Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kers - (vrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kers 1 zn. ‘roodachtige steenvrucht; boom waaraan deze groeit’
Mnl. keersen ‘kersen’, kersebom ‘kersenboom’ [beide 1240; Bern.], Die alre besten kersen ‘de allerbeste kersen’ [ca. 1375; MNW].
Vroege ontlening aan Latijn cerasus ‘kers; kersenboom’, zelf ontleend aan Grieks kérasos ‘zoete kers’, wrsch. een Anatolisch leenwoord.
Eveneens ontleend zijn: os. kirs-; ohd. kirsa (nhd. Kirsche); oe. ciris-, cyrs- (maar me. cheri, ne. cherry is ontstaan via het Frans). Deze vormen met -i- in de eerste lettergreep zijn ontstaan door umlaut en gaan dus wrsch. terug op een vulgair-Latijnse nevenvorm *ceresia (< *cerasia), waaruit ook Frans cérise is ontwikkeld.
De Romeinen leerden de boom en de vrucht in de 1e eeuw na Chr. kennen aan de zuidelijke Zwarte Zeekust, waar de boom inheems is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kers2 [vrucht] {kersebom 1201-1250, ke(e)rse 1252} < vulgair latijn ∗ceresia < latijn cerasium < grieks kerasion [kers, kersenboom], een voor-gr. woord, mogelijk uit het gebied van Pontus stammend, vgl. akkadisch karsu [kersenboom] (vgl. cerise).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kers 1 znw. v. ‘vrucht uit het geslacht prunus’, ook kars(e), kors(e), keers(e), mnl. kerse, carse, keerse, mnd. kerse (os. kirsbom, kirsikbom), ohd. chirsa (nhd. kirsche), oe. ciris- (ne. cherry). — Vroege ontlening < vulg. lat. ceresia (nog met uitspraak k van de c!). In de 1ste eeuw na Chr. leerden de Romeinen boom en vrucht, die aan de Zuidkust van de Zwarte Zee inheems is, kennen en noemden de vrucht cerasum, de boom cerasus. Deze namen gaan terug op gr. kerásion ‘steenvrucht’ en keraséa ‘kerseboom’, woorden die verwant zijn met gr. krános, lat. cornus ‘kornoelje’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kers I (vrucht), dial. ook kars(ǝ), kors(ǝ), keers(ǝ), mnl. kerse, carse, keerse v. = ohd. chirsa (nhd. kirsche), mnd. kerse v. “kers” (os. kirs-bôm, kirsik-bôm m. “kerseboom”). Evenals ags. ciris- “id.” (eng. cherry) een vroege ontl. uit rom. ceresia (vulgairlat. bijvorm van cerasea, -ia, gr. keraséa, -ia “kerseboom”, kerásion “kers”), waarop ook fr. cerise “kers” en de meeste vormen uit de rom. talen teruggaan. Alem. kriese “kers” gaat op hetzelfde cerésia terug (voor de ie vgl. spiegel), maar heeft niet ’t accent teruggetrokken. Denzelfden oorsprong kan ook oerslav. *čerša (waarvan *čeršĭnʹa, russ. čeréšnʹa enz.) “kers” hebben. Vgl. peer, pruim.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kers 1 v. (vrucht), Mnl. kerse, gelijk Ohd. kirsa (Mhd. kirse, Nhd. kirsche), en Ags. ciris (Eng. cherry), uit Mlat. ceresiam, ceraseam (-ea) van waar ook Fr. cerise, Gr. kerasía, niet van den naam der stad Kerasos in Pontus, maar afgel. van kéras =hoorn (z.d.w.) wegens het hoornharde hout van den kerselaar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

keers (zn.) kers; Vreugmiddelnederlands keerse <1240> < Latien cerasus.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kers (de, -en), 1. naam voor twee inheemse, ook gekweekte vruchtboompjes of -heesters: (a) met witte, viertallige bloemen (Eugenia uniflora, Goejavefamilie*); (b) met kleine, roze of lichtpaarse, vijftallige bloemen (Malpighia punicifolia, Lontoekasifamilie*). De zon gaat onder en omspoelt de palmen op de erven*, de appelbomen*, de kersen, de manjebomen* en de sapotille met een duisterrode gloed (Vianen 1969: 73). - 2. vrucht van 1: (a) diep gegroefd, met één pit; (b) glad of oppervlakkig gegroefd, met drie pitten. Ook aan zijn kleine blauwe vogel/ tussen de kersen - te mooi om waar te zijn -/ herken ik weer; () (Vianen 1974: 19). - Etym.: Deze vruchten - ze zijn rood - lijken uiterlijk op AN kers (zie -kers*). S kersi = 1 en 2. Oudste vindpl. van 2 (a) Hartsinck 1770: 56. - Syn.van 1 kersenboom*, van 1 (a) en 2 (a) geribde kers*, Surinaamse kers*, kriekjes-over-zee*, van 1 (b) en 2 (b) Westindische kers*.
— : gerib’de kers, 1. syn. van kers* (1a): z.a. Zie Ost. 109. - 2. syn. van kers* (2a): z.a. De Geribde Kersen hebben een’ grooten steen, welke met weinig vlees omgeven is () (Teenstra 1835 I: 419; oudste vindpl.). - Etym.: Zie kers* (2a). - Syn. Surinaamse kers*, kriekjes-over-zee*.
— : Surinaam’sekers, 1. syn. van kers* (1a): z.a. Zie Ost. 109. - 2. syn. van kers* (2a): z.a. Vooral de Surinaamse kers en de babykers* komen veel op de markt (Stahel 1944: 33). - Etym.: Vroeger was deze naam, ook in de lit., onduidelijk, tegenwoordig echter wordt hij vrij consequent alleen gegeven aan Eugenia uniflora. Volgens D.g.f. (73) heet de soort in het E van Guyana: Surinam cherry = lett. id. - Syn. geribde kers*, kriekjes-over-zee*.
— : Westin’dische kers, 1. syn. van kers* (1b): z.a. Zie Ost. 124. - 2. syn. van kers* (2b): z.a. Minister Ardjosemito wil ’t overigens niet bij uien laten. Zijn ministerie gaat ook de teelt van droge gewassen als westindische kers, manja*, ananas, markoesa* en papaja propageren (WS 25-4-1987). - Etym.: Nederlanders gebruikten eertijds ’West-lndië’ wel voor alle Ned. overzeese gebiedsdelen in tropisch Amerika, dus niet alleen voor het gebied van de Westindische eilanden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kers ‘vrucht’ -> Indonesisch kérs, kérsen ‘vrucht’; Kupang-Maleis kersen ‘vruchten’; Negerhollands kirsch ‘vrucht’; Sranantongo kersi ‘Surinaamse kers, vrucht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kers vrucht 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

869. Met groote heeren is 't kwaad kersen eten.

‘De reden die het spreekwoord daar van geeft, is bondig: want zy kiezen de grootste, en schieten met de steenen. Aardig drukt dit uit, wat geringe van den omgang en gemeenschap met Grooten te verwachten hebben. Zy moeten alles lyden wat aan die Hanzen lust, en noch toe lachen’ (Tuinman I, 113). In zeer vele talen komt dit spreekwoord voor (Wander II, 560; Borchardt no. 668); vgl. mlat. cum dominis edere debes omnino carere cerusa, peiora dant et comedunt meliora of cum dominis cerusa tibi numquam sint comedenda: consumptis illis cupiunt iactare lapillis (Werner, 15); ook bij ons in de middeleeuwen blijkens Mnl. Wdb. VI, 814; Goedthals, 38: Tis quaet met heeren criecken eten; Prov. Comm. 669: Tes met heeren quaet kersen teeten; zoo ook Servilius, 73; Campen, 2: Mit heren is quaet kerssen te eten, want sy tasten nae die rijpsten ende schieten mit die steenen; Sart. I, 4, 48; I, 8, 56; Idinau, 60; Cats, I, 489; Sewel, 379; Nkr. II, 13 Sept. p. 6; enz. enz.; zie vooral Harreb. I, 262 a; III, 206-207. In Zuid-Nederland: Als ge met de heeren kerzen (of krieken) eet, knippen zij met de steenen (of de pitjes); Joos, 136; de Grieken zeggen: plant geen uien met je meerderen of zit aan met je meerderen en sta nuchter van tafel op (Gids, Oct. 1902); hd. mit groszen Herren ist schlecht Kirschen essen; eng. those that eat chearries with great persons shall have their eyes squirted outh with the stones. (Aanv.) In 't fr. c'est folie, de manger cerises avec seigneurs, car ils prennent toujours les plus meures; in 't eng. ook: those that eat cherries with great persons, shall have their eyes sprinted out with the stones.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut