Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koor - (groep zangers; altaarruimte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koor zn. ‘groep zangers; altaarruimte’
Mnl. chore, kore ‘ruimte; groep’ in oc sach si daer in eenen chore die .xxiiij. seniore ‘ook zag ze daar in (een gedeelte van) de hemel de 24 oudsten’ [1265-70; CG II], al dor din pant van vtin kore ‘door de galerij vanuit het koor’ [1265-70; CG II], van negen choren der ynglen ‘van negen orden van engelen’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. alle ghestichte der enghelen choren ende alle bedwanck der duvelen ghescal ‘al het verhevene der engelenzang en alle ellende van het geraas der duivelen’ [1540; WNT], maeckt dat den Choor voorts singh al Vlaems alleen ‘zorg dat de zanggroep voortaan alleen Vlaams zingt’ [1597; WNT Supp. al III], in de nieuwe kerke ... niet ver van 't Koor [1682; WNT].
Ontleend, misschien onder invloed van Oudfrans cuer ‘groep zangers, altaarruimte, koorzang’ [ca. 1120; Rey] (Nieuwfrans choeur), aan middeleeuws Latijn chorus ‘groep zangers in een kerk, plaats voor de zangers in een kerk, koorzang’ [begin 9e eeuw; Rey], eerder ‘dans- of zanggroep, koordans/-zang’, dat ontleend is aan Grieks khorós ‘dans- of zanggroep, koordans of -zang, dans- of zangplaats’ (zie ook → choreografie), dat mogelijk via de betekenis ‘kring’ verband houdt met khórtos ‘omheinde plaats’, en dan verwant is met → gaard(e).
In het Middelnederlands komt de ruimtebetekenis veelvuldig voor, zowel voor de altaarruimte als voor een afdeling van de hemel. Ook als aanduiding van een groep of orde engelen komt het woord al vroeg voor. De betekenissen ‘koorzang’ en ‘zanggroep’ zijn later ontleend. In de Griekse oudheid was een khorós een groep zangers of dansers die tijdens religieuze feesten en tijdens toneelstukken optrad, en duidde het woord ook hun plek aan. In de christelijke religieuze traditie had het Latijnse woord enerzijds een hemelse betekenis: het choor van englen als ‘(zang)groep’ maar ook als aanduiding van verschillende delen van de hemel, de negen ‘koren’ of ‘kringen’. Anderzijds had het een concrete betekenis, als aanduiding van het chorus psallentium, een groep zangers en zeggers van gebeden. Deze stonden opgesteld in de ruimte bij het (hoofd)altaar, die hiernaar ook chorus genoemd werd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koor [meerstemmige zangmelodie, zanggroep] {c(h)oor 1265-1270} < latijn chorus [reidans, dansende en zingende groep, koor] < grieks choros [dansplaats, dans, koor].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koor znw. o., mnl. coor, choor (zelden cuer) ‘koor van een kerk; engelenschaar: muziekinstrument’ < ofra. cuer, core, fra. chœur < lat. chōrus ‘koor’. — Naast de invloed van het frans, werkte ook het latijnse woord wat blijkt uit de klinker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koor znw.o., mnl. coor, choor (ook, maar niet vaak, cuer) m.o. “koor (deel van de kerk), schaar engelen, een muziekinstrument”. Uit ofr. cuer, core (fr. choeur) of uit lat. chorus “koor”; na de ontl. onder invloed gebleven van lat. chorus: mnl. zeer vaak met ch. Ook elders ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koor o. (zang, rei, kerkkoor), gelijk Hgd. kor, Eng. choir en Fr. chœur, uit Lat. chorum (-us), van Gr. khorós = dans, rei van dansers of zangers, plaats waar ze zich bevinden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

koer (zn.) zanggroep; Vreugmiddelnederlands chore <1265> < Latien chorus.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

koor (het, koren), (ook:) groep van twee of meer gekooide zangvogelmannetjes van één soort die gezamenlijk en op elkaar afgestemd zingen. - Opm.: Komt voor bij gelebek*, pikolet* en twatwa*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koor (Latijn chorus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koor ‘meerstemmige zangmelodie; zanggroep’ -> Indonesisch koor ‘zanggroep’; Papiaments kor (ouder: koor) ‘zanggroep’; Sranantongo kor ‘meerstemmige zangmelodie; zanggroep’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koor meerstemmige zangmelodie, zanggroep 1265-1270 [CG Lut.K] <Latijn

koor deel van kerkgebouw 1330 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal