan Rap en zyn maat, 't slegtste volk; enz. Daarnaast Jan Rappich met synen maet (bij Ogier, 128) en Jan raps maet (Coster, 499). Zie verder Ndl. Wdb. VII, 211. Wat rap in deze uitdr. beteekent is onzeker. Men zou aan het bijv. nw. rap = vlug kunnen denken, met het oog op de bet. matroos, doch gewoonlijk komt Jan Rap voor in den zin van gespuis, rapaille, weshalve ik liever denk aan rap = schurft; vgl. Kil. rappe, scabies, rappich, scabiosus; Plaiz. Kyv. 136: rappigh en slecht volkje; Antw. Idiot. 1015: rap, puist; rap en rui(g), schurftig volk (zie rut zijn ). In het Mnl. Wdb. VI, 1042 wordt verband gezocht met het ww. rapen, en rap verklaard als samenraapsel, afval. Franck-v. Wijk, 535 meent dat Jan Rap deels onder invloed van 't bnw. rap (vlug) deels van rapalje zal zijn opgekomen.

1021. Jan Salie.

Onder een Jan Salie verstaat men een drogen, vervelenden, zoeten vent; een sukkel, iemand zonder energie. In 't algemeen ‘iemand, die alle energie en lust mist om iets goeds tot stand te brengen of iets kwaads te keeren. De naam is ontleend aan den flauwzoeten smaak van saliemelk’; Woordenschat, 507 en Zwolsche Herdr. no. 14-15, bl. 113. Reeds in de 17de eeuw was de naam Jan Salie voor een sukkel bekend, blijkens een klucht van dien naam door W.D. Hooft in 1622 uitgegevenW.D. Hooft's, Jan Saly, Ghespeelt op d'oude Kamer, In Liefde' Bloyende, Tot Amstelredam, den 13 November 1622..... t' Amstelredam voor Cornelis Wiliemsz. Blau-laken, Boeckverkooper wonende in Sint-Jansstraet, int vergulden, A.B.C. Anno 1622.; Ndl. Wdb. VII, 213-214. Zie no. 1014.

1022. Jan de Wasscher,

d.i. een sukkel, wiens vrouw Griet ‘de broek aan heeft’ (no. 359) en die thuis al het vrouwenwerk moet verrichten; vooral bekend door de 18de-eeuwsche kinderprent, voorstellende het verkeerde huishouden. Vgl. Winschooten, 352: Van wassen komt een waster, en soo het een man is, een wasser, waarvan bij veragting, Jan de Wasser; Sewel, 939: Jan de Wasscher, a Nickampoop, a cot, a cotquean; Halma, 767, die den naam verklaart door Jean qui fait tout, Jean de Nivelle, Jocrisse; Tuinman I, 134; C Wildsch. I, 60; III, 23; Harreb. I, 354; O.K. 108; Noord en Zuid III, 346, en Volkskunde XXII, 107; XXIII, 31, waar een kinderprent van Jan de Wasscher is gereproduceerd. Een variant van dezen Jan is Lammen Goedzak (zie Volkskunde XXII, 107); vgl. eng. Tom Long; hd. Windelwäscher.

1023. Jan(tje) van Leiden,

voorkomende in de uitdr. zich met een Jantje van Leiden van iets afmaken, d.i. zich met een ‘mooi praatje’ van iets afmaken. Jan van Leiden of Jan Beukelszoon, het hoofd der Wederdoopers, stond in de 17de eeuw bekend als een man ‘die door syne bedriechlicke scherpsinnicheydt ende cloeckheydt’Orlers, Beschreyving der stad Leiden, bl. 318. de menschen wist te bedriegen. Een geschiedschrijver uit dien tijd, Lamb. Hortensius, noemt hem ‘ingenium subdolum, ad simulandum et dissimulandum quodlibet promptum’ en spreekt van zijn ‘loos verciersel’ (verdichtselen), zijn ‘schalck en gheveynst’ gemoed en zijn ‘vleyende redenen’.Hortensius, Boek v.d. Oproeren der Wederdooperen, anno 1660, bl. 46, 50, 100. Deze bronnen heb ik te danken aan een vriendelijke mededeeling van Prof. P.J. Blok. Hij stond dus bekend als een mooiprater. Vooral de ‘looze vercierselen’ zullen aanleiding gegeven hebben tot de in de I7de eeuw gebruikelijke zegswijze het afleggen met Jan van Leyen, d.i. iemand met een mooi praatje afschepen, zich met een mooi praatje van iets afmaken, dat we lezen bij Coster 510, vs. 428; Lichte Wigger 19 v; Pamfl. Muller 662 (anno 1608), 3 r; V. Janus, 330: Als het daarop aankomt, dan legt hij het met Jan van Leyen af. Hieruit heeft zich de tegenwoordige beteekenis van ‘ontwijkende praatjes’ ontwikkeld, die reeds in de 18de eeuw bij Tuinman I, 232 op den voorgrond treedt: zo maakt men een aflegger met Jan van Leiden, dat zegt men boertende wanneer men iets niet uitleggen wil.Voor afleggen in dezen zin zie Ndl. Wdb. I, 1137 en Sewel, 32: Hy meende het met gekscheeren af te leggen: he intended to come it off with a droll; Halma, 252: Iets met een kakkerlakje afleggen, se tirer doucement d'affaire par une échappatoire, par une excuse frivole; vgl. Ndl. Wdb. VII, 908.

Naast deze zegswijze is ook bekend afloopen met een Jantje van Leiden, d.i. met iets onbeteekenends afloopen, op niets uitloopen, bij Harreb. I, 356 nog: Hij laat het met Jantje van Leiden afloopen; daarna kreeg ‘een Jantje van Leiden’ de beteekenis van een ontwijkend antwoord, een onbeduidend praatje, o.a. Het Volk, 4 Nov. 1913, p. 6 k. 4: De burgemeester maakte er zich in zijn antwoord vrijwel met een Jantje van Leiden af; De Arbeid, 15 Nov. 1913, p. 1 k. 1: Hij maakte zich er af met een Jantje van Leiden.

1031. Jongens van Jan de Witt,

d.w.z. ferme, flinke jongens. Met C. Busken Huet, Het Land v. Rembrand II2, 251 te denken aan den raadpensionaris, is niet aan te bevelen, daar de uitdrukking in stukken uit vroeger tijd niet wordt aangetroffen en Jan de Witt bovendien bij het volk volstrekt niet populair, maar eerder zelfs gehaat was. Het is daarom zeer waarschijnlijk, dat we met Dr. R.A. KollewijnTaal en Letteren XII, 26; XIII, 368. moeten denken aan een anderen persoon, een krijgsman, nl. Johan de Werd, die van gemeen soldaat tot veldmaarschalk opklom (1634) en in den dertigjarigen oorlog een der stoutste ruitergeneraals is geweest. Zijne bekendheid blijkt o.a. op een plaats uit de Abenteuerliche Simplicissimus van Grimmelshausen (1669): Also brachte ich meine Beute und Gefangene den andern Morgen glücklich in Soest, und bekam mehr Ehre und Ruhm von dieser Partey, als zuvor nimmer, jeder sagte: Disz gibt wieder einen jungen Joh. de Werd! Welches mich trefflich kützelte. Grooter nog wordt die waarschijnlijkheid door de mededeeling, dat in een fransch volkslied, deze krijgsheld onder den naam van Jean de Wet, tengevolge van zijn strooptocht in 1636, nog lang als schrik voor de kinderen voortleefdeZeitschrift des Vereins für Volkskunde XIII, 223.. Dat hij ook in ons land als zoodanig bekend geweest is blijkt uit 't Daghet XI, 61, waar wordt medegedeeld, dat men te St.-Huibrechts Lille tegen de kinderen zegt: braaf zijn want Jan van Weert is daar. Vgl. fr. c'est du bon temps de Jean de Vert; je m'en soucie comme de Jean de Vert.

1819. Hij stond te kijken als Piet Snot,

d.w.z. hij stond er bedremmeld, beteuterd te kijken, als ‘een snyer, die zyn naald verloren heeft’, als een poelsnip, als verdomde Louis (Harreb. III, XLII), als Jan Lul (in D.H.L. 4), als Pier Snot (17de eeuw); eig. als een snottige Piet, een snotjongen, een snotolf (Tuinman I, 311). In de 17de eeuw vinden we deze zegswijze in De Wynoegst (anno 1698), 53; vgl. ook Bierh.Het Leydze Bier-huys, boertig kluchtspel door Abraham Stokhuyzen, Leiden 1758., 12: Hoe onnoozel staat hy daar als Piet snot met zyn mond vol tanden; Spaan, 160; Langendijk, Don Quichot, vs. 709: Gut, kereltje, gy zult staan kyken als Piet snot; Molema, 339: stoan as pijtsnöt; Nkr. III, 3 Oct. p. 3; Lvl. 193: Ik laat me niet voor piet snot gebruiken; Sjof. 170; Zevende Gebod, 42. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 960: staan zien gelijk Piet Snot, onnoozel staan te kijken; het Westvlaamsche: kijken lijk Liefke Snot (De Bo, 519 b); Waasch Idiot. 193: met 'nen drupneus staan, teleurgesteld zijn, bedrukt kijken; in Twente: as nen snotleppel; fri. stean for pyt-snot; joodsch: rotser, rotsjongen, rotsneus, rotslepel (Zoek. 61; 138; Ndl. Wdb. VIII, 3088), kwajongen (van rots (mhd.), snot); syn. staan te kijken als Lamme Louis (in Nw. School IV, 208Toespeling op den ‘lammen koning’ van Holland, Louis Bonaparte..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut