Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klam - (enigszins vochtig en koud)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

klam bn. ‘enigszins vochtig en koud’
Mnl. clam ‘nat, vochtig’ [1477; Teuth.]; vnnl. klam, klamp ‘kleverig, taai, vochtig’ [1599; Kil.], dat klamme koude swiet ‘het vochtige, koude zweet’ [ca. 1615; WNT verwanderen], maeckt verdorde spieren klam ‘doet verstijfde spieren (weer) zweten’ [1634; WNT], als peck ... soo klam ‘als pek zo taai’ [1636; WNT], klamme handen [1701; Marin NF].
Mnd. klamm ‘beklemd, nauw, dicht opeen’ (nnd. klam ‘vochtig en koud’ [18e eeuw; Grimm], klamig ‘vochtig’); ohd. klam ‘steil’, mhd. klamm ‘nauw, beklemd’ [1340-50; Gärtner] (nhd. klamm ‘klam; verkleumd’ is ontleend aan het nnd.); nfri. klam ‘vochtig en koud’; me. clam ‘id.’ [ca. 1340; MED] (nu dial.), naast gebruikelijker claymy ‘vochtig, kleverig’ [1398-1495; OED] (vne./ne. clammy), waaruit wellicht door terugvorming een zn. clam ‘klamheid’.
Mnd. en mhd. klamm ‘nauw, beklemd’ horen wrsch. bij de wortel van → klamp en → klemmen.
Mogelijk horen ook mnl. en me. clam hierbij (FvW, NEW, Pfeifer, Kluge), met een betekenisovergang van ‘nauw, beklemd’ naar ‘vochtig en koud’. Voor me. clam veronderstelt BDE afleiding van oe. clām ‘klei’ < pgm. *klaima-, zie → klei. Nederlands klam kan dan zijn ontleend aan het Middelengels, en ook nnd. klam kan zijn huidige betekenis hebben ontleend, al dan niet via het Nederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klam* [vochtig] {clam [kleverig, vochtig, klam] 1477} oudengels clām [modder], clæman [smeren, pleisteren] (engels to clam), engels clammy [klam] (vgl. klei).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klam 2 bnw. ‘vochtig, kleverig aanvoelend’, mnl. clam, nnd. fri. klam ‘klam, vochtig’, ne. clammy. Daarnaast abl. on. klāmorð ‘scheldwoord’, nnoorw. klåmen ‘vochtig, kleverig’. — Mnd. klam betekent ‘eng, niet buigzaam, moedeloos’, wat wijst op het grondbegrip ‘samenballen, samen drukken?’, evenals in klam 1. Hier treedt echter de bet. ‘vast kleven’ meer op de voorgrond’. — gr. glámón leepogig’, lit. glemés, glemos ‘taai slijm’, lett. glemas, glemi ‘slijm’ (IEW 361). — Voor verdere verwanten zie: kalf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klam bnw., reeds mnl. (Mnl. Handwdb.). = nnd. fri. klam “klam, vochtig, kleverig”, vgl. eng. clammy “id.”. Wsch. gaat deze bet. op “vast klemmend aan, zich eng aansluitend” terug, vgl. dan mnd. klam “eng, niet buigzaam, moedeloos” en klemmen. Ook combineert men wel direct met klam gr. glámōn, glamurós “leepoogig”, lett. glemas “snot, slijm”. Dial. zuidndl. klamp “klam” zal wel een jongere vorm naast klam zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klam bijv., + Ndd. klamm, De. en Zw. klam, Eng. clammy + Gr. glámōn = leepoogig, Lit. glemas = slijm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

klam, klammig, klampig bn.: vochtig, kil; niet doorbakken, klef. Mnl. clam ‘vochtig, kleverig’. Vgl. E. clammy ‘klam, klef, kleverig’. Vgl. Vl. kleem ‘leem, klei’ met -m-suffix uit klei; verwant met kleven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klam ‘vochtig’ -> Deens klam ‘vochtig; weerzinwekkend’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors klam ‘vochtig en koud’ (uit Nederlands of Nederduits); Javaans malem ‘vochtig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klam* vochtig 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal