Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaars - (staaf van was om een pit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaars zn. ‘staaf van was om een pit’
Mnl. kerse ‘kaars’ [1240; Bern.], twe scone kercen si untstac ‘zij ontstak twee mooie kaarsen’ [1220-40; CG II, Aiol], ook al met a als carsen (mv.) [1285-86; CG I, 1153], neemt den candelaer mitten caerssen [1480; MNW-P].
Ontleend aan Oudhoogduits kerza ‘id.’, waarvan verdere herkomst onzeker is. Semantisch het meest wrsch. is vroege ontlening aan Latijn cērāta, de vrouwelijke vorm van het verl.deelw. cērātus van cērāre ‘met was bestrijken’, afleiding van cēra ‘was’. Ook mogelijk is ontlening aan Latijn charta ‘blad papier’ (Kluge, NEW), zie → kaart; daarbij trekt men de parallel met berkenbast, dat als schrijfmateriaal kon dienen, maar in olie gedrenkt en opgerold ook als fakkel.
Wisseling a/e en rekking van de klinker voor r + dentaal komt in het Nederlands vaker voor, zie bijv.haard en → hart; ook → paars ‘kleur’ uit Frans pers.
Naast ohd. kherziun [ca. 800; Starck], karz, karza, kerza (nhd. Kerze) staat alleen mnd. kerte (vanwaar door ontlening on. kerti). Mnd. kerse ‘kaars’ en nfri. kers, kears, kjers, kêrs zijn mogelijk via het Nederlands ontleend. De ohd. vormen wijzen op een i- of een -stam met umlaut van de stamklinker a, en pleiten dus voor herkomst uit charta.
Latijn cēra is alleen verwant met Grieks kērós ‘was’. De verdere herkomst is onbekend; men vermoedt gemeenschappelijke ontlening aan een onbekende taal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaars [vetstaaf met pit voor verlichting] {ke(e)rse 1201-1250, ca(e)rs(e) 1285} < oudhoogduits cherza, cherze of vulgair latijn ∗kartsja, beide teruggaand op latijn charta [papyrus] (vgl. kaart); er moet worden gedacht aan in was gedrenkte papyrusstrookjes. De uitdrukking in de kaars vliegen [het slachtoffer worden van lichtzinnigheid] is ontleend aan het feit dat insecten, die op het licht sturen, rond en ten slotte in de kaarsvlam vliegen. Van meisjes die bij avond mooi lijken, maar overdag niet, wordt gezegd dat ze kaarsschoon zijn; niet kaarsschoon zijn [gek zijn, ook dronken zijn] betekent eigenlijk ‘zo helder dat de wijn in een glas dat men tegen het kaarslicht houdt geen troebelheid meer vertoont’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaars znw. v., mnl. kerse, keerse, caerse < mhd. kerze, ohd. kerza, ouder charza. Daarnaast staat mnd. kerte (uit een os. *kerti werd omstr. 950 on. kerti ontleend). — < lat. charta ‘papyrus’ (waarvoor zie: kaart).

Dezelfde verbinding van ‘kaars’ en ‘papyrus’ toont oe. tapor, ne. taper ‘kaars’, dat teruggaat op *tapūrus (met dissimilatie voor papyrus). — Men moet wel denken aan het gebruik om rollen berkebast in olie gedrenkt als kaars te gebruiken en daar de berkebast ook als schrijfmateriaal dienst deed, kan papyrus dezelfde bet. ontw. gekregen hebben (Kluge-Mitzka 364). — Daarentegen wilde H. Kern Ts. 18, 1899, 132-5 het woord afleiden uit (candela) cerāta (vgl. oiers cainle ciartha ‘waskaarsen’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaars znw., dial. met ee, mnl. kerse, keerse, caerse v. Veronderstelt een grondvorm met ë of met a met volgenden umlautsfactor. In verband met ohd. cherza, charza (nhd. kerze) v., mnd. kerse (karse) v. “kaars” is een vorm met a waarschijnlijker; de ndd. ndl. s: hd. z laat zich òf verklaren door overneming in ’t Ndl. en Ndd. uit het Hd. òf door gemeenschappelijke ontl. uit rom. *kartsja, *kart’(s’)a, dat dan een afl. van lat. charta “papyrus” zou zijn. Het laatste is aannemelijker. [Voor de bet. vgl.ags. tapor m. “kaars, lampepit” (eng. taper) uit lat. papyrus]. Ohd. charz m. “pit, kaars” en os. *kart, waarvan de afl. mnd. kerte “kaars” ( > on. kerti o. “id.”) kunnen dan op een rom. vorm van lat. charta of direct door geleerde ontl. op ’t lat. woord zelf teruggaan. Bij de afl. uit lat. *cêrâta “wassen (kaars)” blijft zoowel de ohd. a-vorm als de ndd.-ndl. s onverklaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaars v., Mnl. keerse, uit Hgd. kerze, dat met Mndd. kerte, On. kerti (De. kjerte), van Lat. carta, hier = wiek (z. kaart).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

keers (zn.) kaars; Vreugmiddelnederlands kerse <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kers I: “ligbron”; Ndl. kaars/keers (Mnl. caerse/ke(e)rse), Pd. kars/kers, Hd. kerze, hou mntl. verb. m. Lat. charta (v. kardoes, kartel II en kartets) – vRieb het o.a. kaers.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kaars. Als iemand met zijn gedrag gevoelens van ergernis, woede, haat of andere frustraties opgewekt heeft, kent men in Vlaanderen volgens Mullebrouck (1984) de verwensing steek een kaars in uw gat, dan hebt ge geen kandelaar nodig! Je wilt dat betrokkene naar elders vertrekt en zich daar met nutteloos werk ledig houdt. De betekenis kan weergegeven worden met ‘rot op’. Een navraag in 1999 onder 111 Vlamingen wees uit dat deze verwensing bij 20 respondenten bekend was. → steken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kaars, van ’t Lat. carta = papierplant, daar het merg hiervan evenals van biezen tot pit diende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaars ‘vetstaaf met pit voor verlichting’ -> Noord-Sotho kerese ‘vetstaaf met pit voor verlichting’ ; Tswana kêrêsê ‘vetstaaf met pit voor verlichting’ ; Zuid-Sotho kerese ‘vetstaaf met pit voor verlichting’ ; Negerhollands kaers, kės, keers ‘vetstaaf met pit voor verlichting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaars vetstaaf met pit voor verlichting 1240 [Bern.] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1039. In (of om) de kaars vliegen,

d.w.z. ‘zich eindelijk aan rechtsvervolging blootstellen’; in het verderf loopen, verloren geraken, in het Westvl. er aan vliegen; eene uitdr. die ontleend is aan het voortdurend ronddraaien van een vlieg om een brandende kaars, aan wier vlam zij eindelijk hare vleugels zengt of waarin zij verbrandt. Vgl. Hooft's Ged. I, 240 en 242; Campen, 95: Een vlieghe die vlocht soe langhe om die keerse, datsie daer ten lesten een mael in valt; Stallaert II, 49: Men seyde als datter wel twe duust soldaten van den viant in de keerse vloghen (Piot, Chron. 803 (a. 1595). Daer wiert noch zommich van tselve goet gherecouvreert by andre soldaten die uut Dixmude quamen; maer den meesten deel vlooch in de keersse, ende quam luttel ten bate aen den proprietaris, Ibid. 665 (a. 1587); V. Moerk. 372: Ik maakt reedelijk of anders zelje halve goet licht in de kaars vliegen (er aan gaan); Vierl. 120; Pers, 790 b; 844 b; Spaan, 66; 194; Rusting, 564; Tuinman I, 319; Harrebomée I, 370; Het Volk, 30 Jan. 1914, p. 8 k. 2; Antw. Idiot. 632: in de keers vliegen; fri. yn 'e kears fleane. Vandaar ook dat om de kaars vliegen (vroeger ook hengelen) de overdrachtelijke bet. heeft aangenomen van: zich onvoorzichtig aan gevaar blootstellen; vgl. Mergh, 11; Sartorius III, 10, 75: om die kaers vliegen; I, 10, 20: Hy hengelt om die kaers, in eos dicebatur, qui sibi ipsis exitium accersunt; Brederoo I, 73, 2024; Halma, 251: Hij vliegt al om de kaers, hij zal haast gevangen en geknipt zijn; Van Effen, Spect. VII, 94; Harreb. I, 370: Hij vliegt al om de kaars, men zal hem welhaast betrappen; Ndl. Wdb. VII, 684. Hiermede is ook te vergelijken het fri. hy fljucht er om hinne as in mich om 'e lampe, hij vliegt er omheen (rondom zijn ongeluk, zijn ondergang) als de vlieg om de lamp; der fleane in hopen onbitocht yn 'e lampe, er vliegen velen onbedacht in de lamp (meest van onberaden huwelijken (W. Dijkstra, 363 b); fr. se brûler à la chandelle. Vgl. Tegen de lamp loopen (of vliegen ).

1333. Met een lantaarntje zoeken,

d.w.z. zeer nauwkeurig zoeken, iets zoeken, dat niet gemakkelijk is te vinden; eig. overal in alle hoekjes en gaatjes het licht der lantaarn laten schijnen om het gezochte te vinden. Vooral gebezigd van iemand (of iets), die zeldzaam is, door zijne goede eigenschappen en dus niet gemakkelijk wordt aangetroffen. De uitdrukking kan ontleend zijn aan den Bijbel (nl. Zephanja, I, 12: ‘Ick sal Jerusalem met lanteernenBeter is de lezing lampen, daar de Israëlieten geen lantaarns kenden. De Leidsche bijbelvertaling heeft: met een licht. doorsoecken (kantt. met groote neersticheit)’, doch het is volstrekt niet noodzakelijk bij zulk eene algemeene gewoonte aan ontleening te denken.Dus ook niet aan de geschiedenis van Diogenes, zooals men wel eens meent. Vgl. Bank. II, 362: Al zoecken ze met lanterns, zy en konnen 't niet ontmoeten; Kluchtspel III, 17: Men kan nu qualyk 'en goet knecht vinden, al zocht men ze met 'en lantaren; Tuinman I, 234: Men zal dat noch met lantaarnen zoeken. Dit zegt men van iets, dat nu wel weinig geacht is, maar noch in een groote waardy staat te geraken, en nauwkeurig nagespeurt te worden; Harreb. II, 9; Zondagsbl. v.h. Volk, 1906, p. 21: Zeg jij tegen den minister dat een zeewaardige bom met een lantaarn te zoeken is; De Arbeid, 20 Mei 1914, p. 1 k. 4: Als men zoo ‘Het Volk’ las, dan was het alsof de Fransche syndikalisten met een lantaarntje waren te zoeken. Syn. is de 17de-eeuwsche zegswijze iets bij de kaars zoeken (Vondel, Amsteldams Wellekomst aen Fred. Henrick, vs. 133); hd. etwas mit Laternen suchen (Wander II, 1805).

1353. Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken,

d.w.z. eene goede daad, een goed voorbeeld helpt meer dan een goed woord, eene goede vermaning. Het spreekwoord komt in de 18de eeuw voor bij Tuinman I, 229: De kaars die voor gaat, licht best, dit komt overeen met Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken; zie verder C. Wildschut V, 271: Voorbeelden trekken, leeringen wekken, gelijk mijne oude vriendin te Rotterdam altoos spreekt; Harreb. II, 13; III, 277; Villiers, 72; syn. de leer dringt zeer, maar 't leven meer of de leer klinkt, maar 't leven dwingt (vgl. De Brune, 369: 't Sermoen dat klinckt, 't exempel dwinght; Harreb. II, 13 b).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut