Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaart - (stijf rechthoekig stuk papier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kaart zn. ‘stijf rechthoekig stuk papier’
Mnl. carte, karte ‘akte, oorkonde’ in doen kvnt al den gienen die diese karte Gesien soelen ‘maken bekend aan allen die deze oorkonde zullen lezen’ [1277; CG I, 371], in deze betekenis na het mnl. verouderd; vnnl. kaerte ‘landkaart, zeekaart etc.’, in de kaert vander zee [1532; WNT], kaerte ‘speelkaart’ [1599; Kil.]; nnl. caertje ‘visitekaartje’ [1780; WNT], kaartje ‘vervoerbewijs voor het openbaar vervoer’ [1840; WNT], kaartjes voor 't concert [1850; WNT].
Ontleend aan Latijn charta ‘geschreven document, brief, boek’, een jongere betekenis bij ‘blad papier, papyrusblad’, via Grieks khártēs ‘papyrusblad’, van verder onbekende herkomst. In het Middelnederlands vond rekking van a voor r + dentaal plaats, zoals ook bij → haard. Zie ook het werkwoord → kaarten, dat ruim twee eeuwen ouder is dan het zn. kaart ‘speelkaart’.
Ongeveer even oud, en destijds synomiem, is de vooral in Vlaanderen aangetroffen Middelnederlandse vorm chartre, chaerter ‘oorkonde’, ontleend aan Oudfrans chartre, zie → charter. Mnl. carte is Brabants en Limburgs en is misschien beïnvloed door Middelhoogduits karte ‘oorkonde’. In Holland gebruikte men → handvest.
Latere betekenissen van (v)nnl. kaart zijn ontleend aan Frans carte, dat oorspr. uitsluitend ‘speelkaart’ [1393; Rey] betekende en pas later ook algemener ‘stijf rechthoekig stuk papier met een bepaalde functie’ [15e eeuw; Rey], en ‘landkaart’ [1532; Rey]. Er werden vele samenstellingen gevormd met kaart als tweede lid, veelal in dezelfde periode als de corresponderende Franse of Duitse equivalenten, bijv. briefkaart, postkaart (carte-lettre, Briefkarte), visitekaart(je) (carte de visite, Visitenkarte), toegangskaart (carte d'entree); deze worden vaak ook weer verkort tot kaart en vooral kaartje. Jongere samenstellingen worden ook gemaakt met de aan het Engels ontleende vorm card ‘kunststof kaartje waarmee men kan betalen, korting krijgen, toegang krijgen etc.’, een van de oudste is creditcard, zie → credit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaart [stuk karton, dienend voor correspondentie, spel, weergave van de aarde] {caerte 1277} < frans carte < latijn charta [papier, geschrift, dun blad] < grieks chartès [papyrus, papyrusrol], waarvan wordt aangenomen dat het uit Egypte stamt → cartouche, kaars, kardoes1, doorgestoken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaart znw. v., mnl. caerte ‘aktestuk; speelkaart; landkaart’ < fra. carte (14de eeuw) < lat. charta ‘papyrusblad; geschrift, brief’ < gr. chártēs ‘papyrusblad’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaart znw., mnl. ca(e)rte v. (niet oud-mnl.). Uit fr. carte (geleerde ontl. uit lat. charta), evenals laat-mhd. (nhd.) mnd. karte v., eng. card “kaart”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaart v., Mnl. caerte, uit Fr. carte, van Lat. cartam (-a) = papier, hetwelk zelf uit Gr. khártēs: een Egypt. w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kwaarte (DB), zn. v.: kaart, speelkaart. Hypercorrect voor kaarte.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kaart (de, -en), (ook, hist.:) stuk ’papier’-geld gemaakt van een speelkaart (dus van karton). Het kleingeld bestaat in kaarten van 10, 15, 20, 30 en 50 stuivers*, f* 5 en f 10, welke alle door hare grootte en stempels van elkaar onderscheiden zijn (Beijer 1823: 49). - Etym.: Zie kaartengeld*. Oudste vindpl. not. van 1764 (S&dS 1350).
— : vrij’e kaart, vrijkaart*. Zie Schoonhoven 160.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kaart (Frans carte)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kaart. Een scholier uit het Noord-Hollandse Heemskerk stuurde mij het volgende verwensingsversje toe: Stuk, verrot, verdriet,// Donder op en flikker neer,// Breek je knieën,// Val in drieën,// Krijg de koude kippenkoorts,// Waterpokken enzovoorts,// Krijg een kaartje naar de hel,// Adieu mijn liefste en vaarwel. In Rijnsburg kent men nog als variant van de beide laatste regels koop een kaartje naar de hel,// Groetjes en vaarwel. De variant krijg een kaartje naar de hel! komt ook in het Overijsselse Borne voor. De emotionele betekenis drukt ergernis, woede en andere frustratie uit en kan weergegeven worden door ‘ik wil je niet meer zien, verdwijn maar van de aardbodem’. → kopen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaart ‘rechthoekig stuk karton voor bepaald doel; speelkaart; landkaart’ -> Deens kort ‘rechthoekig stuk karton voor bepaald doel; speelkaart; landkaart; anzichtkaart’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kort; kart ‘rechthoekig stuk karton voor bepaald doel; landkaart, plattegrond’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kort ‘rechthoekig stuk karton voor bepaald doel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kortti ‘speelkaart’ <via Zweeds>; Ewe krátà, klátà ‘rechthoekig stuk papier voor bepaald doel’ (uit Nederlands of Portugees); Twi krata, krâtá ‘rechthoekig stuk papier voor bepaald doel’ (uit Nederlands of Portugees); Noord-Sotho karata ‘rechthoekig stuk karton voor bepaald doel; speelkaart; landkaart’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho karete ‘rechthoekig stuk karton voor bepaald doel; speelkaart; landkaart’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch kar ‘landkaart’; Ambons-Maleis kart ‘landkaart’; Ambons-Maleis kartu ‘speelkaarten’; Boeginees kârettu ‘bewijsje’; Jakartaans-Maleis kar ‘landkaart, atlas’; Jakartaans-Maleis kartu ‘speelkaart; lidmaatschapskaart’; Javaans kertu ‘speelkaart’; Kupang-Maleis karcis ‘speelkaarten’; Kupang-Maleis kart ‘landkaart’; Madoerees ēkkar ‘speelkaart’; Menadonees kart ‘landkaart’; Menadonees kertas bermain ‘speelkaarten’; Minangkabaus karatu ‘speelkaart; identiteitskaart; visitekaart’;? Sasaks kĕrtu ‘kaartspel’; Soendanees kartu ‘speelkaart’; Soendanees kar ‘landkaart’; Ternataans-Maleis kart ‘landkaart’; Negerhollands kaert ‘speelkaart’; Papiaments karchi ‘kaartje; toegangsbewijs’; Sranantongo karta ‘speelkaart; landkaart’; Aucaans kaita ‘ticket’; Saramakkaans káíta ‘kaart(je)’ <via Sranantongo>; Arowaks kartang (sjikwabana kartang) ‘landkaart’ (uit Nederlands of Spaans); Sarnami kártá ‘ansicht; landkaart; speelkaart; kaartje’; Surinaams-Javaans kartah, kar, kertu ‘kaart(je); briefkaart’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaart landkaart 1532 [WNT] <Frans

kaart speelkaart 1599 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

465. Een doorgestoken kaart,

d.w.z. een afgesproken, vooraf bekonkelde zaak, bestoken werk (Ndl. Wdb. II, 2127). Het werkwoord doorsteken, mnl. doresteken, mnd. dorchsteken, beteekende vroeger onder iets steken, door iets heen mengen en vervolgens: bekonkelen, in het geheim bewerken, bedriegen. Onder eene doorsteken kaart verstond men in eigenlijken zin eene kaart, die door op eene bepaalde, bedriegelijke wijze het spel te schudden, te mêleerenVgl Antw. Idiot. 346: deursteken, mengen; ook ondersteken; Schuermans, Bijv. 69: doorsteken, b.w. dooreen of ondereen steken, dooreen mengen: doorsteek de kaarten goed (Loven); Waasch Idiot. 627 a: de kaart(en) steken, de kaarten die men in de hand heeft, vóór het deelen, zoo schikken, dat men in 't aanstonds volgend spel zal weten waar zij alle zitten; Teirl. 302: deursteken, doorschudden van kaarten; Molema, 511 a: deursteken, schudden van een spel kaarten., te voorschijn kwam en iemand ten deel moest vallen; bij overdracht eene in het geheim bewerkte, afgesproken zaak. Vgl. eng. to pack cards; Wander II, 1151: Wer die Karten mischt, dem fallen die Blätter nach Wunsche, en vooral eine abgekartete Sache, ein (ab)gekartetes Spiel, eine Abkartung, complot. Halma, 120: Doorsteeken, bijv. w. beraadslaagd, overlegd, secrettement menagé. Dat is een doorsteeken kaart of werk, c'est une intrigue secrette. In de 17de eeuw komt het wkw. doorsteken in den zin van heimelijk bewerken dikwijls voor; vgl. o.a. Van Moerk. 492 en Theod. Rodenburgh, Jaloersche Studenten, anno 1644, bl. 19:

 En waer ick van te voren steets tot sijne lof
 Seer gunstelick sprack, soo heb ick doen door-steecken
 En oock beleyt, dat sy heur van hem soude wreecken.

In onze eeuw is men gaan zeggen: een doorgestoken kaart (- werk, zaak); ook de Duitschers spreken van eine durchgestochene Sache en van durchstechen, heimliche Anschläge schmieden,Door Paul, Wtb. 117 wordt hier gedacht aan het doorsteken van kaarten, om ze daardoor kenbaar te maken. (mit einem anderen) unter einer Decke stecken; evenals van Durchstecherei en Durchstich, Betrügerei. Zie verder het Ndl. Wdb. X, 1475-1477; III, 3066 en vgl. de synonieme uitdr. eene ondergestoken kaart (Harreb. I, 371 a); Kil.: Ondersteken de caerten j. onderschieten, miscere chartas; Mnl. Wdb. II, 344; V, 430 en het mnd. understekinge, betrügerei. In Groningen kent men ook omstoken wark (Molema, 549 bTijdschrift XXXIX, 117.); fri. omstitsen wirk; in troch-stitsen spul (kaert, wirk); hd. das ist eine verabredete, angelegte Karte. Van zulk een voorafbekonkelde zaak zegt men op Goeree en Overflakkee: 't Varkentje was al door den buik gestoken.N. Taalgids XII, 147.

630. De gekken krijgen de kaart,

d.w.z. den dwazen loopt het geluk mee. Deze zegswijze komt in de 18de eeuw voor bij Van Effen, Spect. IX, 107: t'Eerste (kaartspel) is immers een tydverdryf daar de onnozelste slooven en vrouwtjes en jonge losbollen den verstandigsten man veeltyds den loef in afsteeken, voor al zo 't spreekwoord waar is, dat de gekken de kaart krygen. Zie ook Tuinman I, 34; 263; C. Wildsch. I, 316; Brieven v. B. Wolff, 387; en Halma, 250: De gekken krijgen de kaart, of zijn gelukkig, les fous ont ordinairement le bonheur, ou sont heureux; vgl. fr. la fortune sourit aux sots; aux innocents les maines pleines; hd. die dummsten Bauern haben die dicksten Kartoffeln; eng. fools have fortune; the biggest fools have the best luck.

1041. Iemand in de kaart zien (of kijken),

d.w.z. iemands geheime plannen doorgronden, te weten komen; iemand doorzien. De uitdr. is ontleend aan het kaartspel; ziet men zijne tegenpartij in de kaart, dan weet men welke plannen hij kan hebben, en hoe het spel staat; vandaar in overdrachtelijken zin iemands oogmerken doorgronden. Zie Vondel, Zee-magazijn, vs. 305; Pers, 631 a; 632 a; Smetius, 83: malcanderen zijdel-oogs in de kaart sien; Tuinman I, 164 en Halma, 250: Iemand in de kaart kijken, épier quelqu'un, l'éclairer de près, l'observer; Harreb. I, 371; Ndl. Wdb. VII, 705; Teirl. II, 98; Nkr. VII, 13 Dec. p. 2; De Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 2; Nkr. II, 29 Mrt. p. 2: In z'n oprechtheid laat hij zich leelijk in de socialistische kaart kijken; Het Volk, 19 Maart 1914, p. 2 k. 1: Een speler dien men in de kaart kijkt, wordt altijd boos. Ook in het hd. is bekend einem in die Karten gucken (oder sehen); oostfri. annern in de kârte kiken laten; de. at see En i Kortene; fr. voir le dessous des cartes, les ressorts secrets, cachés, d'une affaire; fri. immen yn 'e kaert sjen, - yn 'e kaerten loere.

1042. (Met) open kaart spelen,

ook zijn kaarten bloot leggen, d.w.z. rond voor iets uitkomen, niets verzwijgen, alles openhartig zeggen; hd. mit offenen Karten spielen. Ook deze uitdr. is aan het kaartspel ontleend en wil eig. zeggen zijne kaarten bloot of open op tafel leggen, zoodat de tegenpartij alles kan zien; fri.: mei de eapene kaert spylje. In Zuid-Nederland ook algemeen bekend met open kaart(en) spelen (Schuermans, 654; Joos, 105; Antw. Idiot. 1155; 2235); in het Fransch zegt men: jouer cartes sur table; vgl. ook Waasch Idiot. 801: kaart op tafel spelen, rechtuit spreken of handelen; evenzoo bij Teirl. II, 98. Voor bewijsplaatsen uit deze eeuw zie het Ndl. Wdb. VII, 705; XI, 519; B.B. 345: Een goede man, met wien hij open kaart zou spelen; De Arbeid, 1 Oct. 1913, p. 2 k. 3: Beschuldig nu niet van leugen en laster, maar speel nu eens open kaart; De Vrijheid, 18 Jan; 1922, 1ste bl. p. 1 k. 2: De Duitsche politiek is heel wat minder klaar en duidelijk. Men speelt daar veel minder met zijn kaarten op tafel. Vgl. open spel spelen, hd. offenes Spiel spielen.

1043. In iemands kaart spelen,

of iemand in de kaart spelen, d.w.z. iemand helpen, naar zijn wensch doen (Schuerm. 654; Bijv. 142; Antw. Idiot. 1155; 2235; Rutten, 104 a; Teirl. II, 98; Joos, 122); eig. zoo spelen, dat een ander daardoor gemakkelijk kan winnen; in zijne kleur spelen, waardoor hij de slagen kan maken. Vgl. De Arbeid, 17 Sept. 1913, p. 3 k. 2: Met een lapmiddel als door ‘Voorwaarts’ hemelhoog wordt aangeprezen, speelt men in de kaart van de patroons; Weekblad v.h. Volk, 6 Januari 1914, p. 4 k. 1: Uit vrees echter de klerikalen in de kaart te spelen; Het Volk, 8 April 1914, p. 6 k. 3: Door uw onzaakkundig optreden speelt gij uwe tegenstanders in de kaart; Handelsblad, 17 Mrt. 1914, p. 6 k. 2 (ochtendbl.): Op zijn best zijn zij grootdoenige imperialisten, die in de kaart spelen van protectionisme en reactie. In de kaart van de tegenpartij spelen, de plannen van de tegenpartij bevorderen. In het eng. to play into a person's hands; hd. jem. in die Hände spielen; jem. die Karten in die Hand spielen.

1044. Alles op één kaart zetten.

Een zegswijze ontleend aan het hazardspel, die beteekent: al zijn geld zetten op ééne kaart; alles wagen, alles laten afhangen van ééne kaart, zijn geheele vertrouwen stellen in het geluk, dat ééne bepaalde kaart moet aanbrengen; fig. zijn geluk van ééne bepaalde handeling afhankelijk stellen, al zijn geld in één onderneming steken. Volgens Schrader, 452 ontleend aan zulk een hazardspel ‘wo die auf die Karte gesetzte Geldsumme verloren geht oder den gleichen Betrag gewinnt’. De Engelschen zeggen hiervoor to have all one's eggs in the same basket; fr. mettre tous ses oeufs dans un même panier ou mettre tout son rôt à une même broche: de Duitschers evenals wij alles auf eine Karte (ook auf einen Wurf) setzen; man musz nicht alles auf ein Schiff packen; man soll nicht alle kleider an einen Nagel hängen; zie Harreb. I, 221 b; Ndl. Wdb. VII, 701 en vgl. De Brune, 335: Men moet niet te veel eieren onder ééne hen leggen; zie ook Antw. Idiot. 400: Leg er maar niet te veul eieren onder, betrouw er maar niet te veel op.

1045. De kaart kennen.

In den regel ‘de kaart van het land kennen’, d.w.z. op de hoogte van de toestanden zijn. Een uitdr. die ontleend is aan de aardrijkskunde, blijkens Sewel, 372: De kaart kennen, de Land- en Zee-kaarten weeten te gebruiken, to understand maps, to be skillfull in the Geography and Hydrography; de kaart kennen (in de waereldsche zaaken bedreven zyn), to know the world. Bij Halma, 250: De kaart van 't hof kennen, in de hoofsche zaaken bedreven zijn, savoir, connoitre, ou entendre la carte de la cour; in C. Wildsch. IV, 224: De oude Dame kan u schoon de kaart van 't land geeven, alwaar gij u als Ds. vrouw bevindt; II, 245: Nu ik de kaart van het land heb, zal ik wel in de haven stuuren; Harrebomée I, 371: Iemand de kaart van het land geven; Het Volk, 6 April 1914, p. 8 k. 2: En die de kaart van Amsterdam kennen, weten dat er geen cent kontributie zal worden ingehaald; De Arbeid, 10 Jan. 1914, p. 2 k. 4: Wie eenigszins met de kaart van het land op de hoogte is, weet dat L. moeilijk gemist kan worden; Ndl. Wdb. VII, 711. Vgl. eng. to know how the land lies; fr. savoir la carte du pays.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal