Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kameel - (zoogdier met gebulte rug (geslacht Camelus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kameel zn. ‘zoogdier met gebulte rug (geslacht Camelus)’
Mnl. kemel [1240; Bern.], de kemele ebben bulken (lees: bulten) twee ‘kamelen hebben twee bulten’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], daarna ook kemeel [1399; MNW-P] en cameel [1399; MNW-P]; vnnl. kamel (met de aantekening ‘verouderd’), kemel [1599; Kil.], kameel [1617; WNT].
In de 13e eeuw is kemel de enige vorm, daarna staan tot in de Vroegnieuwnederlandse periode kemel en cameel naast elkaar. Omdat de vorm kemeel weinig voorkomt, moet mnl. kemel niet gezien worden als spellingvariant van kemeel, maar als weergave van een woord met beginklemtoon. Wrsch. is kemel rechtstreeks aan een Semitische taal ontleend ten tijde van de kruistochten (11e-13e eeuw), vergelijk bijv. Hebreeuws gāmāl ‘kameel’, Assyrisch gammalu, en ook Arabisch jamal (met klankovergang /g/ > /dž/). Ook ontlening aan Middelgrieks kamilos is mogelijk; in dat geval is de e in de eerste lettergreep van kemel het gevolg van i-umlaut.
De jongere vormen kemeel en later kameel zijn beïnvloed door, of opnieuw ontleend aan, Latijn camēlus, dat via Grieks kámēlos dezelfde Semitische oorsprong heeft. Fenicisch gāmāl of gāmel heeft tevens geleid tot de naam → gamma van de derde letter van het Griekse alfabet.
Mhd. kemmel, kemel (nhd. Kamel met eindklemtoon via het Latijn); oe. camel (ne. camel) via het Latijn.
Voor het onderscheid tussen de kameel (Camelus bactrianus) en de dromedaris (Camelus dromedarius) zie → dromedaris.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kameel [zoogdier] {cameel, cámel, kemel 1201-1250} < latijn camēlus [kameel, dromedaris] < grieks kamèlos [idem] < fenicisch-hebreeuws gāmāl, verwant met arabisch jamal (vgl. gamma).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kameel znw. m., mnl. cameel < lat. camēlus < gr. kámēlos uit het semietisch, vgl. hebr. gamal. — De vorm kemel, mnl. kēmel, mhd. kemel, kan een vroege ontlening uit lat. camēlus zijn, maar is toch eerder tijdens de Kruistochten rechtstreeks uit arab. ǧamal overgenomen. — Eindelijk is er nog de vorm mnl. cāmel, vgl. mhd. kamel, kammel, oe. camel, dat eveneens het lat. camēlus is, maar met teruggetrokken accent.

Overdrachtelijk gebruikt voor een werktuig om schepen over ondiepten te lichten (in 1691 door Meeuwes Bakker uitgevonden (> fra. chameau 18de eeuw, vgl. Valkhoff 88). — Dit woord heeft een ouder woord verdrongen, dat onder elpenbeen behandeld is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kameel znw., mnl. cameel m. Evenals mnd. kamêl (m.?), nhd. kameel o. (reeds mhd. md.?) een geleerde ontl. uit lat. camêlus (gr. kámēlos oorspr. sem.: hebr. gâmâl) “kameel”. De vorm kemel mnl. kēmel m. = mhd. kemel m. is ’t zij een vroegere ontl. uit camêlus (voor de vocalen vgl. mnl. ēdic bij azijn), ’t zij een directe ontl. uit arab. gemel in den tijd van de kruistochten. Mnl. cāmel m. stemt met mhd. kam(m)el, ags. (laat-north.) camel m. overeen; ’t is een geleerde ontl. uit het Lat. met daarna teruggetrokken accent. Voor een ouder germ. woord met de bet. “kameel” zie elpenbeen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kameel m., uit Lat. camelum (-us), van Gr. kámēlos, en dit van Hebr. gāmāl + Ar. jamal.

kemel m., Mnl. id., gelijk Mhd. id., rechtstreeks uit Gr. kámēlos (z. kameel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kameel: – kameelperd – ; sedert 1663 (Scho PD 36 en Kloe HGA 329) word ’n giraf (Giraffa/Camelopardalis giraffa, v. giraf hierbo en kameel by WAT) in S.A. ’n kameel genoem (en in naam vereenselwig m. d. eenbultige Camelus dromedarius v. Arabië en m. d. tweebultige Camelus bactrianus v. Asië), maar dit was wsk. ten dele die gevolg v. ’n verkorting v. sy Ndl. naam kameelpardel/kameelpaard (wu. sy Afr. naam kameelperd oorgeërf is); hy is nie ’n kameel nie en net so min as ’n luiperd ’n perd, maar sy bou het aan ’n kameel en sy vlekke aan ’n panter laat dink en aan hom die naam kameelpanter besorg, in Lat. camelopardus en in Gr. kamelopardalis.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kameel (Latijn camelus)
kemel (Latijn camelus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kameel ‘hoefdier’ -> Deens kamel ‘hoefdier’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels camel ‘giraffe’; Negerhollands kameel ‘hoefdier’; Papiaments kamel (ouder: kameel) ‘hoefdier’.

kameel ‘toestel om schepen over ondiepten te lichten’ -> Duits Kamel ‘toestel om schepen over ondiepten te lichten’; Deens kamel ‘toestel om schepen over ondiepten te lichten, vooral in Nederland gebruikt’; Frans chameau ‘toestel om schepen over ondiepten te lichten’; Italiaans cammello ‘toestel om schepen over ondiepten te lichten’; Russisch kamel' ‘soort watervaartuig, platboomde boot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kameel hoefdier 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal