Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kenteren - ((doen) omwentelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kenteren ww. ‘(doen) omwentelen’
Vnnl. kenteren ‘een schip op de zij leggen, keren (op het droge)’ [1671; WNT], onovergankelijk ‘zich omwentelen, zich omkeren’ in wanneer de winden begonden (‘begonnen’) te wijfelen, en de stroomen te kenteren [1676; WNT weifelen], overdrachtelijk ‘veranderen’ [1783; Winkelman NF].
Wrsch. ontleend aan Nederduits kenteren ‘(doen) omwentelen’, nevenvorm van kanteren ‘id.’, frequentatieve afleiding van kante ‘rand, zijde’, zie → kant 1. In het Nederlands bestond eerder al de afleiding kanten o.a. ‘doen omwentelen’, zie → kantelen.
Nnd. kenteren, kanteren ‘kenteren’. Ontleend aan het nnd. of mnl. zijn: nhd. kentern [1675; Kluge21]; nzw. kantra ‘id.’ [1765; Hellquist].
Kenteren was oorspr. een zeevaartterm. In de overgankelijke betekenis ‘doen omwentelen’ werd het gebruikt m.b.t. schepen en walvissen op het droge. Onovergankelijk werd kenteren vooral gezegd van het getij of van stromingen. Hieruit ontstond de overdrachtelijke betekenis ‘veranderen, omkeren, omslaan’, bijv. van omstandigheden, het klimaat, een wedstrijdverloop e.d.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kenteren [omslaan, veranderen] {1671} van kant, dus ‘over zijn kant gaan’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kenteren znw. v., sedert de 17de eeuw bekend, alleen mnl. mnd. — Afl. van kant 1, dus eig. ‘op de kant gaan liggen’. — > nhd. kentern en verder de. kantre, kæntre, zw. kantra (de vormen met a uit nnd.). — Zie ook: kantelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kenteren ww., nog niet bij Kil. Een ndl.-ndd. woord, afgeleid van kant I, dat ook in het Nhd. overging: kentern “op den kant leggen, andersom gaan liggen” en in ’t Skandin.: zw. kantra, de. kantre, kæntre “id.”. De a-vormen zijn ook ndd. Zie kantelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kenteren. Reeds bij Witsen Scheepsb. (1671).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kenteren o.w. , met e = ä van kant.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kenteren, afl. van kant, evenals kantelen: op een anderen kant wenden; de kentering tusschen de passaten = de wending, de verandering van richting. Bij Da Costa: „Dan kentert de kans”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kenteren ‘omslaan, veranderen’ -> Duits kentern ‘zinken van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens kantre, kæntre ‘omslaan van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kantre ‘omslaan van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kantra ‘iets omgooien, op de zijkant zetten; omslaan van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kantrata ‘omslaan van schip’ <via Zweeds>; Papiaments kènter (ouder: kentel) ‘kantelen, omkantelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kenteren omslaan, veranderen 1671 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal