Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kant - (zijde, rand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kant 1 zn. ‘rand, zijde’
Mnl. eerst als toenaam voor een kleermaker, bijv. Lizebet Cant [1221; Debrabandere 2003], dan cant ‘zijde, rand, waterkant’, in turre ... met ysere ieghen brand wel verdect an elken cant ‘een toren, aan elke zijde goed met ijzer bekleed tegen brand’, tuschen den berghen ende der ze cant ‘tussen de bergen en de kust’, al omme bouen an den cant ghinc een scerp fijn guldijn bant ‘boven langs de rand liep rondom een scherpe, zuiver gouden band’ [alle 1285; CG II, Rijmb.].
Ontleend aan een Noord-Franse dialectvariant van Oudfrans chant ‘zijde, kant’ [1155; Rey] (in het Nieuwfrans verouderd), wrsch. uit Latijn cant(h)us ‘velg’.
Ontleend aan het mnl. is mnd. kant(e) ‘kant, hoek, rand’ (waaruit nhd. Kante ‘scherpe rand’ en nzw./nde. kant); ontleend aan mnl., mnd. of Noord-Frans is me. cant ‘rand’. Nhd. Kanten ‘homp brood, kapje’ gaat terug op de verouderde mnl. betekenis ‘stuk brood’, via Nederlandse kolonisten in Oost-Duitsland (12e eeuw).
In de westelijke Romaanse talen is het woord algemeen: middeleeuws Latijn cantus ‘hoek, zijde’, Italiaans/Spaans/Portugees canto ‘rand, hoek, zijde’, Oudprovençaals can ‘zijde’, wrsch. ook klassiek Latijn cant(h)us ‘velg’. In dat geval ook Grieks kanthós ‘velg’. Wrsch. is dan ook verwant Oudkerkslavisch kǫtŭ ‘hoek’ (Russisch dial. kut, Tsjechisch kout) en Litouws kampas ‘hoek’. De relatie met het Keltisch (Welsh cant ‘ijzeren rand of hoek’ en Bretons kant ‘landstreek’) is onduidelijk.
Voor andere afleidingen die in een Romaanse taal zijn ontstaan en later door het Nederlands ontleend, zie → kanteel, → kanton, en wrsch. ook → kantine. Voor inheemse, of in elk geval Germaanse afleidingen, zie → kant 2, → kant 3, → kanten, → kantelen en → kenteren.

kant 2 zn. ‘doorzichtig kunstig weefsel’
Vnnl. eerst als telbaar begrip, meestal in het meervoud: dundoek en kanten ‘dundoek en stukken kant’ [1616; WNT], een lobbe met kanten ‘een kraag met stukken kant’ [1624; WNT], een ... kleedt, met silvere Kanten geboordt ‘... afgezet met stukken kant’ [1650; WNT], de stofnaam eerst in het bn. kanten ‘van kant’, in een kantijne Neusdoeck ‘een kanten zakdoek’ [1650; WNT kanten I], het verkleinwoord van het telbare zn. in een silver kantjen met looveren [1657; WNT], dan ook het zn. kant ‘zeker weefsel’ in het speldewerk, dat om sijn punten en kantjes kant genaamd werd [1681; WNT].
Hetzelfde woord als → kant 1. Kant wordt meestal in stroken aan de rand of kant van een ander weefsel bevestigd.

kant 3 bn. ‘met scherpe zijden, gereed’
Vnnl. kant ‘kloek, stevig, flink (van mannen)’ [16e eeuw; WNT], kant ‘in orde, gereed, klaar’ [1634; WNT], vooral in de vaste verbinding die eerst eenmaal voorkomt als klaer en kant [1646; WNT], dan kant en klaar ‘gereed voor gebruik’ [1684; WNT].
Herkomst onduidelijk. Vorm en betekenis lijken in elk geval op verband met → kant 1 te wijzen. Enigszins vergelijkbaar is haaks bij → haak. Vermoedelijk is het oorspr. een Nederduits equivalent zonder voorvoegsel van gekant ‘van kanten voorzien, goed geschaafd’; in de oudste vindplaatsen komt het woord vooral voor als scheepvaartterm of als volkstalig woord en het kan dus heel goed door Noord-Duitse scheepslui in Nederland geïmporteerd zijn. Hierop wijzen ook vergelijkbare woorden en uitdrukkingen in het Fries en Engels en in de Scandinavische talen.
Nfri. kant ‘haaks, recht, welgemaakt’, kantich ‘flink’, Oost-Fries kant ‘netjes, klaar’, kant un klâr; nde. kant og klar; nno. kant o klaar; me. en ne. (dial.) cant ‘flink’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kant [zijde, rand] {in de persoonsnaam Jan Cant 1248-1271, cant [zijde] 1285} < picardisch can (oudfrans chant) of direct < latijn cant(h)us [band van een wiel, velg], uit het gallisch, vgl. welsh cant [ijzeren band, rand], bretons kant [cirkel]. In de uitdrukking kant noch wal raken [hoegenaamd geen grond hebben] heeft kant de betekenis ‘waterkant’. De uitdrukking op het kantje af [op het nippertje] komt van het passen en meten, als iets bijna niet uitkomt. De uitdrukking zich van kant maken [zelfmoord plegen], middelnederlands enen van cante spelen [iem. uit de weg ruimen] betekende ‘van de kant af, uit de weg’. De uitdrukking er de kantjes aflopen [lijntrekken] wil eig. zeggen ‘om het werk heenlopen, aan de kant blijven lopen’. In de uitdrukking kant-en-klaar [geheel gereed] hoort het bn. kant bij Kiliaan kanten [het uiteinde afsnijden] {1599}.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kant

Het woord kant, dat van Keltische oorsprong schijnt te zijn, betekent in allerlei variaties: zijde, rand. Het komt ook voor in uitdrukkingen als: aan kant en: van kant. Aan kant maken wil zeggen: ordenen, opruimen. Van kant maken is: uit de weg ruimen, zowel in de letterlijke betekenis van: ter zijde stellen, als in de figuurlijke van: doden. De uitdrukking zich van kant maken voor: zelfmoord plegen, is zeer gewoon. Merkwaardig is dat in Zuid-Nederland zich van kant maken vroeger betekende: zich schuilhouden. Dit blijkt uit het volgende citaat: Die ’t leven houden wil, maekt zich in tijds van kant, dus: uit de voeten. Maar in het Middelnederlands komen reeds zegswijzen voor als: iemand van kant spelen, iemand van kant helpen in de zin van: iemand verwijderen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kant 1 znw. m. ‘zijde’, mnl. cant m., cante v. ‘kant, rand, streek, stuk brood’, mnd. kant m., kante v. ‘kant, hoek, rand’ (> nhd. kante en de. zw. kant), ne. cant. — Uit het romaans overge­nomen, vgl. fra. dial. cant (fra. champ), ital. spa. canto ‘hoek, punt, inham’ < lat. cantus ‘ijzeren wielband’, als een barbarisme van afrikaanse of spaanse herkomst afgewezen, want in waarheid een gallisch woord.

In de bet. ‘eindstuk van een brood’ is het woord met nl. kolonisten in de 12de eeuw overgebracht naar een uitgebreid gebied ten O. van de Midden-Elbe tot in West-Pruisen toe; de vorm is kant of kanten (vgl. Teuchert Sprachreste 287-290 met kaart). — Mogelijk > me. kant (± 1375), ne. cant ‘rand, hoek’ (Toll 36).

kant 2 znw. m. ‘licht weefsel van linnen garen of zijde’, zo genoemd, omdat het diende de kanten van stukken linnen­goed te omzomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kant I (zijde), mnl. cant m. (cante v.) “kant, rand, streek, stuk (brood)”. = mnd. kant m., kante v. “kant, hoek, rand” (> nhd. kante v., de., zw. kant), eng. cant “hoek”. Wsch. uit oud- en dial. fr. cant (fr. champ) = it., spa. canto “hoek, punt, inham”. Deze woorden gelden voor oorspr. kelt.

kant II (weefsel), is hetzelfde woord als kant I. De naam verklaart zich niet zoozeer uit den “kantigen” vorm als wel uit het gebruik van de kant tot versiering van randen en boorden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kant I (weefsel). Uit het Ndl. hd. kante (v., veelal mv.) in dezelfde bet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kant 1 m. (rand), gelijk Ndd. kante, Hgd. id., Ofri. kant, On. kantr, Ru. kant, uit Fr. cant, waarnevens chant, champ (It. canto, Sp. id.), een Iber. w. dat Lat. cant(h)us, Gall. cant, Brei. kant gaf.

kant 2 v. (weefsel), hetz. w. als kant 1., omdat ze kantig of getand is: vergel. Hgd. spitze en Fr. dentelle (afgel. van dent = tand).

kant 3 bijv.(gereed, enz.), is het nw. kant 1 in de uitdr. aan (de) kant = in orde; vergel. kamp 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Frans A, bn., (ook:) eigen aan, behorende bij Frans-Guyana, Frans Guyanees. Leo Victor is winnaar geworden van het door haar, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan dit jaar, georganiseerde tournooi. Behalve de jubilerende club namen er aan deel Transvaal en de franse clubs Mont Joly en Sport Guyanais (WS 3-11-1984). - Etym.: ln AN heeft F. (bijna) altijd betrekking op Frankrijk. Zie ook Fransman*.
— : Franse birambi: zie fransmanbirambi*.
— : Frans coupé (de), (uitspr. koepee’), 1. (niet alg.) dameskapsel gekenmerkt door een knoet van in de rondte gedraaid haar. - 2. kort en opgeknipt herenkapsel. Ik [een herenkapper] vraag ze altijd eerst wat ik voor ze moet knippen. Je hebt Frans coupé, je hebt Bougerty [zie Booker* T.]: helemaal plat* en de hele rand wordt geschoren (BN 121: 50; 1980). - Etym.: F coupé = geknipt. Vermoedelijk komt SN coupé van F en AN ‘coupe’ (uitspr. koep) = o.m. vorm, model (ook van haardracht). - Syn. van 1 ringbol*. Zie voor 2: trapsgewijs*.
— : de Franse kant, Frans Guyana. Haar broer is al zes maanden aan de Franse kant, ze hoort niets meer van hem (Hijlaard 42). - Etym.: S frans’sé (sé = zijde, kant). Gedacht kan worden aan ‘de Franse kant van de Marowijne, de grensrivier’.
— : zie Franse mope*.
— : B, zn.: Frans vertellen (vertelde, heeft verteld), iets wijs maken, op de mouw spelden. Laat hij je geen enkel Frans vertellen, Agatha (Vianen 1972: 6). - Etym.: S feteri was Frans. ‘No kon feteri mi no was Frans’ = Probeer me niet wat wijs te maken.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kant 'rand, zoom, zijde'
Nnl. kant 'rand, zoom van een stuk grond, begrenzende strook', maar ook 'zijde, richting waarin een stuk grond ligt', een in Brabant veel voorkomend toponymisch grondwoord van jonge ontginningen, veelal op de overgang van cultuurgrond naar woeste grond. Ontleend aan het Romaans, gaat terug op mlat. cantus 'hoek, zijde' dat mogelijk verwant is met Welsh cant 'ijzeren rand of hoek', lat. cantus 'ijzeren wielband, velg' en Grieks kanthós 'velg'.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kant (Latijn cantus)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kant, kant en klaar zijn; een ree en kant wijf. Dit woord kornt meest predicatief voor, en is waarschijnlijk ontstaan uit het znw. kant (= rand, zijde) in verborgen nmval met een voorz. ervoor, dat weggevallen is (b.v. te) (verg. braak liggen = te br. 1.; pal staan en stellen = te p. st.; stipt iets nakomen = te st. i. n. of tot op een stip nauwkeurig, enz. Het zou dus beteekenen, zóó dat het met een scherpen kant, kantig is; Rosseau, Aran en Titus 3: “Gy .. . hebt dit werk heel kant gekuipt”; Bernagie, Debauchant 42: “Ik bid je zie eens hoe kant dat die muren staan. “Nu nog zegt men: kant schaven, waar de oorspr. bet. nog duidelijk spreekt; evenzoo in de volg. plaats: Mossel, Manoeuvres 338: “Verder moet men zorgen dat de zeilen goed kant bijstaan”; Mossel, Tuig 382: “Een lij zeil kant zetten.” In kant en klaar zijn, zou het uit aan kant kunnen ontstaan zijn (verg. aan kant maken), in kant schaven uit te kant (verg. te lood stellen). Attributief gebruikt vindt men het bij Wolff, Econ. Liedjes 1, 53: “Ben ik dan geen kante vrijer?” Tooneelsp. Voor Leerzaam Vermaak 1 : “Onze kastelein heeft een kant wijf.” De bet. van dit woord kant kan men zich uit de andere verklaren als vierkant, stevig, ferm, waarbij dan vergeten werd, dat het eigenl. geen bnw. was. Het bestaan van een eng. cant, o.a. = krachtig, frisch, dartel, vroolijk, zou anders kunnen doen denken aan een ontleening.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kant ‘weefsel’ -> Duits Kante ‘weefsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments kanchi ‘weefsel’; Sranantongo kanti ‘weefsel’.

kant ‘kantig, rechthoekig; kloek, flink’ -> Vastelands-Noord-Fries kant ‘kloek (van een vrouw)’; Engels cant ‘kloek, moedig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kant zijde, rand 1248-1271 [CG Antwerps Obituarium] <Frans of Latijn

kant weefsel 1617 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

503. Een dubbeltje (of een stuivertje) op zijn kant,

d.w.z. het is onzeker hoe de zaak zal uitvallen; het is twijfelachtig hoe het af zal loopen; het hangt geheel van het toeval af. Vgl. Harreb. I, 158: ‘Dat is een stuivertje of dubbeltje op zijn kant, het is niet waarschijnlijk dat men zijn oogmerk bereikt: men zet niet gemakkelijk een stuivertje of dubbeltje op zijn kant’; fri. it is in dubeltsje op'e kant; Handelsblad, 10 Nov. 1915 (ochtendbl.) p. 5 k. 2: Toen er gestemd werd, bleek het een dubbeltje op zijn kant: 't stond 32 tegen 32 toen alleen de Voorzitter nog moest stemmen; 16 Juni 1914 (avondbl.) p. 5 k. 4: De Balkan-oorlogen zijn afgeloopen, maar de naweeën doen zich leelijk gelden, zoo leelijk, dat het een dubbeltje op zijn kant is of een nieuwe Balkan-oorlog zal uitbreken tusschen Griekenland en Turkije; De Telegraaf, 17 April 1914 (ochtendbl.) p. 3 k. 4: Een dubbeltje op z'n kant, dat we nog ooit iets van dat ondernemend troepje hooren. Vgl. het eng. it was but the turning of a feather; ook a toss-up; a turn-up of a die.

1070. Kant noch wal raken,

d.w.z. ongerijmd zijn, hoegenaamd geen grond hebben, op niets gelijken, sluiten als een tang op een varken, niet bijkomen, zooals Winschooten, 100 het verklaart. Kant heeft hier de bet. van waterkant. Volgens Schuermans, 220 a en Antw. Idiot. 273 hoort men in Antwerpen: kant noch boom(en) raken; volgens Eckart, 14 in Oldenburg: dat râkt kên wall of kant an. Synoniem was in de 17de eeuw bij Sart. I, 6, 4: 't Raect hemel noch aerde; bij Six v. Chandelier, 146: Hand noch vinger raken; vgl. ook Campen, 58: tEn roert doere noch durpel. Zie verder Tuinman II, 90 en 121; Sewel, 377; V. Janus 3, 98; Van Eijk I, 88; Ten Doornk. Koolm. II, 169: dat râkd gên kant of wal; III, 498 b; fri. it roait iggen noch seamen, - ich noch kant, - igge noch wâl.

1071. Iets over (of langs) zijn kant laten gaan,

d.w.z. zich iets, een beleediging, een onaangename bejegening niet aantrekken; mnl. iet over sine side laten gaen; bij Campen, 44: hy en salt over syn boort niet laten gaan (ook op bl. 126). Vgl. Gew. Weeuw, III, 32 en Van Effen's Spect. XII, 98: Dat ik verre van door een kregel en twistziek humeur bezielt te zyn meer over myn kant kan laten gaan als meenige politiquen; Harrebomée I, 380; Ndl. Wdb. VII, 1319. De eig. beteekenis zal wel zijn: iets bij zich neer laten glijden, zoodat het nauwelijks de koude kleeren raakt. Bij Poirters, Mask. 226: Alles over zich laten gaan; Rutten, 307 b: iets laten over zijnen kop gaan, toegevend zijn; bij Harreb. II, 124 b: hij laat alles over zijn neus gaan (?); fri. ik lit dat mar stil by de rech (rug) delglide (neerglijden). Syn. iets langs zijne koude kleeren laten glijden (afglijden, loopenNdl. Wdb. V, 72; vgl. hd. Alle vermahnungen gleiten an ihm ab.).

1072. Bij (of op) het kantje af (of langs),

d.w.z. op het nippertje af, op het randje af; zoo dat iets maar even gelukt of nauwelijks geslaagd is; ontleend aan het passen of meten, wanneer iets nauwelijks of bijna niet uitkomt; Zuid-Nederland kantelings; vgl. het mnl. en 17de- en 18de-eeuwsche aen den cant van, in den zin van bijkans (= bijkants, mnl. bicant) en het Noordhollandsche aan den kant = omtrent, ongeveer, bijna, een bet. die deze uitdr. ook in Holstein heeft, waar men zegt: ik heff an de kant sös mark = bijna zes mark (Molema, 190 b en Halma, 254) en die te vergelijken is met het Zuidndl. aan de(n) kant(en) van, omtrent. In Twente bi 't welleken (walletje) of; fri. op 't kântsje ôf.

1073. Iemand van kant maken (of helpen),

d.w.z. iemand uit den weg ruimen, dooden; in Vlaanderen ook iets van kant maken, iets vernielen (Schuermans, 220 a). In de middeleeuwen en in de 17de eeuw zeide men: eenen van cant(e) spelen; bij Servilius, 151 staat opgeteekend: laet hem van cant helpen ter vertaling van ad Cynosarge; zie ook Marnix, Byenc. 207 r en Lat. Versch. 269. Van kant(e) beteekende eig. van den kant af, weg (vgl. op zij zetten; hd. bei Seite schaffen) en werd in de 17de en 18de eeuw veelal in verbinding met de werkwoorden sturen, zenden, wijzen gebruikt, zooals in Vondel's Jeptha, 1875: Men stierde mij van kant door looze treken. Ook kende men van kant leggen (Huygens, Zeestraet, 846); zich van kant maken in den zin van zich verwijderen, wegloopen (Poirters, Mask. 209; vgl. Schuerm. 220 a); van kant helpen (Vondels Maeghden, inhoud; Hooft, Ned. Hist. 500; Sewel, 377); van kant zijn, weg zijn, afwezig zijn; zie Ndl. Wdb. VII, 1333 vlg. In West-Vlaanderen en Kl. Brab. gebruikt men thans nog van kant(e) zetten, werken of doen, in den zin van aan een kant zetten, wegzetten, verkwisten, verteren (zie Teirl. II, 107; Antw. Idiot. 616), aan kant zetten of doen, zooals wij zeggen, waarvoor men in het Land v. Waas zegt: aan den eenen kant zetten; bij Rutten, 348: zich vankant houden, zich niet laten zien; zich vankant maken, het hazenpad kiezen; iets vankant zetten, opdrinken, verteren. Dit aan kant wordt thans nog in het Noorden van ons land en in Zeeland gebruikt in den zin van in orde, gereed, opgeredderd, veelal van kamers gezegd (Molema, 497; Fri. Wdb. II, 38 a en Sewel, 377), terwijl men in Groningen onder an kant moaken verstaat te bed brengen (van kinderen gezegd; ook in het Friesch oan 'e kant), en onder zök an kant moaken, te bed gaan (Ganderheyden, Groningana, 3), hetzelfde als an zied goan (Molema, 485; 498) en het fri. oan 'e ich (kant) gean.

1074. Langs (of op) de kantjes loopen

of er de kantjes afloopen, d.w.z. luieren, lijntrekken, niets doen; eig. om het werk heenloopen, aan den kant blijven loopen. Vgl. Menschenw. 408: Luie meroakels in de son..... die loope d'r puur de heule dag op de kantjes; Het Volk, 18 Dec. 1913, p. 1 k. 1: De overtuiging heerscht dat arbeiders in dienst van Rijk, gemeente enz. niet hebben leeren ‘werken’; dat men in die diensten de kantjes er af loopt; Nkr. IX, 15 Mei p. 6: Of dat lekker is, hè moeder, weer je eigen verdiende geld! Je kan beter werken dan aan den kant loopen! Handelsblad, 7 Aug. 1918 (O) p. 5 k. 4: Nu ja, er waren er wel enkelen, die, liever lui dan moe, er wel eens de kantjes afliepen; 1 Oct. 1920 (O), p. 5 k. 3: Hij raasde dat de tramcontroleurs er de kantjes maar afloopen en nuttiger werk moesten doen; De Telegraaf, 28 Dec. 1920 (A), p. 5 k. 1: Geen rekening houdende met hen, die practisch mindere bekwaamheid, minder energie bezitten of... de kantjes er af loopen; fri. hy wol de kanten der ôfbite, holl. de zelfkantjes er afloopen, het werk niet flink mee aanpakken. Bij Van Dale5, 889 wordt hij loopt de kantjes af verklaard door: hij let op kleinigheden, gaat alles nauwgezet na.

1075. Kant en klaar,

d.i. eig. netjes en gereed, geheel gereed, afgewerkt, voltooid. Dit bijv. naamw. kant (fri. volt. deelw.?Franck-v. Wijk, 291. Ook kan zich het bijv. naamw. uit het znw. ontwikkeld hebben; vgl. pluis; dial. plas (= onder water) en 17de eeuw drang, drukkend.) behoort bij het wkw. kanten, de kanten wegnemen, afsnijden; vgl. Kil.: kanten, extremitatem abscindere; vandaar kon kant de bet. aannemen van netjes, welke beteekenis het eenigszins verloor in kant en klaar, waarin het syn. is met klaar. Vgl. het oostfri. kip (van kippen, houwen, kappen) un klâr, syn. van klip (of klapp) un klârTen Doornk. Koolm. II, 218 b; 267 a; Borchardt, 1046.; Oudemans III, 312; Winschooten, 100: Dat is kant, dat is wel, dat is soo als het weesen moet; Sewel, 377: Dat is kant, dat is in den haak; Alles is kant en klaar, every thing is ready; Halma, 255: Dat staat kant, dat staat fraai; Boekenoogen, 397; Opprel, 63 a; Gunnink, 144; Hoeufft, 279; Fri. Wdb. II, 38: kant, haaksch, recht, welgemaakt; kantens, welgemaaktheid; kantig, flink; Joos, 42; De Bo, 490 a: kantig, hetzelfde als kant, net van kanten en hoeken, fraai, schoon, effen; Antw. Idiot. 617: kantjes, schoon, fijn aangekleed; Ten Doornk. Koolm. II, 169: kant, glatt, schier, zierlich, hübsch, fertig; Molema, 190 b; 531 a, waar medegedeeld wordt, dat men in Drente zegt kant en hemmel, zindelijk en net (vgl. fri. himmel), en vooral De Jager, Frequ. I, 258-259; Ndl. Wdb. VII, 1350 vlgg.

1508. Zijn mes snijdt aan twee kanten (of aan twee zijden),

d.w.z. hij verdient aan beide kanten, op twee manieren geld; door één bedrijf weet hij op twee manieren winst te maken, ook fig.; een uitdrukking ontleend aan een ploegijzer of aan een (pens)mes. Zie Kluchtspel II, 20: Aan beiden de canten soo snijt nu onsen ploech; Doedyns, Merc. I, 57: Hy geeft advysen aan de twee partyen: dan snyt het mes weêrzyds; Gew. Weeuw. III, 53; Snorp. 38: Se meugen nou allebey vissen en veugelen, so speulense strijck en set, daer 't mes an beye zijen snijt, daer valt het varcke wel te keelen; Tuinman I, 132: Zyn mes snyd aen weêr zyden, dat is, hy doet aan beide kanten winst; Halma, 347: Zijn mes snijd aan twee zijden, hij wint aan beide kanten, il gagne de deux côtés,; Sewel, 486; Waasch Idiot. 433: Zijn messen snijden langs twee kanten, van beide kanten trekt hij voordeel. In 't Daghet XII, 191: Zijn mes snijdt langs twee kanten, 't is een valschaard, eene beteekenis, die ook door Halma en in het Antw. Idiot. 809 wordt vermeld (vgl. fr. un couteau de tripière, een dubbelhartig mensch); Harreb. I, 380; Kalv. I, 113: Eén perceel maar met twee winkels; dan sneed het mes dubbeld; Nkr. II, 1 Maart, p. 2; Het Volk, 7 Nov. 1913, p. 1, k. 1: Zoo snijdt het mes van twee kanten: men houdt arbeiders en reaktionaire heeren beide zoet; Zondagsbl. v. Het Volk 1906, p. 150: Voor de socialisten is het een mes dat aan twee kanten snijdt, 1o. verlengen ze de noodlottige tweespalt, 2o. maken ze reklame; Nkr. IX, 29 Mei, p. 2; 17 Juli, p. 2; Handelsblad, 21 Juli 1915 (ochtendblad) p. 2, k. 6: En aangezien er natuurlijk evengoed onverstandige bevelhebbers als onredelijke soldaten worden gevonden in een leger, dat zich nu al bijna een jaar verveelt, snijdt het klachtenmes bij Oorlog aan twee kanten en spetteren bij elke nieuwe gelegenheid den Minister van Oorlog de splinters om de ooren. Vgl. ook Afrik.: Die mes sny na albei kante toe; fri. syn mês snijt oan twa (of oan alle) kanten; eng. a knife that cuts both ways (Prick, 1306).

2511. Bij het walletje langs,

d.i. kalm, voorzichtig, zonder buitensporigheden, zuinig; ook zóo, dat het maar even gelukt of dat het maar even door den beugel kan, bij of op het kantje af. Vgl. Tuinman II, 23: By den wal langs vaart men zekerst, zulke zyn de gevaaren der diepte niet onderworpen, en dicht by land. Dit word toegepast, om niet te stout in 't wagen te zyn, maar de veiligste zyde te kiezen. Zie verder Spieghel, 296: By de wal langhs, vaartmen zekerst; Winschooten, 350: By de wal langs, oneigendlijk tussen de droppelen deur: en hier van by de wal langs, soo vaart men seeker, medio tutissimus ibis, houje wat laag, soo werdje niet geschooten; W. Leevend I, 195: 't Zal by 't walletje langs zijn, zoo zij de haven krijgt; C. Wildsch. I, 58: Bij 't walletje heen sturen; Sewel, 935; Halma, 763: Langs den wal zeilen, niet te hoog vliegen of onderneemen; Van Eijk I, 148; 163-164; Harreb. II, 434; Molema, 464: bie 't walje of bie 't wallechie langs, zóó, dat het maar even is gelukt, of dat het maar even door den beugel kan; fri. hy kloettet by 't wâltsje lâns, hij moet zich steeds behelpen en zuinig zijn om rond te komen; it is kloetsjen by de wâl of by de flotgêrzen lâns, het inkomen is niet overvloedig (W. Dijkstra II, 411 a); swietkes by it wâltsie lâns, eenvoudig, zuinig levende.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut