Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kanteel - (getande bovenkant van oude muren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kanteel zn. ‘getande bovenkant van oude muren’
Mnl. canteel in men warp met manghe of de cantele ende de grote turre gheele ‘men schoot met katapults de kantelen en de grote toren er volledig van af’ [1285; CG II, Rijmb.], ook carteel in si gingen ten cartelen liggen,... om te siene hoet soude vergaen ‘ze gingen bij de kantelen liggen om (vanaf daar) te kijken hoe het zou verlopen’ [1300-50; MNW-R].
Herkomst onduidelijk. Traditioneel veronderstelt men ontlening aan Picardisch cantel, het equivalent van Oudfrans chantel ‘rand, kant’ [1155-60; TLF] (Nieuwfrans chanteau ‘stuk brood’) en afgeleid van cant c.q. chant ‘zijde, kant’, zie → kant 1. De betekenis ‘kanteel’ of ‘rand van een vesting’ komt echter noch in het Oudfrans, noch in het (Oud)picardisch voor, en omgekeerd komt de Franse algemene betekenis ‘rand’ niet in het Middelnederlands voor, wat deze rechtstreekse ontlening zeer onwaarschijnlijk maakt. Het normale Noord-Franse woord voor ‘kanteel’ (kantelen zijn een typisch noordelijk verschijnsel) is crenel of met metathese van de -r- carnel [beide midden 12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans créneau), afleiding van créner ‘inkepen’ [11e eeuw; Rey], uit vulgair Latijn *crinare. In het Middelnederlands zijn van carnel zelf geen sporen te vinden, maar het kan ontleend zijn en al snel volksetymologisch vervormd: dat resulteerde dan enerzijds in canteel, onder invloed van kant ‘rand’, en anderzijds in carteel, onder invloed van cartelen ‘kartelen, inkepingen aanbrengen’. Carteel werd in de 14e eeuw zeer frequent, maar verouderde daarna en leefde alleen nog dialectisch voort als ‘trapgevel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kanteel [opstaand deel van muur] {canteel [uitgetand stuk, rand, kant, kanteel] 1285} < oudfrans cantel [idem], van cant < latijn cant(h)us (vgl. kant).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kanteel znw. m., mnl. canteel ‘kant, rand, kanteel’ uit een pikard. vorm van fra. chantel ‘hoek, stuk’ (nfra. chanteau), gevormd uit het ww. ofra. eschanteler ‘uit iets breken’ eig. ‘de schildknop afslaan’, van chantel ‘schildknop’ < gallo-rom. < cantellus, afgeleid van lat. cantus ‘wielband’ (zie: kant 1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kanteel znw., mnl. canteel m. o. “kant, rand, kanteel, tinne”. Uit een pic. vorm (met k) van ofr. chantel “hoek, stuk” (fr. chanteau), een afl. van het bij kant I besproken woord ofr. cant enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kanteel m., Mnl. canteel, uit Ofra. cantel (thans chanteau) = hoek, afgel. van cant = kant 1 (z.d.w.). Thans chanteau = homp brood.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kanteel (Picardische vorm van Oudfrans chantel)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kanteel opstaand deel van muur 1285 [CG Rijmb.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal