Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kluts - in de uitdrukking de kluts kwijt zijn

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kluts1 in de uitdrukking de kluts kwijt zijn [niet meer weten wat men doet] {1858} niet van engels clutch [hendel], want kluts in de betekenis ‘koppeling, hendel’ is pas veel later opgetekend (vgl. kluts2). Dus van klutsen [door elkaar kloppen], misschien afkomstig van de handpapiermakerij en dan verwijzend naar het moment waarop men de slag kwijtraakte bij het verdelen van de vloeistof.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kluts 1 in de uitdrukking de kluts kwijt zijn is verbaalnomen van klutsen. De uitdrukking leidt men wel af van de handpapiervervaardiging als ‘men de slag kwijtraakte, om de papiervloeistof gelijkmatig over de vorm uit te spreiden’ (FW 321).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kluts znw. (den kluts kwijt zijn), nog niet bij Kil. Verbaalnomen van klutsen (vgl. de uitdr. den tel kwijt zijn). Men denkt wel, dat de uitdr. is opgekomen bij de handpapiermakerij, als “men den slag kwijtraakte, om de papiervloeistot gelijkmatig over den vorm uit te spreiden”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kluts 1 v., in de kluts kwijt zijn, is het woord klos = garenklos, verward met kluts = zooi: vergel. Fr. perdre le fil, la bobine.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1194. De klu(t)s kwijt zijn (raken of verloren hebben),

d.w.z. niet meer weten wat men doet, den draad kwijt zijn; eig. van den kluts, van den slag af zijn; vgl. het wkw. klutsen, door elkander kloppen, bijv. eieren of zeepsop. Volgens Onze Volkstaal III, 44 is de uitdr. afkomstig van de handpapiermakerij en bezigde men haar, wanneer men den slag kwijt raakte, om de papiervloeistof gelijkmatig over den vorm uit te spreiden; Afrik. die kluts kwytraak. Vgl. het Zaansche syn. de hussel (hutsel) kwijt zijn (Boekenoogen, 363). Zie ook Noord en Zuid III, 348; Harrebomée I, 418 a; Van Schothorst, 154; Uit één pen, 51; Jord. 310; Schoolm. 32; 103; fri. de kluts kwyt reitsje; hd. aus dem Takte kommen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut