Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kant - gereed; flink, energiek

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kant 3 bn. ‘met scherpe zijden, gereed’
Vnnl. kant ‘kloek, stevig, flink (van mannen)’ [16e eeuw; WNT], kant ‘in orde, gereed, klaar’ [1634; WNT], vooral in de vaste verbinding die eerst eenmaal voorkomt als klaer en kant [1646; WNT], dan kant en klaar ‘gereed voor gebruik’ [1684; WNT].
Herkomst onduidelijk. Vorm en betekenis lijken in elk geval op verband met → kant 1 te wijzen. Enigszins vergelijkbaar is haaks bij → haak. Vermoedelijk is het oorspr. een Nederduits equivalent zonder voorvoegsel van gekant ‘van kanten voorzien, goed geschaafd’; in de oudste vindplaatsen komt het woord vooral voor als scheepvaartterm of als volkstalig woord en het kan dus heel goed door Noord-Duitse scheepslui in Nederland geïmporteerd zijn. Hierop wijzen ook vergelijkbare woorden en uitdrukkingen in het Fries en Engels en in de Scandinavische talen.
Nfri. kant ‘haaks, recht, welgemaakt’, kantich ‘flink’, Oost-Fries kant ‘netjes, klaar’, kant un klâr; nde. kant og klar; nno. kant o klaar; me. en ne. (dial.) cant ‘flink’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kant [...] In de uitdrukking kant-en-klaar [geheel gereed] hoort het bn. kant bij Kiliaan kanten [het uiteinde afsnijden] {1599}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kant 3 bnw. ‘scherpzijdig; welgemaakt, kloek; (van flessen en vaten) niet geheel vol’, vgl. kant en klaar; fri. kant ‘haaks, recht, welgemaakt’ en kantich ‘flink’ (vgl. vla. kantig ‘fraai, schoon, effen’), oostfri. kant ‘glad (van hout), netjes, klaar, geheel en al’. — Misschien een fries-holl. vorm voor gekant ‘van kanten voorzien, goed geschaafd’.

Onzeker is het, of men uit het nl. mag afleiden me. cant, kaunt (sedert de 14de eeuw), ne. dial. schots cant ‘flink, energiek’, vgl. Toll 36.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kant III bnw., nog niet bij Kil., in kant en klaar, dial. ook kant alleen met de bett. “flink, handig, groot, best, netjes”. = fri. kant “haaksch, recht, welgemaakt” naast kantich “flink” = vla. kantig “fraai, schoon, effen, in regel”. Oorspr. was kant (misschien een vorm van fri. en naburige diall.) = gekant “van kanten voorzien, naar behooren afgeschaafd”. Oostfri. kant beteekent “glad (bijv. van hout), netjes, klaar, geheel en al”, kantîg “met hoeken”. Het werkwoord kanten komt sedert Kil. voor = “extremitatem abscindere”, mnl. canten (brab.) = “apart leggen”. Zich kanten tegen komt mnl. en bij Kil. niet voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kant III bnw. Eng. dial. cant ‘flink, energiek’, dat reeds in de 14e eeuw voorkomt, kan moeilijk uit het Ndl. ontleend zijn. Misschien is het een heel ander woord. — Naar ndl. kant en klaar (of dezelfde ndd. uitdr.) de. kant og klar.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kant 3 bijv.(gereed, enz.), is het nw. kant 1 in de uitdr. aan (de) kant = in orde; vergel. kamp 2.

kant 4 bijv.(fustig), is het nw. *kant = vat: z. kantje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kantjes, bw., bn.: netjes, keurig gekleed. Dim. afl. van bn. kant ‘kantig, scherpzijdig, hoekig, haaks’, vandaar ‘welgemaakt, flink gebouwd’ > ‘zindelijk, ordelijk, fraai gekleed’. Fri. kant, E. dial. cant, cant and keen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kant, kantig bn.: flink, stevig, snedig (van vrouw). Afgeleid uit de bet. ‘scherpkantig, scherpzijdig, hoekig’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kant flink, bijwoord met bevestigende functie (Noordoost-Nederland, Veluwe, Holland). = nl., fri. kant ‘welgemaakt’; ook in verbinding kant en klaar. Vgl. eng. (Schots) cant ‘flink’. Ook mogelijk de fries-holl. vorm voor gekant ‘van goede kanten voorzien, geschaafd’. Grondwoord van vla. kantig ‘fraai’.
Van Schothorst 149, WNT VII 1350-1354, NEW 301-302.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kant, kant en klaar zijn; een ree en kant wijf. Dit woord kornt meest predicatief voor, en is waarschijnlijk ontstaan uit het znw. kant (= rand, zijde) in verborgen nmval met een voorz. ervoor, dat weggevallen is (b.v. te) (verg. braak liggen = te br. 1.; pal staan en stellen = te p. st.; stipt iets nakomen = te st. i. n. of tot op een stip nauwkeurig, enz. Het zou dus beteekenen, zóó dat het met een scherpen kant, kantig is; Rosseau, Aran en Titus 3: “Gy .. . hebt dit werk heel kant gekuipt”; Bernagie, Debauchant 42: “Ik bid je zie eens hoe kant dat die muren staan. “Nu nog zegt men: kant schaven, waar de oorspr. bet. nog duidelijk spreekt; evenzoo in de volg. plaats: Mossel, Manoeuvres 338: “Verder moet men zorgen dat de zeilen goed kant bijstaan”; Mossel, Tuig 382: “Een lij zeil kant zetten.” In kant en klaar zijn, zou het uit aan kant kunnen ontstaan zijn (verg. aan kant maken), in kant schaven uit te kant (verg. te lood stellen). Attributief gebruikt vindt men het bij Wolff, Econ. Liedjes 1, 53: “Ben ik dan geen kante vrijer?” Tooneelsp. Voor Leerzaam Vermaak 1 : “Onze kastelein heeft een kant wijf.” De bet. van dit woord kant kan men zich uit de andere verklaren als vierkant, stevig, ferm, waarbij dan vergeten werd, dat het eigenl. geen bnw. was. Het bestaan van een eng. cant, o.a. = krachtig, frisch, dartel, vroolijk, zou anders kunnen doen denken aan een ontleening.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kant ‘kantig, rechthoekig; kloek, flink’ -> Vastelands-Noord-Fries kant ‘kloek (van een vrouw)’; Engels cant ‘kloek, moedig’.

kant ‘zijde, rand’ -> Engels cant ‘rand, zijde; kanteling, helling’; Deens kant ‘zijde, rand, (van kleding) boord’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kant ‘rand, smalle zijde’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kant ‘zijde, rand’; Fins kantti ‘zijde, rand’ <via Zweeds>; Ests kant ‘zijde, rand’ (uit Nederlands of Duits); Pools kant ‘een smalle oppervlakte, zijde’ (uit Nederlands of Duits); Litouws kantas ‘zijde, rand, (van kleding) boord’ (uit Nederlands of Duits); Negerhollands kant ‘zijde, rand, hoek’; Berbice-Nederlands kandi ‘zijde, rand’; Papiaments kantu (ouder: kante, kanto, kantsje, kanchi) ‘zijde, rand, berm, oever’; Sranantongo kanti ‘zijde, rand’; Sarnami kánti ‘zijde, rand’; Surinaams-Javaans kanthi ‘kant, wal’ <via Sranantongo>.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1075. Kant en klaar,

d.i. eig. netjes en gereed, geheel gereed, afgewerkt, voltooid. Dit bijv. naamw. kant (fri. volt. deelw.?Franck-v. Wijk, 291. Ook kan zich het bijv. naamw. uit het znw. ontwikkeld hebben; vgl. pluis; dial. plas (= onder water) en 17de eeuw drang, drukkend.) behoort bij het wkw. kanten, de kanten wegnemen, afsnijden; vgl. Kil.: kanten, extremitatem abscindere; vandaar kon kant de bet. aannemen van netjes, welke beteekenis het eenigszins verloor in kant en klaar, waarin het syn. is met klaar. Vgl. het oostfri. kip (van kippen, houwen, kappen) un klâr, syn. van klip (of klapp) un klârTen Doornk. Koolm. II, 218 b; 267 a; Borchardt, 1046.; Oudemans III, 312; Winschooten, 100: Dat is kant, dat is wel, dat is soo als het weesen moet; Sewel, 377: Dat is kant, dat is in den haak; Alles is kant en klaar, every thing is ready; Halma, 255: Dat staat kant, dat staat fraai; Boekenoogen, 397; Opprel, 63 a; Gunnink, 144; Hoeufft, 279; Fri. Wdb. II, 38: kant, haaksch, recht, welgemaakt; kantens, welgemaaktheid; kantig, flink; Joos, 42; De Bo, 490 a: kantig, hetzelfde als kant, net van kanten en hoeken, fraai, schoon, effen; Antw. Idiot. 617: kantjes, schoon, fijn aangekleed; Ten Doornk. Koolm. II, 169: kant, glatt, schier, zierlich, hübsch, fertig; Molema, 190 b; 531 a, waar medegedeeld wordt, dat men in Drente zegt kant en hemmel, zindelijk en net (vgl. fri. himmel), en vooral De Jager, Frequ. I, 258-259; Ndl. Wdb. VII, 1350 vlgg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal