Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

joelen - (luidruchtig enthousiasme of afkeer uiten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

joelen ww. ‘luidruchtig enthousiasme of afkeer uiten’
Vnnl. jolen [1511; WNT jolen], joelen [1648; WNT], juilen [1671; WNT juilen].
Klanknabootsend woord, oorspr. spreektalig, zoals blijkt uit joelen “een laag woord” [1762; Marin]). Alleen de vorm joelen is in de standaardtaal opgenomen, de andere zijn dialectisch gebleven of verdwenen. Zie ook → jodelen, → juichen.
Vergelijkbaar zijn mnd. jolen en mhd. jolen, nhd. johlen.
Het eerste lid van de samenstelling joelfeest ‘midwinterfeest, kerstmis’ [1871; WNT wagen I] heeft een andere etymologie. Het is, wrsch. via Duits Jul(fest), ontleend aan Zweeds/Deens jul ‘kerstmis’, Oudnoords jól ‘midwinterfeest’, waarvan de etymologie omstreden is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

joelen* [zich luidruchtig gedragen] {1648} nevenvorm van jolen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

joelen ww., een vrij jong klanknabootsend woord naast jolen. vgl. nog fri. joelje ‘joelen’ en joelich ‘jolig, joelend’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

joelen ww., nog niet bij Kil. Eveneens onomatop. Vgl. jolen. Fri. komt naast joelje “joelen” ook joelich “jolig, joelend” voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

joelen ono.w., bijvorm van jolen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

jeulen hard roepen (Drente). Klanknabootsend woord als variatie op joelen, ouder nnl. juilen ‘joelen’ en hgd. johlen ‘luid zingen’ en mndd. jolen ‘jubelen’. ~ jool ‘pret’. Wschl. gevormd van de roep .
Kocks 498, NEW 287.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

joel: “lawaaierig maar vrolik te kere gaan” (WAT); Ndl. (betr. jonk en wsk. kn.) joelen/jolen (Fri. joelje, “joel”, en joelich, “jolig”).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

joelen* zich luidruchtig gedragen 1648 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut