Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jus - (vleesnat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jus zn. (NN) ‘vleesnat; sap’
Vnnl. juys ‘sap van vlees of fruit, vleesnat’ [1567; WNT]; nnl. jeu ‘id.’ [1710; Marin], jeu, sjeu ‘vleesnat’ [1770; WNT], dan de nu uitsluitend gebruikelijke vorm jus [1784; WNT]; buiten de woordenboeken meestal alleen ‘vleesnat (of daarvan bereide saus)’.
Ontleend en herontleend aan Frans jus [1165; Rey], waarvan voorheen de -s nog werd uitgesproken en dat ontwikkeld is uit Latijn iūs ‘saus, soep’, een erfwoord dat wrsch. ook verwant is met → kaas. De Franse uitspraak /žu/ (rijmend op nu) is in het Nederlands behouden, maar bij veel NN sprekers verscherpt tot /šu/.
Latijn iūs is verwant met: Sanskrit yūṣ ‘vleesnat’; Litouws jūšė ‘soort soep’; Kerkslavisch jucha ‘vleesnat, bouillon’ (Russisch uchá ‘vissoep’, Kroatisch juha ‘soep’, Pools jucha ‘pus, dierenbloed’, Opper- en Neder-Sorbisch jucha ‘drijfmest; vleesnat’); < pie. *ieu-s- ‘vleesnat, sap’, bij de wortel *ieu- ‘mengen’, waarbij verder o.a.: Sanskrit yauti ‘mengen’; Litouws jauti ‘mengen’, en met een achtervoegsel wrsch. ook pgm. *iūs-ta-, waaruit on. ostr ‘kaas’ (nzw., nno. en nde. ost ‘kaas’ en door vroege ontlening Fins juusto ‘kaas’), zie ook → kaas.
Aan een West-Slavische taal ontleend is vnhd. jauche ‘vies afvalwater’ (nhd. Jauche ‘drijfmest, pus, slootwater’, mnd. jüche ‘vleesnat’, oostelijk mnl. iuchen ‘vleesnat’ [1477; Teuth. brode], iuche ‘id.’ [1518; Claes 1997] en nog in de 17e eeuw dat hy door seeckere juche of soppe soude werden vergeven (‘vergiftigd’) [1641; WNT juch].
De definitieve doorbraak van jus ging ten koste van het tot dan toe gebruikelijke synoniem → sop. Het woord jus is uitsluitend NN. Het gewone BN woord is vleesnat.
jus d'orange zn. ‘sinaasappelsap’. Nnl. jus d'orange [1955; Kolsteren], in het NN ook wel verkort tot jus [1986; Philippa 1986]. Ontleend aan Frans jus d'orange, letterlijk ‘sap van sinaasappel’, waarin orange dezelfde oorsprong heeft als → oranje. Het BN woord is sinaasappelsap of appelsiensap.
Lit.: M. Philippa (1986), ‘Frisse alcoholvrije dranken in Nederland’, in: Nederlands van nu 34, 74-78

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jeu1 [vleesnat] {1717} nevenvorm van jus2.

jus2 [vleesnat] {ius 1518} < frans jus < latijn ius [vleesnat, saus, soep].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jus znw. m. ‘vleesnat’, nog met franse uitspraak uit fra. jus < lat. jūs ‘vleessap’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jus znw., soms o., nog niet mnl., bij Hadr. Junius en Kil. juys (j = ž?). Uit fr. jus (< lat. jus “vleeschsap, jus”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jeu v., bijvorm van ju, uit Fr. jus = sap, Lat. jus = brij, soep + Skr. yūsas, Gr. zōmós, Osl. en Po. jucha = soep, waaruit Hgd. jauche.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jus (zn.) saus; Nuinederlands juys <1567> < Frans jus. Ook: zju (zn.) saus; < Latien jus.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

jeugd, zn.: jus, vleesnat. Volksetymologisch voor Fr. jus.

zjeu, sjeu, sju, zn.: levenslust, pit, fut. Fr. jus ‘sap’, vgl. avoir du jus ‘fut hebben’.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jus (Frans jus)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Jeu, ju; vleechnat, uit fra. jus, lat. jus, gen. juris; scrt. yusha = bouillon; daar de stam van dit woord de bet. vereenigen, binden en mengen gehad heeft, kan het dus een zijn met lat. jus = recht. De uitspraak met eu zou kunnen ontstaan zijn onder invloed van het woord jeugd, vroeger, en in Z.-Ned. nog, ook = de kracht, het pit ergens uit en als zoodanig ook = vleeschnat. Hondius, Moufe-schans 505 : “De jeught wel afgesoden, Van de Loigne (= nierstuk) van een Calf”; in Corn.-Vervliet, Antw. Idioticon: “Gestolde jeugd”. Het woord verju, dat vroeger ook in ’t nl. voorkwam, is het fra. verjus uit vert jus, vruchtensap, oorspronkelijk alleen het sap van onrijpe rozijnen. Koockboeck, a°. 1599, bl. 55: “Neemt... Amandelen... met broode .. ende witten Gingber .. . dit suldy door doen met verjuys, off t’ sap van Appelen van Araengien door eenen stromijn (zeef)”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jus ‘vleesnat’ -> Sranantongo syeu, syu ‘vleesnat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jus vleesnat 1518 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal