Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kalf - (jong van een koe)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kalf zn. ‘jong dier’
Onl. calf ‘jong van een rund’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. calf ‘id.’ [1240; Bern.], ook van andere zoogdieren, bijv. heerts calf ‘hertenkalf’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], meervoud calver en calveren [1287; CG II, Nat.Bl.D], ook wel calvers [1468-97; MNW].
Os. kalf (mnd. kalf); ohd. kalb (nhd. Kalb); nfri. keal; oe. cælf (ne. calf); on. kálfr (nzw. kalv); < pgm. *kalba-, *kalbi- (o.). Daarnaast ohd. kalba ‘eenjarig vrouwelijk kalf’; got. kalbō ‘vrouwelijk kalf’; < pgm. *kalbō- (v.), een oude -es/os-stam, met als meervoud (nominatief en accusatief) pgm. *kalb-iz-ō > *kalb-ir-u > *kalbir > door umlaut *kelbir, waaruit nhd. Kälber en mnl. (met analogisch herstelde stamklinker) calver, met nieuwe meervoudsuitgang calveren, calvers, nnl. kalveren.
Pgm. *kalba- ‘kalf’ is wrsch. verwant met: Grieks delfús ‘baarmoeder’; Sanskrit gárbha- ‘moederschoot, ongeboren kind’; Avestisch gərəbuš ‘dierenjong’; Oudkerkslavisch žrěbę ‘veulen; dierenjong’ (Russisch žerebënok ‘veulen’, Tsjechisch hříbě, Sloveens žrebe); bij de stam pie. *gwolbho-, *gwelbho- ‘baarmoeder; dierenjong’. Niet al deze correspondenties zijn strikt klankwettig, maar Pijnenburg (2005) hecht een groter belang aan de semantische overeenstemming. Voor de onverwachte r in het Slavisch wijst hij op enkele andere (maar zeldzame) Slavische r-l-wisselingen (zie bijv.lynx) en op het ontbreken van een klankwettig Slavisch equivalent *žlěb-. De onverwachte velaar in het Germaans (normaal geldt pie. *gw- > pgm. *kw-) heeft meerdere parallellen (zie bijv.hals) en zal dus eveneens het gevolg van een secundaire ontwikkeling zijn. Bovendien ontbreekt ook in dit geval een wel klankwettig pgm. *kwalb-.
De veronderstelling dat pgm. *kalb- teruggaat op pie. *golbh- ‘samenballen’ en dan alleen verwant is met Latijn globus ‘kogel, klomp’ en galba ‘dikke persoon’ (NEW) is vanwege de uiterst bleke semantische correspondentie te verwerpen.
Lit.: W.J.J. Pijnenburg (2005), ‘Germ. *kalb-az- “kalf” en Slav. žrěbę “veulen”’, in: ABäG 60, 5-10

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kalf1* [jong van een koe] {oudnederlands, middelnederlands calf 901-1000} oudhoogduits chalp, oudengels cealp, oudnoors kalfr, gotisch kalbo (vr.). I.-e. verwantschappen zijn onzeker, mogelijk te verbinden met latijn galba [dikzak], in welk geval de oorspr. betekenis ‘plomp’ zou zijn. Voor de uitdrukking een kalf leggen [braken] vgl. afkalven. De uitdrukking het gouden kalf aanbidden [hulde bewijzen aan de rijkdom] is ontleend aan Exodus 32:4, terwijl het gemeste kalf slachten [feestelijk uithalen] is ontleend aan de gelijkenis van de verloren zoon, Lucas 15:24-27. Ten slotte is met een anders kalf ploegen [het werk van anderen voor het eigen laten doorgaan] ontleend aan Richteren 14:19.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kalf 2 znw. o. ‘dwarshout, koppelbalk; dunne lat’. Daar een rechtstreekse afl. uit kalf 1 niet waarschijnlijk is, zoekt J. H. van Lessen Ts. 49, 1930, 263-272 het woord te verklaren als metathesisvorm van kavel. — Indien men echter de onder kalf 1 vermelde afl. uit de woordgroep van de werkzaamheden in het lage kreupelbos aanvaardt, dan kan een betekenis van ‘lat’ daaruit onmiddellijk verklaard worden.

kalf 1 znw. o. ‘diernaam’, mnl. calf, onfrank. calf, mnd. kalf, ohd. chalb (nhd. kalb), oe. cealf o. (ne. calf), on. kalfr m. < germ. *kalƀaz (oude -es/-os-stam, vgl. mv. kalveren) en *kalƀa-. — Daarnaast vr. *kalƀō, vgl. ohd. chalba, got. kalbō ‘vrouwelijk kalf’ en met ablaut ohd. chilburra, oe. cilfor-lomb ‘ooilam’.

De oudere verklaring gaat uit van de bet. ‘foetus’, vgl. gr. bréphos ‘foetus, pasgeboren kind’, delphús ‘baarmoeder’, oi. garbha- ‘moederlijf, foetus’; deze is echter op te geven, omdat men dan germ. een labio-velaar zou verwachten. — Daarom eerder bij een idg. wt. *geleb(h), vgl. gall. galba ‘dikke persoon’, lat. globus ‘kogel, klomp’, gleba ‘aardkluit’, lit. glė́biu, glė́bti en glóbiu glôbti ‘omvatten’. — De primaire idg. wt. is *gel ‘zich ballen; iets ronds’ (IEW 357); maar aangezien verschillende van deze wortel afgeleide woorden de bet. ‘vastkleven, smeren’ betekenen, wil Trier, Lehm 1951 veeleer van een concrete bet. ‘leemwand’ uitgaan. Daardoor acht hij het mogelijk ook woorden voor het te besmeren vlechtwerk hieruit te verklaren evenals andere begrippen, die met houtwinning en houtbewerking verband houden. De wt. *gel heeft vele afl. in het germ.:
met labiaal vgl. klamp, klomp, klemmen, klimmen
met gutturaal vgl. kling 2, klink, klungel
met dentaal vgl. klont, klad en kloet
met m vgl. klam
*glei vgl. klei, klif, kleed, klis en klit
*gleu vgl. klauw, kloot, kluit en kluwen.

kalf 3 znw. o. ‘stuk afgezakte grond langs dijken’, en vandaar ook afkalven ‘het afschuiven van stukken grond van een dijk’. Daar het onbevredigend is deze betekenis uit de diernaam af te leiden, wil J. H. van Lessen Ts 49, 1930, 263-272 dit woord evenals kalf 2 uit kavel afleiden en gaat daarbij uit van een primair kaven ‘splijten, beslissen’; afkalven zou dan betekenen ‘afscheuren, door splijten afbrokkelen’. De etymologie van kavel wijst echter niet in deze richting. — Uitgaande van de onder kalf 1 gegeven etymologie komen wij uit met een bet. ‘klomp aarde’, zoals die ook in de verwante woorden klont en kluit aan de dag treedt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kalf znw. o., mnl. calf o. = onfr. calf, ohd. chalp (nhd. kalb), mnd. kalf o., ags. cealf o. m. (eng. calf), on. kalfr m. “kalf”. Naast dit *kalƀa-, -az- staat het v. got. kalbo “kalf” = ohd. chalba “vrouwelijk kalf”. Met ablaut ohd. chilburra v., ags. cilfor-lomb o. “ooi-lam”. Men vergelijkt met idg. g of ĝ gall.-lat. galba “vetbuik, houtworm”, met g gr. delphús, dolphós “baarmoeder”, délphax “big”. Semasiologisch is de eerste combinatie weinig overtuigend. Een synonieme woordgroep heeft idg. r: gr. bréphos “ongeboren vrucht, pasgeboren kind of dier”, obg. žrěbę “veulen”, oi. gárbha- “moederlijf, vrucht”. Men leidt deze bases af van kortere gel- (gel-), ger- (ger-); van gel- zouden dan got. kilþei v. “moederschoot”, ags. cild o. (eng. child) “kind”, (ozw. kolder “jong broedsel” is ten onrechte hierbij gebracht), oi. jaṭhâra- “buik”, jartú- “vulva” komen; deze oi. vormen kunnen echter ook van ger-, ger-komen en met arm. koriun “jong van dieren” verwant zijn. Deze combinaties zijn alle onzeker, ’t Zelfde geldt van de opinie, dat kalf en gall.-lat. galba van een wortel met de bet. “plomp zijn” zouden komen, waarvan dan ook on. kalfi m. “kuit” wordt afgeleid. Ook voor ger- gaat men wel van die bet. uit en vergelijkt nog ier. gairri “suras”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kalf. Of kalf in de bet. ‘afgezakte aarde aan een slootkant’ mag opgevat worden als een overdr. gebruik van de diernaam, is niet zeker. Zie een andere beoordeling van dit woord onder kavelen Suppl. — Twijfelachtig in dit opzicht is ook kalf ‘gezwel’; dit moet in de eerste plaats vergeleken worden met ohd. waʒʒar- chalp o. ‘waterzucht’, dat desnoods ook als een overdr. gebruik van chalp ‘kalf’ op te vatten is, maar met on. kalfi m. ‘kuit’ eerder wijst op een — weliswaar nauw verwant — woord, dat ‘aanzwelling, verdikking’ betekent.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kalf 1 o. (dier), Mnl. id., Onfra. en Os. calf + Ohd. chalp (Mhd. kalp, Nhd. kalb), Ags. cealf (Eng. calf), On. kalfr (Zw. kalf, De. kalv), Go. vr. kalbo + Gr. delphús = baarmoeder, délphax = varkentje, delphís/delphín = dolfijn (Idg. ɡ, Germ. k = Gr. d voor e of i): Idg. wrt. ɡelbh, met bh-formans van wrt. ɡel =zwellen (z. kwel). Hiernevens een synon. r-wortel in Skr. garbhas = moederschoot, kind, Gr. bréphos = ongeboren vrucht, Osl. žrébę = veulen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kaaf (zn.) kalf; Aajdnederlands calf <901-1000>.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kalf zn. o.: leren handbeschermer voor straatmaker of metselaar. Naar het kalfsleer waarmee de handschoen gemaakt is. Vgl. koe.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kalwers: in verbg. kalwers inspan, deur volksverbeelding uitgebrei tot jongosse inspan; albei in bet. “braak, vomeer”; Ndl. kalveren naas kalven (reeds by Kil in bet. “braecken”), so ook in Hd. kalben en Eng. calve (WNT VII 1032, 1035); Malh DF AS 33, 37, 58 het blb. aan die lawaai by kalwerinspanning op ’n Afr. boereplaas gedink.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Kalf snw. Die uitdrukking jong kalwers leer (ook jong osse inspan) in die betekenis "vomeer" is nie, soos Malherbe 58, 282 skynbaar meen, in Suid-Afrika ontstaan nie, maar is ’n wysiging van ’n uitdrukking wat oor byna die hele Ndl. taalgebied, en ook daarbuite, bekend is. Sien Ndl. Wdb. VII, 933, 1032.
Segsw.: Die kalf in die oog slaan, iemand beledig. Nie algemeen bekend nie. – By Harreb. II, LXXII, word die uitdrukking: Zij hebben het kalf in het oog geslagen, dies moeten zij haar laten aangegee, egter sonder aanduiding van betekenis. Van Vloten III 83: “ick heb hier just het peerdt in d’ oogh geraeckt” (= de spyker op die kop geslaan, die regte persoon getref, raakgeloop). Vgl. ook Eckart 461: “He sleit dat Kalw int Ôg.” (Sagt die Wahrheit).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kalf: kalf van een mens, kalf van Mozes; achterlijk kalf: onnozel persoon; domoor. Men zegt wel eens zo dom als een kalf. Minder frequent voorkomend is lui kalf in de zin van luiaard. In Vlaanderen werd kalf van Mozes ook opgetekend in de betekenis van ‘luie, lompe kerel’ (zie Cornelissen en Vervliet). Mijn kalf Mozes werd vroeger vaak schertsend gebruikt in de zin van ‘echtgenoot’. Een kalf is het zinnebeeld van domheid en onnozelheid. Volgens het WNT wordt de zachtmoedigheid van Mozes geroemd.

Hy schikt zich ook niet op als de Meisjes, drie treedjes op een tafelbord, daar myn kalf Mozes zo alle duivels om uit de hel kan vloeken, als hy een jong Karel zo ziet kwispelen, en op straat drillen. (E. Bekker, Wed. Wolff, Historie van den Heer Willem Leevend, 1784-1785)
Stom kalf! hebt ge den wekker niet gehoord? (Stijn Streuvels, Het leven en de dood in den ast, 1926)
Julia, gij zijt een achterlijk kalf. (Hugo Claus, De geruchten, 1996)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het gouden kalf, afgod, iets dat men bewondert of vereert en dat waardevol lijkt, maar dat niet is, met name geld of bezit. Soms met aanbidden of dansen om.

Bij de beschrijving van de uittocht uit Egypte, in Exodus 32, kan men de geschiedenis lezen van het ongeduldige volk, dat te lang op Mozes moet wachten als die op de berg Sinaï de wet van God in ontvangst neemt. Men besluit een afgodsbeeld van goud te gieten, en als Mozes neerdaalt van de berg treft hij zijn volk aan dansend om het gouden kalf (er staat in de meeste bijbelvertalingen gegoten kalf; in de NBV gouden stierkalf). Van woede gooit hij eerst de stenen wetstafels stuk en vervolgens vernietigt hij het kalf. Minder bekend is dat ook later door enkele koningen kalveren als afgoden worden gemaakt, onder andere in 1 Koningen 12:28, waar in tegenstelling tot in Exodus in o.a. de NBG-vertaling wel van gouden kalf wordt gesproken. Op latere bijbelplaatsen, waaronder Handelingen 7:14, wordt nog aan deze vorm van afgoderij gerefereerd.

Rijmbijbel (1271), v. 5063-67. Ende doe hi naecte ende dat calf sach. / Ende dat spel vp ghenen dach. / Ward hi gram ende warp ontve. / Die marberine taflen tve. / Dat guldin calf verbarn hi mede. (Toen hij dichterbij kwam en op die dag het kalf zag en de vertoning werd hij kwaad en gooide de twee marmeren tafels in tweeën. Ook verbrandde hij het gouden kalf.)
'Age maakte geen ruzie. Hij bleef geld lenen van Klaas maar verder had hij geen tijd meer voor hem. Bezuur probeerde steeds terug te komen maar Age lachte hem uit. Klaas kon niet alles tegelijk hebben, niet het gouden kalf en de waarheid.' (J. van de Wetering, De dood van een marktkoopman, 1989 (1977), p. 206)
Sportieve drijfveren verdwijnen naar de achtergrond en de kudde op de tribunes danst mee rond het gouden kalf. (NRC, sept. 1994)
[Kop van recensie van enkele boeken over nieuwe religieuze stromingen en onder andere het geluksstreven daarin:] Het gouden kalf van het geluk. (NRC, 12-2-1999, p. 39)

Het gemeste kalf slachten, het beste tevoorschijn halen voor een feestmaaltijd.

Deze uitdrukking is in Lucas 15 te vinden in de gelijkenis van de verloren zoon. Als deze na jaren weg te zijn geweest en al zijn geld verbrast te hebben, naar huis terugkeert, wacht hem van zijn vader geen enkel verwijt maar slechts een warm onthaal. Er wordt een royaal feestmaal bereid waarvoor zelfs het gemeste kalf wordt geslacht, dat men gewoonlijk reserveerde voor bijzondere gelegenheden. '"Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden." En ze begonnen feest te vieren' (Lucas 15:23-24, NBV). Zie ook Zoon.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 15:23-24. Ende bringt een ghemest calf hier, ende slaet dat, laet ons eten ende vrolic zijn, want dese mine zoon was doot, ende is weder leuende geworden. (In de Statenvertaling (1637): het gemeste calf).
[Als de hoofdpersoon zich na lang wegblijven weer bij het gezelschap voegt:] 'De Verloren Zoon is terug!' riep ridder Fitil. 'En het beste deel van het festijn komt nog: het gemeste kalf is geslacht! Goed eten voor ons allemaal!'. (T. Dragt, Geheimen van het Wilde Woud, 1993 (1965), p. 87)
Na de oorlog bleef dat zo maar doorgaan. Jan [de Hartog], uit Engeland teruggekeerd, kwam thuis om een boterham te vragen; en hij vond bij wijze van spreken bij zijn uitgever het gemeste kalf op tafel. Het kon niet uitblijven: hij werd met nijd omgeven. (Elsevier, 4-5-1974)

Met een anders of andermans kalf ploegen, ongeoorloofd gebruik maken van werk of bezittingen van een ander voor zijn eigen doel.

Deze uitdrukking was gebaseerd op een uitspraak van Simson en het is niet bekend of het beeld van hemzelf is, of dat hij een bestaande zegswijze gebruikt. Ze komt maar eenmaal in de bijbel voor in het boek Rechters. Toen Simson trouwde met een vrouw uit het volk van de Filistijnen, gaf hij zijn disgenoten een raadsel op. Na lang zeuren, zeven dagen naar het verhaal zegt, geeft hij de oplossing prijs aan zijn bruid, die het haar volksgenoten doorspeelt. Ze verklaren Simson het raadsel, die daarop antwoordt 'Hadt gij niet met mijn kalf geploegd, / gij hadt mijn raadsel niet geraden' (Rechters 14:18, NBG-vertaling; de NBV heeft vaars in plaats van kalf). De uitdrukking is niet meer algemeen bekend.

Statenvertaling (1637), Rechters 14:18. Ende hy seyde tot hen; So ghy met mijn kalf niet haddet geploecht, ghy en soudet mijn raedtsel niet hebben uytgevonden.
Ik zag zijn collegediktaten en dacht: hé, heeft hij soms met mijn kalf geploegd? (Gehoord, jaren '90)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kalf ‘jong van een koe’ -> Madoerees kalēp ‘jong van een koe’; Negerhollands kalv, kalfi, calluf ‘jong van een koe’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) bull calf ‘jong van een koe’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kalf* jong van een koe 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1061. Het gemeste kalf slachten.

‘Deze spreekwijze, aan de gelijkenis van den verloren zoon Luk. 15 vs. 23-27 ontleend, wordt gebezigd wanneer men wil aanduiden, dat voor een bijzonder welkom persoon of voor eenige feestelijke gelegenheid het beste en kostbaarste wordt opgezet’; Zeeman, 316; Harreb. I, 375; Ndl. Wdb. VII, 930; fr. tuer le veau gras; hd. das fette Kalb schlachten; eng. to kill the fatted calf.

1057. Kalf

wordt sedert de middeleeuwen als type genomen van domheid en onnoozelheid (hd. Kalb; eng. calf); vandaar eene uitdr. als een kalf van een jongen d.i. een flauwe, kinderachtige jongen, een domme jongen; in het Antw. een meutten, motten (fr. mouton) van een jongen, een doodgoede sul (Antw. Idiot. 813); ook zegt men van een lomp, zwaarlijvig persoon: gij zijt een kalf (in Antw. en Teirl. II, 102); en van iemand, die zeer goedaardig is: hij is zoo goed als een kalf; zie Van Effen, Spect. IX, 79; C. Wildsch. II, 320: Haar broer is een recht goed kalf; Halma, 252: Hij is een goed kalf, een goede bloed. Zoo iemand wordt ook wel kalf Mozes genoemd (Joos, 14; Tuinman 1, 3; Harrebomée I, 375; Ndl. Wdb. IX, 1190), waarbij men zich herinnere, dat in Num. 12:13 Mozes' zachtmoedigheid geroemd wordt tegenover Mirjam en Aäron (Zeeman, 385Bij Teirl. II, 102 wordt kalfke-Mozes vermeld als het gouden kalf der Israëlieten.). In het Antw. Idiot. 362 en Waasch Idiot. 181 a; 447 a: dom als 't kalf van Mozes, als kalfken Mozes (of als 't peerd van Christus). In Pommeren gebruikt men kalf Mose, van iemand die ‘quaklich, kindisch’ is (Wander II, 1116); vgl. ook eng. a regular Moses; to be as meek as Moses; ook in het Finl. Zweedsch komt Mozes in dezen zin voor (Reinius, 32).

1058. Als 't kalf verdronken is, dempt men den put,

d.w.z. ‘men doet iets te vegeefs, en te laat, als het niet meer baaten kan, gelyk medicyne te bereiden, na dat de kranke gestorven is’ (Tuinman I, 111); met raad na daad komen; eene gedachte die de Romeinen uitdrukten door clipeum post vulnera sumere; vgl. mlat. post furtum stabulum sero reparatur eqnorum; sero subtractis reparas presepe caballis (Werner, 89). In de oudste spreekwoordenverzamelingen luidt deze zegswijze: Als 't kint verdroncken is, so stopt (of deckt) men den put(te); zie Prov. Comm. 15; Servilius 89; 253; 271; Sart. I, 1, 63; Campen, 111. Bij Spieghel, 272: Alst kalf verdroncken is, zoo demptmen de put; Idinau, 12:

Hy stopt den put als 't kalf is verdroncken;
Dat past op alle, die te spade wijs zijn.

Vgl. verder Poirters, Mask. 118: Raedt naer daet, komt te laet: en den put te stoppen als 't calf verdroncken is, of suycker te stroyen op de vlaey als sy verbrandt is, dat is domme liedens werck; Pers, 461: Als 't kalf alreede was verdronken (toen het te laat was). De tegenwoordige vorm van het spreekwoord wordt, volgens Harrebomée, aangetroffen bij Gruterus I, 93 en op 23 Sept. 53: Alst kalf verdroncken is, zoo demptmen de put; Vad, Mus. V, 372: Après dommaige chascun est sage, elc leert t' zynen coste, of: als 't calf verdroncken is, dan vultmen den putZie Breughel, no. 41 en Stallaert II, 30.. Varianten van dit spreekwoord zijn het mnl. alst peerd verloren es slut men den stal naast t' is te late den stal sluyten, als het peerdt verloren is (Goedthals, 18); t' is te laet de gracht ghevult, alst calf verdroncken is; het is te laet de koey gesloten als het vogelken weg is (Adag. 34); 't gat stoppen als 't goet quyt is, is sorghen als 't geen tyt is (Huygens VI, 214); 't is te laet het stal te sluyten, als de osse is daer buyten (De Brune, 328). Zie verder Harrebomée III, 243; 411; Bebel, no. 543; Borchardt, 215, waar enkele lat. spreekwijzen worden opgegeven; Taalgids IV, 245; Joos, 92 en Ons Volksleven V, 162; vgl. ook het Friesch: de dobbe damje as 't kealtsje forsûpt is; hd. wenn's Kalb ersoffen ist, deckt der Bauer den Brunnen zu (Wander II, 1104); eng. when the steed is stolen, the stable-door is locked; in het Waalsch: il est trop tard de boucher la haie, quand la vache est partie.

1036. Op St.-Jut(te)mis (als de kalveren op het ijs dansen),

d.w.z. nooit (zie o.a. de Kron. van Roerm. bl. 161 (ao. 1577Aangehaald in Ndl. Wdb. VII, 581.); Pasquilm. blz. 14; Tuinman I, 22), tateldage, zooals men in West-Vlaanderen zegtTaal en Letteren X, 336; Loquela, 477.. St.-Jutte is een niet voorkomende, verzonnen heilige. Het laatste gedeelte der spreekwijze is er komisch aan toegevoegd (vgl. nog Halma, 249: Dat zal te St.-Jutmis gebeuren) en wordt afzonderlijk aangetroffen bij Servilius, 206 (ook Mergh. 2), alwaar het gelijk gesteld wordt aan als de catte ganzen eyer leggen en aan als daer twee sondagen in een week comen (vgl. ook Goedthals, 116). De mogelijkheid is ondersteld, dat met St.-Jut(te)mis de gedenkdag der heilige Judith wordt bedoeld, daar in de middeleeuwen Jutte de liefkoozende vorm was van Judith. Deze gedenkdag valt op 17 Augustus, zoodat het begrip nooit dan wordt uitgedrukt door als de kalveren op het ijs dansen en dergelijke, dat zeker op dien datum niet kan geschieden (zie het Mnl. Wdb. III, 1081Nog andere verklaringen vindt men in Ter Gouw, Volksvermaken, 190 en Com. Vet. 21. Vercoullie, 123 meent dat met St. Jut de pausin Johanna bedoeld wordt.). In de 17de eeuw (V. Moerk. 278) en ook nu nog (Nkr. I, 26 Mei, p. 2: O, Heilige Juttemis, wat zal er, nu gebeuren) komt Sint Juttemis (Juttemus) voor, als uitroep van verbazing, maar ook als schertsende benaming voor een dwazen, armen, berooiden vent, o.a. in den Bloemhof, 2de druk, bl. 27, waar staat: ‘Sinte vrou lors (een slordig wijfNdl. Wdb. VIII, 2942; VII, 582.) die was de bruyt, men sachse sint Jutmis trouwen’, aan welke bet. eveneens herinnert de uitdr. ‘het liedje van St.-Jutmus zingen’, gezegd van iemand, die in een onaangenamen toestand verkeert, er leelijk inzit (Rusting, 460; 482; 486). Daar in de 17de eeuw (en ook later) een jut een dwaas beteekent (bij Huygens VII, 318 heet eene vrouw malle Jut; in het mnd. bet. mal Jutte, albernes frauenzimmer, en Woeste noemt Jutte, Jütgen, Judith ein verachtname eines frauenzimmers, das sich durch körpergrösse, lebhaftigkeit auszeichnet) zal men wel aan eene schertsende afleiding van dit woord moeten denken en in St.-Jutte een der etymologische heiligen kunnen zien, wier aantal niet gering isZie Dr. Bl. I, 9; Tijdschrift XVIII, 196-197; Taal en Letteren II, 173 vlgg.; mnl. Sinte Allene en vooral A. de Cock, De Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 39, 49, 78, 79, 170, 311 en vgl. nog Sinte Vreetop (in Harreb. II, LXXVIII; Prol. 55); St. Brandarius (in Tijdschr. XXX, 70); Sinte-Patie (sympathie; Volkskunde XXIV, 159); Sint Luiaars, Sint Noywerc, Sint-Reinuit (Ndl. Wdb. III, 387); Sinte Koe (Harreb. II, LXXVIII); Sint-Juin (schijn heilige weet niet (Tuinman II, 78); Sint Jummer = immer (Ndl. Wdb. VII, 550); Sinte Pieterceli (Huygens, Trijntje Corn.), enz.. Varianten van deze spreekwijze zijn bij ons: Als alle uwe vingeren even langh zijn; als de keyser op den kordewagen compt (Smetius, 250); als Paschen en Pinksteren op één dag vallen; als Paschen op een maandag valt; met Joden-HemelvaartsdagN. Taalgids XIV, 250.. In Zuid-Nederland: als Paschen op n'en Vrijdag komt; in 't jaar één als de uilen preeken; als witte-donderdag zwarte donderdag heeten zal; als de maan drij teuten heeft; als 't geld regent en boonen waait; als er twee zondagen in de weke komen (Joos, 98); in 't jaar blok als de uilen kraaien en de koeien met patijnen gaan (De Bo, 152); als Paschen op tuindag komt (De Bo, 1195); als de klaveren uit het veld zijn (Rutten, 114); as Paschen in de kriekeweek, in de goeiweek komt (Tuerlinckx, 495); Piele Paschen als de kalver op het ijs dansen ('t Daghet XII, 142); in 't jaar pijpekop, het jaar tabak, het jaar der kinderen (Ndl. Wdb. VII, 23). In het Nederduitsch: as Poaske en Pinkster op ijn dag komen; as Poaske op Soaterdag komt, en de kalver op 't ies dansen; tin Oulen pingsten, wann de Bocke up dem Eise dansset; I Ulenpinksten, wan de kràjjen op 'm uise danset; as 't hoi bloit (Taalgids IV, 248); dat kümmt up lüttje Nümmerdag, wenn de Kalver up 't Is danzet (Eckart, 281; Reuter, 80 en Ten Doornk. Koolm. II, 159 b); to Pingsten, wenn de Mücken pissen un de Pieratz (Regenwürmer) blaffen (Eckart, 406); wenn Pingsten up 'n Frêdag fallt (Eckart, 406). In het Friesch: as der saun sneinen ien 'e wike komme (als er zeven zondagen in een week komen); maar ook: op Sint-Jutmis of Sint-nindei, as de keallen op 't iis dounsje; yn 't jier fen trijebotsens do't de nochteren keallen op 't iis dounsen of do't de kikkerts in de tsjerkerie bileinen. In het eng.: on St.-Tib's ave; when two Fridays come together; at the Greek calends; at latter Lammas (andere bij A. Burvenich, Engl. Idioms and Colloquialisms, 33. In het Fransch: aux calendes grecques (een vertaling van het Latijn: ad calendas Graecas, zooals keizer Augustus placht te zeggen); si le carême dure sept ans; cela arrivera la semaine des trois jeudis, quarante jours après Jamais (zie Halma, die aldus dat zal te St.-Jutmis gebeuren vertaalt); à la foire de saint Jamais; quand les poules pisseront ou auront des dents; le trent - six du mois. In het Hoogduitsch is de gewone uitdr.: zu Pfingsten auf dem Eise of am Nimmermehrstag (Tuinman I, 351: te Sint Nimmermeer), wenn die Esel Lateinisch reden, waarnaast vroeger nog vele andere zegswijzen bestonden; zie Borchardt no. 925; Wander I, 905 en Suringar, Erasmus, IV.Dr. H.H. Knippenberg wil aan St. Juttemis de beteekenis toekennen van het narrenfeest, het carnevalsfeest en de uitdr. verklaren als: in den tijd dat de gekken baas zijn, een zeer korten tijd, zoo goed als nooit of wel als ik eens zoo dwaas ben om aan de vastenavond-vermaken deel te nemen: zie Bijblad (bl. 53-55) van het Tijdschrift voor Opvoeding en Onderwijs, 10 Oct. 1913.(Aanv.) Zie nog voor 't Fransch Nyrop, Gramm. Hist. IV § 409 en 457 en vgl. voor St. Luiaars het Ndl. Wdb. VIII, 3201 en bijvoegsels en verbeteringen VIII b.(Aanv.) Zie nog voor 't Fransch Nyrop, Gramm. Hist. IV § 409 en 457 en vgl. voor St. Luiaars het Ndl. Wdb. VIII, 3201 en bijvoegsels en verbeteringen VIII b.

1059. Een kalf leggen (- maken),

d.w.z. braken; de weerstroom krijgen, zooals men in de 18de eeuw zeide, over de (of zijn) tong kakken (Waasch Idiot. 319; Antw. Idiot. 1251; Schuermans, 734; fri. oer de tonge kakke; hd. über die Zunge spucken (oder kacken; Wander V, 644Reeds in de 16de eeuw in Dryderley Refereynen ghepronuncieert opte Rhetorijckfeest der blaauwe Acoleyen van Rotterdam, anno 1561, 44 r: Ghy slockers die dick over u tongh cackt int ghelach.; in tooneeltaal in den zin van zich verspreken of wartaal zeggen (Onze Volkstaal III, 254). Deze uitdrukking wordt in sommige streken van ons land nog gebruikt, doch was in de 16de en 17de eeuw naast kalven en een kalf(je) maken, een kalfken werpen zonder hoornen, zeer gewoon; zie Kiliaen: kalven, braecken, vomere, reddere vomitum; Winschooten, 99; Harrebomée I, 375; Bouman, 50; Frequ. II, 209; Boekenoogen, 391; 1322: kalf, een guts bloed; Molema, 189 a; Gallée, 64 b: 'n kelfken anbinden; Van Dale i.v. en op kalveren (Halma, 253) en uitkalven; Schuermans, 216; Teirl. II, 104: kalven, overgeven; bl. 102; kalf, braaksel; een kalfke leggen, braken; Waasch Idiot. 319 b; 322 a; Ndl. Wdb. VII, 933; 1032; Eckart, 243: en kalw anbinden of mâken; Kluge, Stud. Sprache, 97 b: ein Kalb anbinden (oder machen) naast kälbern oder einen Fuchs schieszen oder streifen, verouderd (Borchardt, 932; Schrader, 212) of sich bekälbern naast sich behâmelnBeiträge, XXXVIII, 336.. Vgl. ook het fri.: biggelje en bigje en het gron. biggen maoken, biggen werpen, maar ook braken; en het bij Kiliaen en Schuermans, 213 vermelde kabbelen, dat jongen werpen en braken, overgeven beteekentTijdschr. XVI, 60: een vosken kabbelen sonder vel.. De Engelschen noemen het to calve, to cat of to shoot, jerk, whip the cat of to flay the fox; de Franschen écorcher ou piquer le renard, mettre le coeur sur le carreau; rendre son lard; enz.; in Zuid-Nederland spreekt men ook van een mutten (vgl. fr. mouton; eng. mutton) leggen, vastleggenNav. 1897, bl. 64; 1899, bl. 133. of een kiebeken leggen (Kempen) of lammeren (zie Loquela, 290).

De beeldspraak kalven voor braken wordt genoegzaam opgehelderd door de volgende plaats uit de Klucht van de Saus (anno 1679), bl. 5:

't Minste dat ick dronck een pont was of een half,
Soo dat ick zwangerde en baerde voort een kalf,
Hetgeen ick na de Marckt vergeten heb te stuuren.

Vgl. ook Huygens V, 65: Wacht ou wat; dees volle koeij (dronken Trijn) moet kalve; Harreb. I, 375 a: Als men braakt, zei de boer, dan drijft men een kalf zonder voeten naar de wei; Schrader, 390: Die häszlichen Laute eines schwer Erbrechenden haben eine Aehnlichkeit mit dem häszlichen Geblöke eines Kalbes.

1060. Het gouden kalf aanbidden,

toespeling op het gouden kalf, dat de Joden aan den voet van den berg Sinaï aanbaden: onderdanige hulde aan rijke lieden bewijzen; of wel, zooals ook in Zuid-Nederland, met zijn gansche hart aan rijkdom hangen. Zie Ndl. Wdb. I, 69; VII, 930; Exod. 32, 4 en Zeeman. 252, die o.a. opmerkt: ‘De hoofdzaak bij dien beeldendienst was niet het goud maar de stier. Anders is het in het aanstonds genoemde spreekwoord, wanneer wij van de aanbidding van het gouden kalf, van het zich buigen voor het gouden kalf spreken, dan bedoelen wij daarmee bepaald den dienst van het goud, de afgoderij met geld en goed gepleegd. Maar omdat de Israëlieten aan den stierendienst zeer gehecht bleken, die zinnebeelden der godheid gedurende verscheidene eeuwen met hooge ingenomenheid vereerden en deze vereering door de profeten streng veroordeeld werd, gaf deze eeredienst onzen met den Bijbel bekenden landgenooten een indrukwekkend beeld aan de hand voor de overmatige en onheilige liefde tot geld en goed’. Vgl. fr. adorer le veau d'or; hd. das goldene Kalb anbeten; eng. to worship the molten (or golden) calf.

1062. Met een ander(man)s kalf ploegen.

‘Deze spreekwijze wordt gebezigd om aan te duiden, dat men zich van de hulp van een ander bediend heeft, maar onder den schijn van eigen werk te leveren. De uitdr. is ontleend aan de geschiedenis van Simson. Zooals in Richt. 14 verhaald wordt, waren de Filistijnsche bruiloftsgasten van Simsons bruid te weten gekomen wat de oplossing was van het hun door Simson opgegeven raadsel, en hij, in toorn ontstoken over de trouwelooze handelingen zijner aanstaande vrouw, roept uit: indien gij niet geploegd hadt met mijn kalf, of liever met mijne jonge koe, gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden! De spreekwijze bevat beeldspraak, aan de Israëlietische manier van ploegen ontleend. Zooals bekend is, gebruikte men daarvoor niet als bij ons paarden, maar runderen, zoodat de uitdrukking eenvoudig beteekent: indien gij u niet van mijn werktuig, van mijne hulp bediend hadt, gij zoudt geene oplossing van mijn raadsel hebben gevonden.’ Zeeman, 317; Harrebomée I, 376 a; Ndl. Wdb. VII, 930; fr. labourer avec la génisse d'autrui; hd. mit fremdem Kalbe pflügen; eng. to plough with another man's heifer.

1220. Over koetjes en kalfjes praten,

d.w.z. over onverschillige, onbeduidende zaken praten. Zie Van Effen's Spect. IX, 11: Nadat we so wat van koetjen en kalfjen epraet hadden; bl. 237: Eens mee praaten van het mooi weer, van het courant nieuws, en gelyk men zegt, van 't koeitje, en 't kalfje; Harrebomée, I, 356; Van Eijk, II, 56; Falkl. IV, 115; Schoolm. 18; 't Daghet XII, 190. De uitdr. zal eerst gezegd zijn van boeren, die over hun vee praten (vgl. mnl. spreken van Bouwijns heynst; zie Mloop. II, 796), over alledaagsche dingen, en later in ruimere toepassing in gebruik zijn gekomen. Vgl. Gew. Weeuw. III, 66: Van koeyen en kersseboomen praaten; het gron. over land en zand proaten, d.i. bebouwd en onbebouwd land (Molema, 236 b); Villiers, 65; in Amsterdam: kletse, prate van ouwe Jan en van jonge Jan; fri. prate oer haven en staven; in Zuid-Nederland: van land en zand kouten; van kraaien en duiven spreken (Volkskunde, XIV, 145; Waasch Idiot. 193 b).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gel-1 ‘ballen, sich ballen; Gerundetes, Kugeliges’ usw.

Belege für die unerweiterte Wurzelform sind selten und z. T. sehr unsicher:
Ai. gula-ḥ, gulī (Lex.), gulikā ‘Kugel, Ball, Perle’, gúlma- m., n. ‘Geschwulst, Busch’ (zum -ul- vor Kons. s. Wackernagel Ai. Gr. I 30); mit n-Suffix ai. guṇikā (Lex.) ‘Geschwulst’;
gr. redupl. γαγγλίον n. ‘Geschwulst, Überbein’;
lat. galla f. ‘Gallapfel’ als ‘kugeliger Auswuchs’ aus *gel-nā oder *gol-nā; daraus entlehnt ags. gealla, gealloc, nhd. ‘Gallapfel’;
alb. gogëlë ‘Kugel, Ball; Gallapfel’ (*gel-gal-nā);
älter holl. kal ‘Kern in Äpfeln und Birnen’; schwed. dial. kalm ‘Steinhaufen’;
aksl. žьly (žely) ‘Geschwür’, bulg. želka ‘Drüse, Geschwulst’, russ. žolvь, žolvúj, želvak ‘Beule’, čech. žluna, žluva ‘Geschwulst’, klr. žolá ‘Erdnuß, Erdeichel’; poln. gleń, glon ‘Klumpen, Stück Brot’.
A. Gutturalerweiterungen:
gel-g̑-:
Gr. γέλγῑς f., Gen. γέλγīθος (auch γέλγιος und -ιδος), Pl. γέλγεις ‘Knoblauchkern’ (wenn nicht wegen ἄγλῑς, -ῑθος ‘Knoblauchkopf’ = *ἁ-γλῑθ- ‘aus Teilknöllchen, Zehen zusammengesetzt’ aus redupl. *γελ-γλῑθ- dissimiliert; doch vgl. auch:) ai. gr̥ñja-ḥ, gr̥ñjana-ḥ ‘Art Knoblauch’, vielleicht auch gr. γέλγη Pl. ‘Trödelwaren’ (wenn etwa ‘Rundwaren, Knöllchen’, vgl. nhd. Kurzwaren);
schwed. kälk ‘Mark im Holz’ (‘Markkügelchen’), mengl. kelkes ‘ova of fishes’, colk, colke ‘Apfelkern’.
Die folgenden nur germ. (und kelt.?) Wortgruppen (idg. gleg̑-, glog̑-?) mit ihren expressiven Verschärfungen und Nasalierungen machen keinen idg. Eindruck, so
glek- in anord. kleggi (*klagjan-) ‘Heuhaufen’, nasaliert nhd. mdartl. (siebenbg.) heu-kling, kläng ‘Heuhaufen’, klang, klinge ‘kiesige seichte Stelle im Fluß, Sandbank’; ags. clingan ‘sich zusammenziehen, einschrumpfen’, engl. cling ‘sich anklammern, festhalten; haften’, anord. klengiask ‘auf jemand eindringen’ (‘*sich anklammern’), mhd. klingen ‘klettern’ (mit Kons.-Schärfung nhd. dial. klinken ‘sich anklammern’), ahd. klinga, nhd. Klinge ‘enge Schlucht, Klamm’, wozu mit gramm. Wechsel (also idg. *gle-n-k-) engl. clough (= ags. *clōh aus *klanh-) ‘steile Klamm’, ahd. Clāh-uelde; ahd. klunga ‘Knäuel’, Demin. klungilīn, nhd. Klüngel ds., schwed. klunga ‘gedrängter Haufen, Masse’, klänga ‘klettern’, anord. klungr (*klung-ra-, -ru-) ‘Dornbusch, Hagebutte’;
mit germ. -k- (z. T. idg. g, z. T. germ. Kons.-Schärfung) anord. klaki ‘gefrorene Erdkruste’, klakkr ‘Klumpen, Wollklumpen, Klecks, Wölkchen’, mhd. klak ‘Fleck, Klecks’; ags. clyccan ‘packen, greifen’ (engl. clutch), zu afries. kletsie ‘Spieß’, schwed. klyka (*klykja) ‘Klammer, Gabel’;
dazu (?) das auf urkelt. kk weisende mir. glacc, nir. glac ‘Hand’, glacaim ‘erfasse’;
nasaliert norw. dial. klank und klunk ‘Klumpen’, mhd. klungeler f. ‘Troddel’, glunkern ‘baumeln’, nhd. Klunker ‘Kotklümpchen, Schleimklümpchen, Augenbutter’ (ist aus ähnlicher Bed. des Unreinlichen vielleicht auch anord. klǣki n. ‘Schmach, Schande’, ags. clacn ‘Beleidigung’ geflossen?);
ndd. klinken ‘in Falten legen, einschrumpfen’, klinksucht ‘Schwindsucht’, mhd. klinke ‘Türklinke’, ahd. klenken (*klankjan) ‘schnüren, binden’, ags. be-clencan ‘festhalten’, engl. clench, clinch ‘(die Faust) ballen; umfassen; nieten’, mhd. klank ‘Schlinge; List, Ränke’.
Auf idg. gleg̑- weisen jedoch wohl russ. ksl. glez-nъ, -na, -no ‘Knöchel’, poln. glozna ds. und dehnstufig russ. glazokъ ‘Kügelchen’, glazъ ‘Auge’, poln. głaz ‘Stein, Fels; Steinchen’, głazný ‘glatt, geschickt’ (vgl. Berneker 301 m. Lit., Persson Beitr. 792);
Zupitza (KZ. 36, 236) stellt mhd. kluoc(-g) ‘klug, schlau, höflich, zierlich’ (germ. *klōʒa-), mnd. klōk (germ. *klōka-) ‘klug, listig, gewandt’ zu air. glicc (nir. glic erweist urkelt. kk) ‘sapiens’; ursprüngl. ‘wie eine Kugel so glatt und so beweglich’??
B. Dentalerweiterungen:
gel-t-: zunächst (als ‘Anschwellung - Mutterleib - fētus’, wie unten bei Kalb, kilburra): ai. jaṭháram ‘Bauch’, jarṭú- ‘Gebärmutter’; allenfalls ai. guṭikā ‘Kügelchen, Pille, Perle, Trinkbecher’ (eher dial. aus guḍikā ds.);
got. kilþei f. ‘Mutterleib’, in-kilþō ‘schwanger’, ags. cild n. ‘Kind’, engl. child.
Mikkola BB. 21, 225 verbindet auch scheinbar schwundstuf. schwed. kolla, kulla ‘Mädchen; Weibchen bei einigen Tieren’ (*kulþ-) mit kilþei; über aschwed. kolder ‘Kinder aus einer Ehe’ s. Lidén IF. 19, 335 und Wz. gol-.
*gle-t- vielleicht in ksl. glota ‘turba’, serb. glȍta ‘Familie (Weib und Kinder); arme Leute; Unkraut; Unsauberkeit, Schmutz’?
Wegen der Unsicherheit des ai. Beispiels sind die folgenden, nur im Germ. sicher belegten Wortgruppen (idg. *gel-d-, *gle-d-?) nichtidg. Herkunft verdächtig:
mit der Bed. des Tierjungen ai. gaḍi-h, gali-ḥ ‘junger Stier’ (?);
dazu tiefstufig ags. colt ‘Junges von Tieren’, engl. colt ‘Füllen’?;
aisl. kialta, kilting ‘Bausch, bauschige Falte des Kleides’, norw. dial. kult ‘Holzstumpf, Bergknollen, plumpe dicke Figur’ (schwed. auch ‘halberwachsenes Ferkel’, vgl. oben ags. colt);
nasaliert (*glend-) aschwed. klinter ‘Berggipfel, Bergknollen’, aisl. klettr ‘Fels, Klippe’, mnd. nnd. klint ‘Fels, Klippe’, ndd. klunt, klunte ‘Klumpen, Haufen; dickes Weib’ = nhd. dial. klunze, ndd. klunter ‘Klümpchen von Kot oder Mist’ (daneben mit germ. d ndd. klunder ‘Büschel, Haufe’, norw. klundra ‘Knorren, Knoten’ u. dgl.);
westfäl. klǣtern (as. *klātirōn) ‘klettern’ (eigentlich ‘kleben oder sich fest anklammern’), ndd. klāteren, klatteren ds., nnd. klāter m. ‘festhaftender Schmutz’; mit ō mndl. holl. cloet, kloet ‘Stock; Ball, Knauf des Schwertes’ (spätanord. klot ‘Schwertknauf’ ist Lw. aus mnd. klōt = nhd. Kloß);
mit expressivem -tt-: mnd. klatte ‘Lappen’ = nhd. dial. klatz ‘Schmutzfleck’, mndl. klatten ‘beschmutzen’, mhd. bekletzen ds., norw. schwed. mdartl. klatra ‘hudeln’;
daneben mit expressivem dd: ndd. kladde ‘Schmutzfleck; Klette’ (d. i. ‘die Klebende’); mit Dent. + s: norw. klessa (klass) ‘kleben, festhängen, platschen, klatschen’, klessa (kleste) ‘schmieren, sudeln’, klussa ‘beschmutzen, sudeln, lispeln’; aisl. kless ‘lispelnd’; vgl. aisl. klasi S. 362.
C. Labialerweiternngen:
geleb(h)-, glēb(h)- (: glǝb(h)-) und gleb(h)- (: gl̥b(h)-) ‘zusammenballen’.
Lat. (wohl eigentlich gall.) galba (*gelǝbh-?), nach Sueton gall. Bezeichnung für einen ‘homo praepinguis’; ein gall. *galbo- ‘Verdickung, Wade, Arm’ wird auch wohl vorausgesetzt von galbeus, -eum ‘Armbinde, als Schmuck’, vielleicht von galbulus ‘Zypressenzapfen’, deren Vokalismus vermutlich aus *gelǝbh-;
anord. kalfi m. ‘Wade’, kalfabōt ‘Lende’, engl. calf ‘Wade’, nhd. mdartl. Kalb ‘Muskel’, ahd. wazzarkalb ‘Wassersucht’ (‘Aufschwellung durch Wasser’), womit sich (als ‘Anschwellung - Mutterleib - fetus’, vgl. engl. in calf, with calf ‘trächtig’) deckt ahd. kalb, Pl. kelbir ‘Kalb’, ags. cealf, calfur n., anord. kalfr ‘Kalb’, got. kalbō f. ‘junge Kuh, Färse’, mit e-Stufe ags. cilfor-lamb, ahd. kilburra f. ‘weibliches Lamm’;
lat. globus m. ‘Kugel, Haufe, Klumpen’, dehnstufig lat. glēba f. ‘Erdscholle; Stückchen, Klümpchen’ (daraus poln. gleba ‘Erdscholle’ entlehnt).
Ist glēbō ‘rusticus’ (‘Schollen aufwerfend’??) gallisch (dann ) oder nur im Latein Galliens aufgekommen?
Ahd. klāftra f. ‘Maß der ausgespannten Arme, Klafter’ (*glēbh-); ablaut. anord. klafi m. ‘Halsjoch, Packsattel’, mnd. klave ‘Halsjoch’ (*klaƀan- ‘Zusammendrückendes’); ags. clyppan ‘umarmen’ (*klupjan mit -lu- als Tiefstufe von -le-), afries. kleppa ds., schweiz. chlupfel ‘Bündel’, engl. clasp (*claps-) ‘haken, spannen, umfassen, umarmen’ (wohl auch air. glass ‘Schloß’ aus *glabso-);
vgl. mit derselben Bed. ‘(mit den Armen) zusammendrücken’ und einem ebenfalls am besten aus einer schweren Wzf. glēbh-: glǝbh- zu erklärenden Ablaut die balt. Sippe von lit. glė́biu, glė́bti ‘mit den Armen umfassen’ (glėbỹs ‘Armvoll, Umarmung’), glóbiu, glóbti ‘umarmen, unterstützen’, lett. glêbt, glâbt ‘schützen’, lit. glabóti ‘aufbewahren, verwahren; erbitten’, lett. glabât ‘hüten, bewahren, warten’, apr. poglabū ‘herzte’ (Mühlenbach-Endzelin I 621, 623 u. 626);
vielleicht dazu lit. gélbu, -ėti ‘helfen’, gil̃bti ‘genesen’, apr. galbimai 1. Pl. Konj. ‘wir helfen’, pogalbton ‘geholfen’ als *gelǝbh- (Trautmann 92);
slav. *globi̯ǫ, *globiti in serb. z-glȍbīm, zglòbiti ‘zusammenlegen, fügen’, poln. głobić alt ‘drücken, zusammenfügen’ (dehnstufig sloven. glȃbim, glábiti ‘raffen’) mit idg. ǝ oder eher о (: lat. globus).
Ferner mit der Bed. des ‘Geballten, Runden, Klotzigen’ germ. *klapp- (intensive Konsonantenschärfung) in anord. klǫpp f. ‘Knüppelbrücke’, mnd. klampe ds., schwed. klapper-sten ‘rundliche Steine zum Pflastern’, mhd. klapf m. ‘Fels(kopf)’;
germ. expressives *klabb- in norw. dial. klabb ‘anhaftender Klumpen’, schwed. klabb(e) ‘Klotz, Bergknollen im Meer, kurzer, dicker Knаbе’ (tiefstufig anord. klubba ‘Keule’, woher engl. club);
germ. *klēp- (vgl. lat. glēba; germ. p aus express. pp oder allenfalls einer Form mit idg. b) in anord. klāp-eygr ‘glotzäugig’, klāpr ein Scheltwort (etwa ‘Klotz’) u dgl.; über idg. qlēp- s. dort;
tiefstufig *kulƀ- in ahd. kolboKolben, Keule (als Waffe), Knüttel’, anord. kolfr ‘Pflanzenknollen, Pfeil’, kylfi, kylfa ‘Keule u. dgl.’; daneben mit germ. -p- ndd. kulp-ōge ‘Glotzauge’, mrhein. Külp ‘Schlagholz am Dreschflegel’, schwed. dial. kulp ‘dicker Mensch’; mengl. cülpe, nengl. kelp ‘Salzkraut’.
Nasaliert glembh- (vielleicht z. T. durch Kreuzung von *glebh- und *glem-):
Mhd. klamben ‘fest zusammenfügen’, anord. klembra ‘klettern’, aisl. klǫmbr ‘Klammer’, mhd. klemberen ‘verklammern’, mhd. nhd. Klammer; engl. clamber ‘klettern’, eigentlich ‘sich festklammern’, wie auch ablaut. ahd. klimban ‘klimmen, klettern’, ags. climban, mhd. klimben, klimmen ‘klimmen, klettern; zwicken, packen’; anord. klumba ‘Keule’, klumbu-fōtr ‘Klumpfuß’;
mit germ. p: aschwed. klimper ‘Klumpen, Kloß’, aisl. kleppr ‘Klumpen, felsige Anhöhe’, mhd. klimpfen ‘fest zusammendrücken’; ahd. klampfer ‘Klammer’, mnd. klampe f. ‘Haken, Steg’, nnd. klamp, klampe ‘Klumpen, Klotz’ (nhd. Klampe ‘Klammer, Haken, Klotz’ ist ndd. Lw., echt nhd. Klampfe); ags. clympe ‘Klumpen’, ndd. klumpe ‘Klumpen’ (nhd. Klumpe(n) ist ndd. Lw.);
poln. głąb, čech. hloub ‘Strunk’.
glem-:
Lat. glomus, -eris n. ‘Kloß (als Speise); Knäuel’ (*glemos), glomerāre ‘ballen’;
air. glomar ‘Zaum, Knebel’ (vgl. S. 360 mhd. klammer);
ags. climman ‘klettern’, mnd. klimmeren ds., mhd. klimmen (z. T. mit mm aus mb), auch ‘beengen’ (nhd. beklommen), ags. clam(m) ‘Band, Griff, Fessel’, ahd. klamma ‘Beengung, Klemme, Bergschlucht’, nhd. Klamm, Kaus. ahd. nhd. klemmen, afries. klemma, ags. beclemman ‘einklemmen’, mhd. klam ‘enge, dicht’, nhd. (nd.) klamm ‘steif (krampfig) vor Kälte’, tiefstufig norw. dial. klumra ‘mit steifen und erfrorenen Händen arbeiten’;
mit erweit. *klam-d-: anord. klanda, klandra ‘verunglimpfen, ärgern, zu entwenden suchen’;
lit. glomó-ju, -ti ‘umarmen’; mit -g̑- erweitert lit. glemžiù, glem̃žti ‘zusammenraffen; zerknittern’, lett. glemzt ‘langsam essen, Unsinn schwatzen’;
ferner glēm-, glǝm- mit alter Bed.-Entw. zu ‘zusammenkleben, schleimige Masse’:
gr. γλάμων ‘triefäugig’, usw. (lat. glamae Lw.);
alb. nglomë, ngjomë ‘feucht, frisch’ (*glēmo-);
anord. klām ‘Schmutzrede’, engl. clammy ‘klebrig, zäh’, ostpr. klamm ‘klebrig, feucht’;
lit. glẽmės, glė̃mes, glė̃mos f. pl. ‘zäher Schleim’, lett. glęmas, glemi ‘Schleim’, glùmt ‘schleimig, glatt werden’, glums ‘glatt’ (auch glemzt ‘gedankenlos plaudern’, glemža ‘Schwätzer’, vgl. z. Bed. lett. gleîsts ‘Schwätzer’: glîst ‘schleimig werden’); über lit. gléimės s. unten S. 364.
D. g(e)l-eu-, z. T. mit weiterer konsonantischer Ableitung:
Ai. glāu-ḥ f. ‘Ballen, Kugel, geballte Masse’, npers. gulūle ‘Kugel’;
gr. γίγ-γλυ-μος m. ‘Knochengelenk, Türangel’;
air. glō-ṡnáthe, gláo-ṡnáthe ‘linea, norma’ (wörtlich ‘Ballendraht’);
anord. klē m. (*klew-an-) ‘Webstein’, ags. clyne n. ‘Metallklumpen’ (*klu-n-), schwed. kluns m. ‘Klumpen’, isl. klunni ‘klotzige Person’; ahd. kliuwa, kliwa ‘Kugel, Knäuel’, kliuwi, kliwi ‘Knäuel’ (Demin. mhd. kliuwelīn, dissimiliert nhd. Knäuel), ags. clíewen ‘Garnknäuel’ (engl. clew); tiefstufig mnd. klǖwen, holl. kluwen ‘Knäuel’; dazu mit Dehnstufe und Bed.-Entw. ‘die packende : Klaue’ die Sippe von germ. *klēwā : ahd. klāwa ‘Kralle, Klaue’, mhd. klāwe, mnd. klā ‘Kralle, Klaue, Huf, afries. klē, wozu mit Ablaut das Verbum *klawjan (geneuert *klawan) ‘mit den Nägeln kratzen, jucken’, ahd. klauuenti ‘prurientes’, mhd. klöuwen ‘kratzen’, ags. clawan = anord. klā ‘reiben, kratzen’ (anord. klǣja ‘jucken’ Neubildung nach der 3. Sg. klǣr = *klawið), wozu *klawiþan- m. in anord. klāði m. ‘Jucken, Kratzen’, ags. clæweða ds., ahd. glouuida (lies clouuida) ‘scabies’; aus dem Verbum stammt die Kürze von ags. clawu f. ‘Klaue, Huf’ (engl. claw) und clēa f. (engl. mdartl. clea) ds. (letzteres = *klau aus clawu), sowie ahd. klōa ‘Klaue’; ahd. cluwi ‘Zange’; aisl. klō f. ‘Klaue, Nagel, Haken’; aisl. klunna ‘sich festhängen’, vgl. ags. clyne, schwed. kluns ‘Klumpen’, ags. clynian ‘einwickeln’;
wahrscheinlich air. glūn ‘Knie’ = alb. glu-ri (geg.), gju-ri (tosk.) ‘Knie’ (mit idg. *g̑enu- ‘Knie’ kaum als Dissimilationsform für *g̑nū-n- vereinbar wegen der Gutturalverschiedenheit);
vermutlich lit. gliaũmas ‘schleimiger Abgang vom Schleifstein’, gliaumùs ‘glatt, schlüpfrig’, lett. glaũms, glums ‘schleimig’, wenn ‘schleimig = zusammenklebend, sich zusammenballend’, vgl. Mühlenbach-Endzelin I 622; vgl. mit -s- norw. klyse (*klūsion-) ‘schleimiger Klumpen’, das von mnd. klūs ‘Masse’, nnd. ‘Knäuel, Wirre, Masse’, ndd. klū̆ster ‘Büschel, Traube’, ags. clūster, clȳster n. ds. nicht zu trennen ist; vgl. von einer Wzf. *gle-s- anord. klasi ‘Klumpen von Beeren oder Früchten, Masse’.
Erweiterung mit -t-:
gr. γλουτός (τα γλουτά) ‘Hinterbacke, Gesäß’, τὰ γλούτια ‘zwei Erhabenheiten des Gehirns’;
sloven. glȗta, glúta ‘Beule, beulenartige Geschwulst, Baumknorren’ (Berneker 309);
ablautend ags. clūd m. ‘a mass of rock, hill’, engl. cloud ‘Wolke’ (‘Wolkenballen’), vgl. mit Geminata (*kludda-) ags. clodd (engl. clod) ‘Erdklumpen’.
Erweiterung mit -d-:
mnd. klōt m. ‘Klumpen; Hode’, mhd. klōz, nhd. Kloß, ags. cléot, engl. cleat ‘Klumpen, Keil’; ablautend mnd. klūt, klūte ‘Erdklumpen’, ostfries. klūt ‘Klumpen, Bruchstück’ (in Weiterentwicklung letzterer Bed. auch :) ags. clūt m., engl. clout ‘Lappen; Metallplatte’, spätanord. klūtr ‘Lappen, Klumpen’; mit expressiver Geminata (*klutta-) ags. clott (engl. clot) ‘Klumpen’ = mhd. kloz, nhd. Klotz.
Vielleicht hierher lit. glaudžiù, glaũsti, lett. glaũst ‘mache etwas eng anschmiegen’, glaudùs ‘anschmiegend, dicht anliegend’, glúdoju ‘liege angeschmiegt da’ (vgl. Mühlenbach-Endzelin I 622 f.);
russ. glúda ‘Klumpen, Kloß’.
Erweiterung mit -bh-:
sylt. fries. klēpi ‘küssen’, russ. glýba ‘Klumpen, Block’, g. zemli ‘Erdscholle’ (Berneker 310; vgl. zum -b- unten *gle-b-), vielleicht lit. glaũbti ‘an die Brust drücken’, glaubstýti ‘liebkosen’.
E. glei-, z. T. mit weiterer, konsonantischer Ableitung (bes. glei-t-, -d-, glei-bh-; glei-m-) ‘kleben, schmieren’, aber wohl ursprüngl. abgeleitet von gel- ‘ballen’; nach Specht Dekl. 144 Grundbed. ‘glänzend’ (zu g̑el-, gel-?); nominal: gli-i̯o-, -no-, -tu-; gloi-u̯o-.
Gr. γλία f. ‘Leim’ (sl. *glьjь, s. unten), γλίνη ds. (: sl. glěnъ, glina, ahd. klenan, air. glenim s. unten), γλοιός ‘klebrige Feuchtigkeit’, γλοιός ‘klebrig, feucht’ (*γλοιϝός: lett. glievs, slav. *glěvъ, s. unten), γλιττόν· γλοιόν Hes. (*γλιτϝ-ός: lit. glitùs usw.), γλίχομαι ‘hefte mich an etwas, verlange heftig’, γλίσχρος ‘leimig, zäh, schlüpfrig’ (vermutlich mit -ρο- von einem *γλίσχω aus *γλίχ-σκω);
lat. glūs, -tis, glūten, -inis n. ‘Leim’, glūtinō ‘leime zusammen’ (ū aus oi, vgl. das ablautende:) glis, -tis ‘humus tenax’, glittūs ‘subactis levibus, teneris’ (Grundf. *gleitos mit intensivem tt);
air. glenim (*gli-nā-mi), cymr. glynaf ‘adhaereō’; dazu ferner air. fordíuclainn ‘verschlingt’, nach Pedersen KG. II 540 aus for-dí-uks-glen- zu *glenaid (aus *gl̥-nā-ti); auch bret. geot ‘Gras’ aus *gel-tā (Marstrander Prés. nas. 30 f.);
ags. clǣg (engl. clay), mnd. klei ‘Lehm’, dän. klæg ‘zäher, fetter, lehmiger Schlamm’ (germ. *klajja-; dazu ndd. kleggen ‘klettern’); ablautend norw. dial. kli ‘Schlamm, Lehm’ (die Ableitung mnd. klick ‘Lehmerde’ wohl nach slick ‘Schlick, Lehmerde’?), ahd. klenan ‘kleben, schmieren’ (= ir. glenim, s. oben, vgl. auch nominal γλίνη usw.; ist klenan als st. V. in die e-Reihe übergetreten, daher auch anord. klunna ‘festhangen’?); hochstufig anord. klina ‘beschmieren’ (*klīnian, schw. V.), mit oi norw. kleina ds.;
lit. gliejù, gliẽti ‘beschmieren’, refl. gliẽtis ‘kleben bleiben’;
sl. *glьjь in russ. glej ‘Ton, Lehm’, poln. glej ‘schlammiger Boden’ (: gr. γλία; erweitert russ. mdartl. glëkъ ‘Schleim, Blutwasser’ aus *glь-kъ);
gleibh- (slav. Entsprechungen s. unten); an sich auch aus idg. *glei-p- herleitbar in
ahd. klëbēn ‘kleben, haften, festsitzen’, as. kliƀōn, ags. clifian, cleofian ‘kleben, anhangen’, ags. clibbor ‘klebend’, hochstufig ahd. klīban ‘haften, kleben’, as. biklīƀan ds., ags. clīfan ‘haften’, anord. klīfa ‘klettern (sich anheften, anklammern)’, mndl. clīven ds.; ahd. klība, as. klīva, ags. clīfe ‘Klette’; mit -oi- ahd. kleiben ‘befestigen (kleben machen)’, nhd. kleiben ‘kleben, kleistern’; ags. clǣfre (*klaiƀriōn-), mnd. klāver, klēver ‘Klee’; hierher auch anord. kleif f., klif n. ‘steile Anhöhe’, ags. clif n., mnd. klif ‘Klippe’, ahd. klep (-b-) ‘Vorgebirge’, mndl., mnd. klippe f. ‘Klippe’ (daraus nhd. Klippe als ‘glatter Felsen’, wie air. slīab ‘Berg’ zu Wz. *sleib- ‘gleiten’); inwieweit in ags. ahd. klimban ‘klimmen, klettern’ neben *gle-m-bh auch eine nasalierte Form von *glei-bh- unterläuft, ist unklar;
aksl. u-glьbl’ǫ ‘bleibe stecken’ Aor. uglъbǫ, ἐνεπάγησαν’, uglebъ (e = ь) ‘ἐνεπάγην’, ablautend (*oi) russ.-ksl. uglěbl’evati ‘infigere’, und (*ei) serb. glȋb ‘Kot’ (Berneker 310).
glei-d- in mir. glōed ‘Leim’, ags. clāte f. ‘Klette’, clīte f. ‘Huflattich’, engl. dial.clote, clite, cleat ‘Klette’, clite ‘Leim, Schlamm’ (: lett. glī̀dêt ‘schleimig werden’, vgl. Mühlenbach-Endzelin I 626, 627).
mit m-Formans: ags. clām ‘klehriger Stoff, Lehm’, wozu anord. Kleima ‘Name einer Riesin’ ags. clǣman ‘schmieren’, ahd. chleimen ‘leimen’;
lett. gliemezis, gliems, glieme ‘Schnecke, Muschel’; lit. gléimės ‘Schleim’, glimùs ‘schleimig’; lett. glaĩma ‘Scherz, Schmeichelei’, glaĩmuôt ‘scherzen, schmeicheln, liebkosen’(vgl. norw. dial. kleima ‘schmieren : liebkosen’); Mühlenbach-Endzelin I 621, 628 f.; Trautmann 92; über lit. glė̃mės s. oben S. 361;
sl. *glěmyždžь in čech. hlemýžd’ ‘Schnecke’.
mit n-Formans (s. o. γλίνη usw.) russ.-ksl. glěnъ ‘Schleim, zähe Feuchtigkeit’, glina ‘Ton’;
glei-t- in ags. ætclīþan ‘festkleben, anhangen’, schwachstufig cliða, clioða m. ‘Wundpflaster’, ags. cliðe ‘Klette’ (‘die anhaftende’), ahd. kledda, kletta, ndl. klis, klit ‘Klette’, nhd. klettern; auch wohl mhd. kleit, nhd. Kleid, ags. clāð ds.; mhd. klīster ‘Kleister’, nisl. klīstra ‘kleistern’ (als *gleit-tro- hierher oder mit dem germ. Formans-stra- von der einf. Wzf. *klī-, idg. glei-); norw. kleisa ‘kleben; (mit der Zunge kleben =) lispelnd oder unrein reden’, anord. kleiss ī māle ‘stotternd’.
lit. glitùs ‘glatt, klebrig’, glytė̃ ‘Nasenschleim, pl. Fischleim’, lett. glîts ‘glatt, nett, hübsch’; lett. glīstu, glīdu, glîst ‘schleimig sein und werden’, glīdēt ‘schleimig werden’, gleîsts ‘Schwätzer’; s. Mühlenbach-Endzelin I 624, 627; vgl. oben S. 363 gr. γλιττόν;
vielleicht in russ. (usw.) glistъ, glistá ‘Wurm, Regenwurm, Bandwurm’ (oder zu nhd. gleiten; Berneker 304);
mit -Formans: germ. *klaiwa-, ahd. klēo-, klē ‘Klee’ (nach dem klebrigen Saft der Blüte?) und *klīwōn-, mnd. klīe, ahd. klīwa, klīa, nhd. Kleie f. (wenn mit idg. ī, so ablautgleich mit lett. glīwe ‘Schleim’).
lit. gléivės f. Pl. ‘Schleim’, lett. glēvs ‘zäh wie Schleim, schlaff’ (ob mit ē aus idg. *ē[i]?; über lit. glė̃mės s. oben S. 361 unter glem-), lett. glievs ‘schlaff’ (= γλοιός), glīve ‘Schleim, grüner Schleim auf dem Wasser’ (: ahd. klīwa, s. oben);
sl. *glě̌vъ (: lett. gli̇vs, γλοιός) in russ. dial. glevъ m., glevá f. ‘Schleim der Fische’, poln. gléwieć (daneben gliwieć) ‘verderben (vom Käse’), ablautend klr. klýva ‘Leberschwamm (eine Pilzart’), serb. gljiva ‘Schwamm, Agaricus’;

WP. I 612 ff., WH. I 577 f., 580, 606 f., 608 f., 611 f., 617, 867 f., Trautmann 92.

gelbh- ‘Gebärmutter; Tierjunges’

Ai. gárbha-ḥ, av. garǝwa- ‘Mutterleib, Leibesfrucht’, gǝrǝbuš n. ‘Tierjunges’; ai. sá-garbhya-ḥ ‘eodem utero natus’ (= gr. ἀδελφεός ds.);
gr. δελφύς, -ύος f., dor. δελφύᾱ ‘Gebärmutter’ (s. unten); *δέλφος n. ds. als Grundlage von ἀδελφεός (Hom.) ‘couterinus, Bruder’ (*ἁ-δελφε[σ]-ός), woneben att. ἀδελφός ds.; δέλφαξ m. f. ‘Ferkel’, δελφί̄ς, -ί̄νος m. ‘Delphin’, δολφός· ἡ μήτρα Hes.; Specht (Idg. Dekl. 268) erschließt aus gr. ἀδελιφ-ήρ· ἀδελφός. Λάκωνες (Hes.) eine ursprüngl. Wurzel *gel-;
der -us-St. kehrt wieder in ahd. kilbur n., chilburra f. ‘Mutterlamm’, ags. cilforlamb ds. (daneben vom es-St. ahd. kilbira ds. und - mit Abtönung о nach einem o-St. wie δολφός, gárbha-ḥ - nhd. Kalb, s. oben S. 359 unter *gel-, *gelebh- ‘ballen’), die auf rein velaren Anlaut weisen (wie gall.-lat. galba und got. kil-þei ‘Mutterleib’ usw.). Es liegen verschiedene, aber lautähnliche und daher gegenseitiger Beeinflussung ausgesetzte Sippen vor: *gelbh-, *gerebh-, und aus gel- erweiterte bh-Formen, die aber im Germ. vermutlich durch Aufsaugung von gelbh-Formen deren Stammbildung und spezifische Bedeutung übernommen haben.

WP. I 692 f., WH. I 578, Schwyzer Gr. Gr. I 295.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal